Categorieën
Interview

Interview met Loek Grootjans

 Inschrijven nieuwsbrief: zie kader links


Interview met Loek
Grootjans (NL 1955), winter 2014-2015

(Loek heeft me laten zweten: 35!Word-pagina’s interview/monoloog (mijn record) Dus bezint vooraleer je begint 😉 (en wees zo lief me onregelmatigheden in het interview door te geven aub, m.a.w.: we hebben nog een eindredacteur nodig ;-))

 


 

Hilde Van Canneyt: Hallo
Loek. De Belgen kennen je misschien van je expo in het S.M.A.K. in Gent (2010).
Of voor de Gentenaren: van je werk in de Sint-Michielsstraat. En voor de
Aalstenaars: van je werk in de Visscherestraat – Pieter Coeckestraat.



Loek Grootjans: En op het Guldenboomplein in Aalst staat ook een nieuw
werk! 

HVC: Hoe kom je tot zo’n
kunstwerk zoals in de Sint-Michielsstraat, met die trapjes
?

LG: Nou, dat was een opdracht uitgeschreven door De Nieuwe
Opdrachtgevers. Mensen uit de buurt mochten een comité vormen en een thema op
blinde muren voorstellen en een van die blinde muren – de allerbelangrijkste
van Gent, maar die is nu weg – werd mij toebedeeld. Omdat dat een moeilijke
site was, waar veel was gebeurd . Het Sint-Amandus-instituut zat daar, waar
ervoor de broeders der Alexianen zaten, gelovigen die heel veel zieken hebben
verzorgd,… Het was geen gemakkelijk iets, want iedereen wilde die muur weg,
iedereen wilde er vanaf, en dan zou er daar een kunstwerk op moeten komen. Dat
was ongelofelijk ingewikkeld. Met een goed team hebben we veel archeologisch
onderzoek gedaan, alsook met de stadsarchivaris van Gent gesproken en met
mensen van het Sint-Amandus-instituut. Het was een vrij kort traject en al heel
snel kwam ik erachter dat ik die muur moest laten zoals die was. Het moest een
sokkel worden voor een kunstwerk. Door het onderzoek kwam ik te weten dat er daar
zoveel leed had plaatsgevonden en dat er zoveel mensen zijn heengegaan door ziektes,
onder andere door cholera, neem ik aan. Ik dacht: “Ik ga daar een wachtkamer
maken voor de hemelpoort, zodat je daar kan toegelaten worden tot de hemel.
Waar je kan wachten in een mooi blauw kamertje met zicht op het eeuwige blauw…”,
beetje verwijzend naar Yves Klein natuurlijk.
Maar ik ben ook bergbeklimmer geweest en ik weet dat je op een trap van
twintig centimeter breed en een steile wand, je niet kan lopen. Eventjes wel,
maar je lichaam duwt je ervan af en dan begon die trap ook nog eens op drie-en-een-halve
meter hoogte, zelfs springen helpt niet. Je kan er niet bij, dus eigenlijk was
het onbereikbaar. En zo is het werk begonnen. Het zou er twee jaar staan. Het
was de bedoeling dat de hele site zou veranderen, wat nu is gebeurd. Vorig jaar
is het afgebroken. Het werk is er nog, maar in een heel andere vorm. Ik heb het
aangeboden aan het S.M.A.K. Ik heb met Philippe Van Cauteren – die een goeie
vriend van me is door de tentoonstelling in het S.M.A.K. van 2010 – Arcelor
Mittal benaderd, de hoogovens in Gent en zij hebben dat hele werk van mij
omgesmolten. Fantastisch, wat een ervaring! Dat was werkelijk van hemelpoort
tot hellevuur.




HVC: Is dat een werk dat het
S.M.A.K. nu in zijn bezit heeft?

LG: Dat ben ik nu aan het maken.
HVC: Dat zullen we ooit mogen
bewonderen …


LG: Ik zal dat voor het eerst tonen in maart in 2015. Ik krijg een
solotentoonstelling in galerie EL, in Welle, bij Eric De Smet. Daar wordt het
werk voor het eerst getoond en daarna gaat het – mits het eerst goedgekeurd
wordt, maar daar ben ik niet te bang voor – naar het S.M.A.K..
HVC: Ik las dat je een
schilder bent die niet meer schildert, omdat je van de overtuiging bent dat een
meesterwerk niet meer gecreëerd kan worden. Sindsdien cirkelt je hele oeuvre
rond dit gegeven.


LG: Als je er de tijd voor wilt nemen, ga ik je dat uitleggen. Dat is
niet zomaar gekomen. Dan moet ik toch uitleggen hoe het allemaal begonnen is.
Mag dat?







HVC: Zeker, maar spaar me
wat, ik moet dat allemaal uittypen. (knipoogt)


LG: Ik ben geboren in Arnemuiden, een klein plaatsje in Zeeland. Dit is
een leuke anekdote: waar mijn vader me heeft leren zwemmen, is Albrecht Dürer
bijna verdronken. Hij heeft ooit Arnemuiden bezocht in 1521. Dat is sowieso wel
bijzonder, dat is onderzocht. Dus een beetje van zijn kots zit ook in mijn
bloed, denk ik, want hij moest zwaar overgeven. Mijn vader was schroothandelaar
en mijn moeder was garnalenpelster, dus dat is gewoon een arbeidersmilieu. Mijn
vader werkte bij een bedrijf die handelde in enorme schroot. Dat was voor mij
de beste speelplaats ooit.
Ik kon best goed leren, dus ik mocht naar een goede school en die
school bracht mij op zestienjarige leeftijd naar het
Kröller-Müller Museum in
Otterlo. Omdat ze vonden dat ook wij kunst moesten kennen. Toen werden we
gewoon nog kunst onderwezen. Was het nog maar zo. Dus plots zie je daar veel
schilderijen: Pissaro, Manet, Monet, Van Gogh en ik had nog nooit schilderijen
in het echt gezien, alleen reproducties. Ik was daar totaal van onder de
indruk. Maar één schilderij sloeg me echt helemaal kapot. Dat was het
schilderij van Piet Mondriaan, Compositie
in kleur B
, uit 1917. 

Dat was nog niet in zijn primaire kleuren, maar oker en blauw. Het
sloeg me helemaal kapot. Ik was er helemaal zot van. Ik nam posters mee en kaarten
voor mijn vriendin – die nu nog mijn vrouw is, voor mijn ouders, voor mijn
broers. Werk van Mondriaan in postkaartformaat. Mijn ouders dachten dat ik
compleet gek geworden was. Ik zeg tegen hen: “Ik wil dat ook gaan doen. Ik wil
geen advocaat worden of dokter of onderwijzer of leraar. Ik wil kunstenaar
worden!” Mijn ouders waren furieus: “Of ik gek geworden was?” Nee, dat is
helemaal niets. Dat kennen we niet. Maar goed ik was nogal volhardend – ben ik
gelukkig nog steeds. Toen heb ik het hele jaar door alleen maar scripties en
spreekbeurten over Mondriaan gehouden: over De Stijl en alles wat erbij hoort,
en over Van Doesburg en
Bart van der Leck. Ik was er heel
diep ingedoken. Dat vonden mijn leraren natuurlijk fantastisch, omdat een
jongen die nooit iets van kunst had gezien, er zover in ging. Ik was hun
oogappel, hé.

Het jaar erna stuurden ze ons naar het Stedelijk Museum in Amsterdam.
Het was voor het eerst dat ik in zo’n groot museum kwam. We waren allemaal
overdonderd natuurlijk. Ten eerste van Amsterdam en ten tweede van dat
prachtige museum. Op een gegeven moment sta ik in de erezaal voor Who’s afraid of red, yellow and blue van
Barnett Newman. Nou! Dus Mondriaan al kennende, het commentaar van
Newman op Mondriaan… Ja, dat was fantastisch natuurlijk! Dus ik weer foto’s of
briefkaarten of een poster mee naar m’n ouders. En toen hadden ze in de gaten
dat er geen houden meer aan was.
Nou goed, dat is het verhaal: daar ben ik kunstenaar geworden. Ik ben
hier naar de Academie in Breda geweest, een fijne academie. Ik heb fotografie
en film gestudeerd, omdat m’n ouders vonden het toch wel handig was om ook een
vak te leren. Dat was toen een vijfjarige opleiding, maar bepaalde uitblinkende
leerlingen kregen de mogelijkheid om in diezelfde periode ook een avondopleiding
te volgen op dezelfde school. Dus heb ik dat ook gelijk aangepakt. Acht jaar
dus. En dan kom je van de academie af en begint het. Daarna heb ik nog
filosofie gestudeerd, omdat ik het allemaal niet snapte. En dan begin je en dan
gaat het niet.
HVC: En dan zit je daar plots
in je ukki in je atelier.


LG: Ik was een gevierde leerling op de academie en dan zit je daar
inderdaad. Niemand komt, niemand vraagt. Je context is weg en er was ook geen
nazorg. Toen misschien nog niet zoveel als nu, maar goed, de docenten hadden
zelf geen goede beroepspraktijk. Ik ben toen veel tentoonstellingen gaan
bezoeken, constant, overal. Op een gegeven moment kom ik in contact met de
filosoof Spinoza. Spinoza heeft het over de waarneming, die inferieur is. Hij
heeft het over kennis. Een heel mooi boek heeft hij geschreven, De Ethica, en dat begint met “Al wat is,
is in zichzelf of in iets anders.” En hij begint dat helemaal uit te pluizen. Hij
eindigt het boek met ‘Alles wat voortreffelijk is, is even moeilijk als
zeldzaam.’ Dat is ongelofelijk. En daartussen in het boek gaat het op een
gegeven moment over de aandoeningen, over wat we zijn en wat we kunnen doen en
hoe dat allemaal zit. Hij gradeert de kennis in drie stappen. Eén: de
waarneming, wat je ziet, hetgeen wat je waarneemt, is inferieur. Daarna, de
tweede stap van de kennis; de logica, de rede, dat je het allemaal kan
plaatsen. De hoogste graad van kennis is het onmiddellijke weten, de intuïtie,
de intuïtieve kennis. Zodat je alles wat je acuut begrijpt, kan traceren naar
de rede en de waarneming, zodat je weet waar het vandaan komt.  Dat was voor mij ongelofelijk. Ik was
schilder. Ik ben van Spinoza gaan houden die zegt: “Wat je ziet, dat is
inferieur.” Whoah! Dan ben je goed bezig hé. (lacht)
HVC: (knikt verder)

LG: Na die opgedane kennis, was er een tentoonstelling in het Van Abbe
Museum.
Deze heette
Ooghoogte en ik was toen met Oefeningen voor het oog, een grote
serie, bezig. Ik trainde het oog om te kijken naar bepaalde kleuren, te kijken
wat het nabeeld ervan was en dat schilderde ik. Dat waren bijna allemaal
monochrome doeken. Toen Rudi Fuchs die tentoonstelling op ooghoogte maakte, vond ik ondanks dat het een mooie expo was,
dat zijn thema veel te zwak was, want ooghoogte – het zien – als je Spinoza
kent, is dat inferieur. Je maakt een inferieure tentoonstelling, dat is een
inferieur thema. Nou, dat heb ik geweten. Er kwam een mooie briefwisseling op
gang en op een gegeven moment meldt Rudi Fuchs aan mij: “Loek, de muur is te
hoog voor jou.” De muur die de modernisten hebben opgericht (en dan eindigend
met Yves Klein of Ellsworth Kelly of Brice Marden, Barnett Newman, noem ze
allemaal maar op, de grote, bijna de metafysische schilderkunst (laten we het
zo maar even noemen), die muur is te hoog, en vooral Yves Klein, daar kom je
nooit meer overheen. Maar ik zat wel al in die richting, Ik hield van Rothko,
ik zag een prachtige tentoonstelling in het Museum Ludwig in Keulen van zijn
werk. Die muur is te hoog. En toen dacht ik: dat kan wel zijn. Ik begon
natuurlijk Yves Klein te bestuderen met zijn ‘Internationaal Klein Blue’ en dat
verkreeg hij door louter naar de lucht te kijken en te verklaren: “Dat is van
mij.”
Het maakte deel uit van een gevoel wat een schilderij voor je doet –
dus niet alleen zien. Klein dwingt je om zevenentwintig minuten voor dat
schilderij te staan met een loden bal aan je voeten… Ik dacht: “Ik moet
inderdaad stappen ondernemen. Ik moet iets doen.” En dan ben ik in 1987 aan een
plan begonnen. Ik heb er met m’n vrouw over gesproken, met een psychiater en
een oogarts, een team van drie mensen: om mezelf een maand lang zonder licht op
te sluiten in m’n atelier in de buurt van Breda, in de bossen van Effen,
richting Rijsbergen. Mijn vrouw was daar natuurlijk helemaal niet blij mee en
de psychiater heeft me gewaarschuwd, want daar moet je mee oppassen, want
sensorische deprivatie drijft mensen tot waanzin.
HVC: Dat vermoeden heb ik
ook …


LG: Maar goed, ik wilde toch volharden. De oogarts zei: als je dat
doet, dan heb je mij daarna hard nodig, want als je je versteekt van licht en
daarna het licht inloopt, dan zal je wel blind zijn. Dus voorbereid, wat
geoefend al, proviand in het atelier… Ik heb het atelier helemaal afgeplakt met
zwarte plastiek, kieren dichtgemaakt en op een gegeven moment ben ik erin gegaan.
Ook mijn ogen afgeplakt zodat geen enkele kier, geen enkel lichtpuntje me kon
verstoren. De psychiater had gezegd: “Dertig dagen moet je er blijven, dan weet
je het zeker, dan ben je gebroken of niet.” Bij mij was het alles of niets.
HVC: Een week ‘donker
onderzoek’ ging te kort zijn?


LG: Dat ging te kort zijn. Hij wist dat er al eerder kleine
experimenten waren gedaan en achteraf weet ik nu ook waarom dat is. Ik kan je
vertellen, Hilde, het was een hel in het begin. Alles wat in je hoofd zit aan energie,
dat zie je, ook als er geen licht is. Je ziet dus gewoon. Je ziet die staafjes
en die kegeltjes en je irissen. Dat is gekmakend, maar het allerergste is dat
je ook alle beelden ziet: ik zag mijn vrouw, ik zag mijn hond, ik zag mijn
ouders. Je ziet ze gewoon, ze zijn er. Alle opgeslagen beelden, zag ik gewoon.
HVC: Als een film bijna?

LG: Dat was alsof een computer op hol slaat. Alles wat er in dat ding
zit, lijkt allemaal ineens naar voren te komen, en ook allemaal zichtbaar. Dat
heeft denk ik een dag of tien, twaalf geduurd, dat weet ik niet meer. Ik had
wel een besef van dag en nacht door het geluid van de vogels. Op een gegeven
moment was het genoeg geweest dat ik dacht: “Ik stap eruit, ik trek het niet.”
HVC: Vraagje, Loek. Had je de
kunstwereld vooraf ingelicht dat je dat project ging doen?


LG: Nee, niemand wist het.
HVC: Het was niet dat je je
moest bewijzen tegenover de buitenwereld en dat iedereen ondertussen denkt:
“Zal hij het volhouden of niet?” Wilde je dat bewust niet? Je deed dat toch
niet puur voor jezelf?


LG: Nee, want dan zou ik bezoek krijgen. We hebben ook wel gedacht:
“Doen we er geen infraroodkamer in?” Absoluut niet. Ik wilde helemaal los zijn
van alles. Voor mij hoefde dat ook niet per sé een resultaat te hebben. Ik deed
het puur voor mezelf. Er waren maar drie mensen die ervan wisten. Na tien,
twaalf dagen begonnen die beelden weg te ebben. Goddank, want je eet en doet
natuurlijk veel minder. Het was een kleine ruimte. Je beweegt niet veel. Je
slaapt. Ik wilde ook niet werken. Ik heb eigenlijk niets gedaan. Op een gegeven
moment ben ik toch in een soort trance geraakt, denk ik, en al de beelden ebden
weg en er kwam een kleur voor mijn ogen. Een roodbruine kleur, alleen
roodbruin, en dat vibreerde heel mooi. Dat was héél rustgevend en mijn ademhaling
werd veel rustiger en steeds intenser. Na dertig dagen hadden we afgesproken
dat het team zou komen met een bepaald signaal op de deur kloppend.
HVC: Er moest toch af en toe
iemand op de deur kloppen om te zien of je nog leefde.


LG: Jaja, maar er is niemand binnen geweest. Ze konden me ook niet
bellen en na dertig dagen hebben ze mij eruit gehaald. Dan moet je niet vragen
hoe natuurlijk. Ik zag er verschrikkelijk uit. Verwaarloosd en vermagerd en
ongewassen en ongeschoren en vies. Maar ik kon natuurlijk niet zomaar naar
buiten lopen, want ik had dertig dagen in het duister gezeten. De oogarts had
voor mij een apparaat ontwikkeld, een ‘schuifweerstand’.
HVC: Een schuifweerstand?

LG: Daarmee kan je langzaam het licht laten verhogen. Er stond een
tafeltje in het midden, ze hebben dat ding op tafel gezet, de deur weer
dichtgedaan en de schuifweerstand aangezet. Daar zat een lampje op aangesloten
en dat beginlicht – het eerste licht dat ik weer zag – was een lampje dat door
de schuifweerstand kon worden teruggebracht tot een duizendste van een lumen.
En een lumen dat is de lichteenheid van een kaars. Een duizendste daarvan is
niets, dat zie je bijna niet. Dan dat lampje aan en dat was zó verblindend,
alsof ik recht in de zon keek. Op dat moment verschoot de kleur roodbruin die
ik dagen had gezien – twintig dagen wellicht – 
en veranderde in groen, want de hersenen moesten zich aanpassen. Groen
is complementair, dus compensatie. Het verhaal is verder bekend. Je begint
langzaam aan dat licht te wennen. Ik heb járen met een zware zonnebril op
gelopen.
HVC: Oei. Was dat dan de
moeite waard dan voor jou?


LG: Ja.

HVC: Heb je ‘dat duister
verhaal’ onmiddellijk in de pers gebracht?


LG: Nee, helemaal niet, want ik wilde dat stil houden. Ik wilde eerst
een serie werken maken die het experiment als uitgangspunt hebben. Ik was
natuurlijk ongelofelijk blij dat ik die kleur had gezien. Ik was, wat ik al net
zei, een grote fan en bewonderaar van Yves Klein, maar zo een ‘internationale
Klein Blue’, had-ie alleen maar verkregen door naar de lucht te kijken: “Dat
heelal is van mij, dat ga ik schilderen”, moet hij hebben gedacht.
Ikzelf had twee kleuren nu: roodbruin en groen, en dat had ik verkregen
door een zeer zwaar experiment. Ik heb ze niet ‘International Green Grootjans’
en ‘International Redbrown Grootjans’ genoemd. Gewoon roodbruin en groen. Ik
heb me dan voor al het geld dat ik had, een hoeveelheid verf gekocht: roodbruin
en groen.
HVC: Die twee kleuren als
basis?


LG: En een zwarte om ze te kunnen graderen van licht naar donker. Een
hele partij, een pallet vol. Ik dacht: “Daar ga ik het mee doen, dan ga ik
laten zien aan de wereld wat ik kan.” En ik ben toen gaan schilderen, onder
andere de serie Kaders voor het
onvermogen
. Een mooie serie bruine schilderijen; die gelijk werden
aangekocht door een museum. En iedereen vroeg zich af wat het was, zó goed dat
ze het vonden.
Erna kwam Logica voor de illusie, een serie groene
schilderijen. Daar was de pers enthousiast over, maar ze wisten niet waar het
vandaan kwam.
HVC: Tot dan had je hen nog
niets verteld?


LG: Nee, dat wilde ik ook zo, maar altijd kwam weer de vraag: “Wat
betekent het? Wat is de metafysica van het werk? Waar gaat het over? Erg mooi!”
Zo heb ik veel series gemaakt. En ook weer veel andere werken, allemaal met dat
roodbruin. Ook met gespoten spiegels erin, zwarte kanten, schilderijen die zich
laten reflecteren, zodat schilderijen alleen maar in zichzelf zijn gekeerd.
Dat was succesvol allemaal. Veel van dat werk werd aangekocht en ik
kreeg toen wel wat aandacht.
Op een gegeven moment was er een vriendin van mij, een kunstenaar die
ook veel schrijft en me vroeg: “Hoe komt dat toch dat jij zo van die prachtige
schilderijen maakt? Waar komt dat vandaan? Wat is de basis?” Ik zeg: “Ik heb een
maand in het donker gezeten.” Dat kwam er zo uit zoals ik het nu zeg. En ze
schrok. Ze stond vastgenageld aan de grond. En ik dacht alleen maar: “Oh shit,
ik heb het verteld.” Toen moest zij natuurlijk alles weten en toen is alles in
de pers gekomen.
HVC: Tijdens die maand
opsluiting, had je natuurlijk geen inkomsten … Kon je erna leven van de
monochromen die je verkocht?


LG: Van te voren had ik allerlei baantjes …
 en natuurlijk verdiende ik
met m’n kunst Maar ik heb eerst acht jaar in het atelier gezeten, waar nooit is
iemand geweest, omdat ik niet wist wat ik aan het doen was.
HVC: Zoals de meeste
beginnende kunstenaars heb je eerst allerlei baantjes gehad.


LG: Nou, ik heb als bijrijder in vrachtwagens gereden, in
betonfabrieken gewerkt, ’s nachts kranten verdeeld, bij de post gewerkt tot
mijn veertigste. Het gaat niet zomaar. Ja, en toen begon het langzaam beter te
gaan en werd ik gevraagd voor commissies en ook om te schrijven en dat soort
dingen meer.
Maar omdat ik maar die bepaalde hoeveelheid verf had – als ik mezelf
iets toezeg of beperk, dan kom ik daar nooit meer op terug – kon ik op het
eerste zicht niet meer verder. Iedereen zei: “Koop toch gewoon een nieuwe hoop
verf joh, het gaat toch goed?” Nee: Klaar is klaar.
Ik zag dus dat m’n verf op ging raken en dat er in mijn atelier nog
veel sporen waren van gemorste verf. Dus die ben ik allemaal weg gaan schrapen:
van de vloer af en muren afschuren met de schuurmachine, daarom kwam er ook wel
wat muurspul en stof mee. Dat liet ik allemaal weer tot nieuwe verf maken bij
een fabriek die dat pigment of die structuur kon herkennen. Daar liet ik dan
weer nieuwe verf van maken en dat smeerde ik dan weer op doek, dat zijn die
vervuilde doeken. Op een gegeven moment raakte ook die verf op. Ik heb daar in 2004
met een filosoof een boek over gemaakt: The
final remains
. Dat is een soort super-DNA van de schilder die moet stoppen
met verf, met allemaal verhalen erbij, wat het allemaal kan betekenen.






HVC: Het is begonnen met die
verfresten, maar je hebt dan ook alle soorten andere dingen beginnen
onderzoeken, hé?


LG: Ja, alles wat van mezelf is, waar ik vandaan kom, het stof van mijn
ouders, alles…
HVC: Je urine en sperma ook
hé? En dat was allemaal van jou?


LG: Ja, alles. Mijn stront, mijn sperma, alles wat een mens heeft, zit
erin. Allemaal puur van mij. Mijn vader was in die tijd al ziek op het einde
toen ik dit maakte. Dan heb ik echt letterlijk zijn laatste adem opgevangen in
een zakdoek. Toen hij stierf waren zijn laatste woorden: “Jongen, nou moet je
het zelf doen.” Niet dat hij me ooit al had geholpen in de kunst, maar hij
heeft me wel met heel veel andere dingen geleerd om mens te zijn. Het was
eigenlijk ook een ode aan mijn vader. Dat is het wolplaatje van de dekens waar
we sliepen op de grond. De garnalenpellen zijn van mijn moeder. Het scheersel
als ik naar m’n vader ging, want die had een hekel aan ongeschoren.
HVC: Het is begonnen met die
verf, maar het is nogal uit de hand gelopen. Maar je kan het vergelijken als
het ware alsof ik mezelf in stukjes zou hakken en dat naar buiten zou brengen.
Zodat andere mensen zich erin kunnen herkennen. Want anders lijkt het bijna
alsof je zegt: “Kijk, ik ben Loek en jullie moeten kijken hoe ik besta.”
Maar dat is ook niet jouw
bedoeling, vermoed ik?


LG: Nee nee. De teksten heb ik met een filosoof geschreven. Bij elk
ding staat er een tekst, wat het betekent. Ik heb dat bijna à la Georges Perec
gedaan, heel nauwgezet. We hebben het over Jacques Brel, over de tempelberg,
over bepaalde soorten koffie …






HVC: Het gaat bijna eigenlijk
over het leven zelf …


LG: Ja. De context. De schilder die op dat moment sterft, zeg maar,
omdat zijn verf opraakte, en wat in zich zit en wat rond hem zit. Ook delen van
mijn vrouw zitten erin, stof van het huis, noem alles maar op en de context
waar het toe behoort. Ik kon bijvoorbeeld niet huilen en ik had tranen nodig.
Ging niet. Toen heb ik met uien op mijn ogen gelegen, maar dat is niet echt
natuurlijk, maar nog kwam er niets uit! Op een gegeven moment zag ik een heel
mooie documentaire van Jaques Brel op de Belgische televisie en dat was zo
intens mooi, en toen kwam het los… en mijn vrouw gelijk een schaal eronder
zetten. Ik heb uren gehuild (lacht). Dat is dan weer de context Jacques Brel
waar ik veel van hou, van zijn prachtige liederen. Dat is de context waar een
persoon kan toe behoren, dat is waar dit over gaat. Het is een groot werk
geworden, dat je gezien hebt in het S.M.A.K., The final remains. Zevenentwintig werken met teksten.
Maar gaandeweg was ik natuurlijk wel bezig met andere dingen; ik wist
dat de verf opraakte en het kunstenaarschap beviel me echt ontzettend goed…
Ik vertelde al, ik was dus gestopt, ik móest stoppen als schilder.
Klaar.
HVC: Je voelde dat?

LG: Ja, mijn verf was op, dus ja …
Toentertijd had ik een galerie: Galerie Van Den Berge, waar een expo
werd opgestart: The sugar mountain
naar een lied van Neil Young – Bring me
to the sugar mountain
– en de galeriehouder vroeg mij of ik een bijdrage
wilde leveren aan die tentoonstelling. Ik moest daar iemand voor uitnodigen. Ik
heb toen Maria Roosen uitgenodigd als mijn kompaan. Ik heb er een serie
monochromen getoond en Maria Roosen had een schedel van suiker laten maken.
Ik heb toen een reisbureau opgericht The SugarMountainTravel. Je kon met mij mee naar de top van een
berg: die SugarMountain bestond dus echt: Zuckerhütl in Oostenrijk. Ik had hem
al eens beklommen. Met SugarMountainTravel kon je met mij mee. Maar ik dacht:
het moet conceptueel zijn, het moet een concept zijn, ik ga een ongelofelijk
zwaar protocol opstellen. Ik heb een brochure gemaakt zodat mensen meekonden,
advertenties geplaatst….
HVC: Gelijk wie kon mee?

LG: Niet iedereen.
HVC: Je hebt een echte een
brochure gemaakt?


LG: Jaja. Maar ik dacht: “Ik ga een heel zwaar protocol opstellen.” Ik
heb een ballotagecommissie gevormd met de bedoeling dat er niemand mee kon.
Zodat louter en alleen de brochure het werk is. Die tocht hoefde niet.
In de brochure stond:‘Op de SugarMountainTop zal bij het topgesprek
onder andere worden gesproken over de bijdrage van Loek Grootjans aan de
tentoonstelling Sugar Mountain. Als u mee wilt, dient u op de hoogte te zijn
van de elementaire kunstgeschiedenis, het ontstaan van het monochrome doek, de
filosofie van Spinoza. Uiteraard heeft u de Ethica
en de verhandeling over de verbetering van het verstand
gelezen, u weet van
kleurenleer, u houdt van de schrijver Georges Perec en in het bijzonder van
zijn boek Les choses, u bent op de
hoogte van de filosoof Kant, u heeft een sterk verlangen tot het in kader
brengen van alles, u heeft een sterk verlangen tot het uitspreken van niets, u
heeft daardoor een sterk inlevingsgevoel zodat u niet snel verveeld raakt bij
het aanhoren van andermans theorieën en gedachten.’
HVC: Amai, wat een boterham!

LG: Dat was het eerste deel. Want je kon natuurlijk niet zomaar mee.
Het was nogal een barre tocht en dan moeten de deelnemers beschikken over
voldoende klimervaring, een hele goeie berguitrusting en dan staat er wat ze
allemaal nodig hadden: ‘Stijgijzers, integraalgordel, pickel, goede rugzak,
sjaal, klimbroeken, bivakzakken, thermische ondersokken, sokken, fluitje,
spiegeltje, kompas, kaart van het gebied, zakmes, petje, noodproviand,
waterflessen, huttensloffen, zaklamp, koplamp, telescopische wandelsokken,
steenslaghelmen, en al dat soort dingen meer. Ik dacht: “Nou, dat is nul
aanmelding.
Dit kon niemand, dit kan niet. Dit is zo zwaar aangezet, dat kan niet.“
Maar toch elf of twaalf aanmeldingen.




HVC: Waren dat aanmeldingen
van mensen die jou kenden?


LG: Nee! Lucette Ter Borg had een mooi artikel over dit werk geschreven
in de Volkskrant, een beroemde krant natuurlijk, dus ik kreeg veel
aanmeldingen.
De ballotagecommissie waar onder andere mijn vrouw in zat, die was
voorzitter, en nog een aantal mensen die bergsportervaring hadden: een geneticus
zat erin en nog wat mensen. We kwamen tot de conclusie dat er zeven mensen mee
konden. Dus dan moesten wij op pad en dat is dus ook gebeurd. (lacht) Ik heb de
tocht gemaakt in 1998, een barre tocht en die staat in twee boeken zelfs, dit
boek geef ik je ook mee hoor.
HVC: Fijn!

LG: (toont me het boek) Kijk, hier is de berg. Op zich niet al te
moeilijk, maar toch 3505 meter hoog. Hier is de groep, hier gaan we op pad. Dit
zijn barre omstandigheden. Hier staan we op de top. Hier ongeveer trekken we
vandaan en we zijn naar boven geklommen. Dit is een werk dat ik ervan gemaakt
heb. Ik wilde een topgesprek. Letterlijk een topgesprek op de top van de
SugarMountain, wat gaat over inzicht en uitzicht, betrekking hebbend op het
meest moderne monochrome schilderij. Dat is natuurlijk absurd. Je moet niet
vergeten dat er een enorme gletsjerspleet is waar je overheen moet. Dit lijkt
klein, maar een vrachtwagen kan erin vallen. Het staat ook beschreven in de
brochure: je moet eroverheen. Je moest echt klimervaring hebben. De periode dat
wij het hebben gedaan, was in juli 1998, waar het normaal redelijk goed weer is
om het te doen, maar we hadden bar- en bar slecht weer. Sneeuw, alleen maar
sneeuw.
HVC: Dan ziet je oog de ganse
tijd alleen maar wit+wit?
En als je op de top komt, zie
je dan blauw? (Hilde heeft nog nooit op een bergtop gestaan zoals jullie merken, red)


LG: Allemaal wit. Nou ja, we hebben er veertien dagen over gedaan om de
top te bereiken. Het was moeilijk, door de sneeuw. En hier zitten we dus vast
aan het kruis. En daar hebben wij een topgesprek gehouden van twintig minuten.
En het was koud!
HVC: Heb je dat gesprek
opgenomen?


LG: Nee, er is niets opgenomen. Dat mocht ook niet.. Het moest in de
lucht blijven hangen. Alleen foto’s mochten. We hebben inderdaad gesproken over
de filosofie van Spinoza en Kant – en noem het allemaal maar op – en Georges
Perec en wat het betekent om op een berg te staan. Níet te spreken over het
enorme fantastische uitzicht, want het was slecht weer. We hebben met heel veel
moeite de top bereikt. Op het moment dat wij op de top staan, gaan de wolken
open en zien we de prachtige Oostenrijkse Alpen. Dat is heel mooi, maar daar
hebben we niet over gepraat. Dit is natuurlijk een enorme ervaring geweest. Dat
is wel goed in de pers gekomen, dat ik als kunstwerk een expeditie naar een
bergtop SugarMountain heb gemaakt en dat daar ook een topgesprek heeft
plaatsgevonden over de beeldende kunst: ‘het monochrome doek is een optima
forma’, en dat werd een succes. Ik heb daarvoor aantal werken gemaakt en die
zijn aangekocht door het museum in Venlo. Ik heb daar ook een tentoonstelling
over gemaakt. En dit beviel me zo – dit ging in feite over context – en dit was
de opmaat om een stichting op te richten.
HVC: De Stichting Foundation for
the benefit of the aspiration and the understanding of context
uit 1998.


LG: Ja, de tocht was een groot succes. Ik dacht: “ Ik ga het hebben
over context en wat dat allemaal betekent.” Nou, dat is helemaal uit de klauw
gelopen. Dit is maar een heel klein onderdeel van de stichting (laat me een dik
boek zien, red). Ik heb dit boek in 2008/2009 gemaakt en toen dacht ik: “Ik hou
ermee op met die stichting”, maar het loopt nog steeds door. Dit boek is het
tienjarig bestaan van de stichting. Er staan mooie teksten in, onder andere van
Chris Dercon, Ulco Mes en Frank Maes.
De foto’s zijn enorme blow ups. Deze zijn nog niet digitaal gemaakt,
gewoon met een filmrolletje en met printjes en de printjes zijn gescand en
enorm opgeblazen. Dit ben ik die de top aan het bereiken is en hier zie je de
top.






HVC: Ik begin de dingen te
verwarren: je hebt toen die stichting opgericht, maar je wist nog niet waar het
naartoe ging?


LG: Nou ja, dat wist ik wel. De titel zegt het al: Foundation for the benefit of the aspiration and the understanding of
context
– en dan komt het – formerly
known as the institute for immediate knowledge
– daar heb ik het net over
gehad: Spinoza, het onmiddellijke weten-, real perception – de werkelijke
perceptie – and logic features according to the most contemporary monochrome
paintings: en logische verschijningen betrekking hebbende op de meest moderne
monochrome schilderijen. Dus, daar moeten we het over hebben. Wat in die
stichting komt, wist ik nog niet helemaal goed, maar alles moet daar min of
meer over gaan. Ik was eigenlijk al bezig. Kijk, (wijst in het boek, red) dit was het eerste kantoor dat ik heb
opgericht: The Reception Department,
want het begint met de receptie (gelach). Ik heb mijn monochrome schilderijen
als displays laten zien, en het kantoortje helemaal zelf gemaakt:  tapijtje op de grond, de secretaresse is er,
er stond een koffiemachine, dus ik ben met de receptie begonnen. En natuurlijk
daarna nog een receptie om te laten zien dat de stichting is begonnen, met veel
studenten en drank. Je moet het ook vieren natuurlijk …






HVC: Dan maak je een soort
installatie in een gebouw en dan maak je daar beeldmateriaal van. Het kunstwerk
= het beeldmateriaal? Want er zijn daar nooit veel mensen komen naar kijken
toch?


LG: O, jawel. Zo is het begonnen en zo eindigde het. Ik heb het toen
officieel ingehuldigd met de stichting die in London is opgericht door mijn
assistent, met de notaris en alles. Dan had je de viering. Toen zijn de
departementen ontstaan en een van de departementen is How, zes jaar daaraan gewerkt. Ik heb me alle vragen gesteld die
een kunstenaar zich kan stellen, allemaal beginnend met ‘How to …’ en dan het
werkwoord’. Ik ben uitgekomen op 1146 vragen. Daar zit geen enkele doublure in.
Als ik ze allemaal zou kunnen beantwoorden – 
dan heb ik echt het onmiddellijke weten, de totale kennis in handen. Dan
heb je weer Spinoza eigenlijk. Maar dat gaat niet, want elke vraag heeft
natuurlijk een deelvraag en die heeft weer een deelvraag, dus je ebt weg, de
vragen zijn nooit beantwoord. Maar ik heb ze wel gesteld en ik heb elke vraag
met de hand geaquarelleerd, heel precies. Over elke vraag deed ik ongeveer twee
dagen. Dat is dus The Questioning
Department
. En zo zijn langzaam die departments ontstaan. Alleen al The
Questioning Department, zijn elf solotentoonstellingen.
HVC: Amai, wederom.
Alle vragen van The
Questioning Department heb je dus heel rustig in je atelier geschilderd?


LG: Ja, heel rustgevend, met aquarelverf. Dat is natuurlijk iets anders
dan de groene of roodbruine verf. Er zijn allerlei departementen: zo heb ik ook
een acquisitiebureau opgericht en een onderzoeksbureau met een callcenter om
mijn werk aan de man te brengen: klantenwerving en klantenbinding en
vraagstelling. Dit was een tentoonstelling in Vlissingen waar monochrome
schilderijen hingen en waar het publiek werd ondervraagd.  Eerst werden ze gevraagd om naar de
tentoonstelling te komen. De medewerkers van het callcenter kregen een
bladzijde uit het telefoonboek en moesten mensen bellen en als die dan kwamen
kwamen… dan was er ook een ontvangst en werden ze ondervraagd over een aantal
zaken. Dat is allemaal verwerkt. Dat was The
Acquisition and Inquiry
Department.
HVC: Die departementen,
ontstonden deze heel organisch?


LG: Nee. We hebben een escortbureau gehad. Je weet wat dat vaak
betekent, je wordt geëscorteerd door een jongen of een dame waar je alles mee
kan doen wat niet in het licht mag. (lacht) Ik heb alle toenmalige mensen uit
Den Haag gevraagd die van belang waren in de beeldende kunst, om deel te nemen
aan mijn escortbureau. Dat ging in het begin erg moeilijk. Totdat Wim van
Krimpen, de directeur van een Haags Gemeentemuseum destijds ‘ja’ zei en toen
ging het eigenlijk gemakkelijk: ik kreeg 28 mensen. Daar werden brochures van
gemaakt. Hier werd weer echt een kantoor opgericht. Je ziet ook weer dezelfde
dingen die ik nog had van de The
Reception Department
. Dit is een waanzinnig succes geweest. We zijn acht
dagen, vierentwintig uur per dag open geweest en mensen konden naar het kantoor
komen of inbellen of via de computer vragen of ze met iemand mee konden. Het
enige wat er over moest blijven, was een tegenprestatie van de geëscorteerde.
Zo konden ze bijvoorbeeld een dag mee met de directeur van het Mauritshuis, het
Gemeentemuseum of met een kunstcriticus. Er zijn allerlei tegenprestaties
geleverd en dat was prachtig. Het zijn allemaal ondervragingen van context. De
kunst werd dan niet door mij ondervraagd, maar door de mensen die bij mij
aankwamen en de mensen die beschikbaar waren. Dat waren allemaal coryfeeën in
de beeldende kunst.
Nou, er zijn veel meer departementen geweest: The Relaxation Departement en 
sub-departmenten… Nou dan komen we langzaam bij het werk dat ook in
Museum De Pont werd getoond, een installatie met allerlei
vragen. 



HVC: Was dat The Questioning
department
?


LG: (toont boek) Zie je al
die vragen hangen? Twee zalen. Duizenden vragen. Mooie houten bakken zijn
ervoor gemaakt, waar elke keer honderd vragen in lagen.
HVC: Die vragen heb jij zelf ook
geschilderd. Waarom stond je daar zo op? Want je zou het je gemakkelijker
kunnen maken en gewoon zuiver bij het concept blijven …


LG: Nee, ik heb elke vraag met de hand willen schilderen, want je ziet
hoe precies dat was. Heel moeilijk zo waterverf op papier en dan zo strak
terwijl je schildert, de vraag heel erg geconcentreerd te stellen.
HVC: Omdat je iets hebt: het
is te gemakkelijk om iemand de zinnen op een pc te laten intikken en uit te
printen. Jij wilde met die vragen ook een eigen vraag stellen?


LG: Ja, dat is het.
HVC: Het blijft ‘moeilijke
kunst’. Het is goed dat je het goed onderbouwt en chronologisch verteld: alles
volgt uit het vorige, maar toch …


LG: En dan komen we bij een werk wat ook in het S.M.A.K. was, en wat
het S.M.A.K. nu ook in z’n collectie heeft: The
Remembering Department






HVC: Dat zijn die rekken met
stof …


LG: Ja, dat is ook nog een mooi verhaal. Het werk is getoond in het
S.M.A.K., samen met The Final Remains
en The Good Care Department – daar
kom ik straks op terug. Op een gegeven moment kom ik tot het idee. Je denkt
vaak: “Wat is het nou precies wat je doet en wat je nalaat en waarom maak je
werk? Wat wil je ermee vertellen en kan je er iets mee veranderen?” Dat kwam
ook door al die vragen van de The Questioning Department. Dat is een
ingewikkeld filosofisch werk eigenlijk. Je stelt vragen en je krijgt antwoord
en deels niet. Ik dacht: “Het allerbelangrijkste wat ik nu nalaat is een
overblijfsel van simpel… stof.” Dat zijn mijn dieren, mijn vrouw en ik. Ik heb
toen m’n vrouw gevraagd om voortaan de stofzuigerzak niet meer weg te gooien.
Alles wat we opvegen gaat niet meer weg, dat wil ik hebben. Dat wordt
gefilterd, en dat stof houden we, dat verzamel ik. Dat is voor mij het enige
belangrijke wat ik nalaat. Normaal gooi je het weg. Het is eigenlijk het enige
wat echt van ons is, dus dat gooi ik niet meer weg.
HVC: Dat stof is toch ook
eigenlijk ook een beetje het negatief van ons hé? Want het is normaal iets wat
weg is.


LG: Ik ben dat gaan verzamelen en ik heb daar voor het eerst een
tentoonstelling gemaakt hier in Breda in het museum De Beyerd. Ik had daar een
grote solotentoonstelling en hier zie je al de eerste versie van dit werk. Ik
heb alles wat ik had in m’n atelier aan materiaal op schappen laten zetten. Ik
heb de deur dichtgemaakt, ik heb met een compressor daar stof in laten blazen,
daarna alles weer keurig weggehaald en dan alle attributen er weer af zodat je
een nadruk hebt. Dat was in 2000.
HVC: Welke attributen waren
dat weer?


LG: Alles van het atelier. Oude kwasten, bakjes, linealen, potten, alle
attributen van m’n departments ook, dus alles wat ik aan materiaal als
kunstenaar gebruikte is op die schappen gezet, stof eroverheen geblazen, toen
alles weggehaald zodat je nabeelden krijgt.



HVC: Als een soort negatief,
toch?


LG: Ja. Jan Hoet vond dit prachtig werk en wilde dat toen al aankopen.
Dus zie je wel, stof is toch wel heel belangrijk (lacht). Hij heeft het nooit
gekocht omdat hij toen bij het S.M.A.K. weg is gegaan. Het is er niet meer van
gekomen. Ik heb ditzelfde werk drie keer getoond: een keer in Knokke en voor de
derde keer in twee kleine zalen in het S.M.A.K. in 2010. Er was al afgesproken
dat Philippe van Cauteren een werk zou kiezen van de drie werken – The Good
Care Department, The Final Remains of The Remembering Department. Iedereen dacht
dat hij The Final Remains zou kiezen omdat dat makkelijk toonbaar is, maar hij
koos tot mijn grote verrassing, maar ook mijn grote vreugde, dit werk. Het is
opgeslagen in kratten. Alle attributen staan in kratten. En het hout voor het
bouwen van het magazijn heeft hij natuurlijk allemaal nog en het stof dat lever
ik nog steeds. Het is nu een aantal keer getoond, onder andere ook in
MARTAHerford.
Dit is ook wel van belang (toont
boek, red
): dat was een tentoonstelling in Rome, samen met m’n collega Rob Moonen.
We kregen een gigantische ruimte ter beschikking. Opera Paese in Rome. We
hebben toen ook gezamenlijke werken gemaakt. Ik heb onderandere The More Department gemaakt. De
tentoonstelling ging over macht, de empirische macht eigenlijk. Dit werk zijn groene
boeken waar niets in staat behalve het woord ‘more……’ en in de ruimte hoor
je auditief twaalfduizend eigenschappen over de macht die wordt uitgesproken.
Een auteur heeft in drie dagen in een keer alles opgenomen. Kapot was hij
daarna…
HVC: Dat zal wel …

LG: En in die boeken stond alleen maar ‘More’ puntje puntje puntje. Dit
is ook een belangrijk werk geweest. Veel getoond in veel verschillende musea.
En dan komen we bij The Good Care
Department
, dat is ook wat jij gezien hebt in het S.M.A.K. We werden gevraagd
in Rome om een tentoonstelling te maken over macht. Dat is een groot werk, een
grote wand met aluminium panelen met teksten erop en die werden verbonden met
pijlen. Ik was in Rome in die tijd, en dan spreken we van 2001, en Berlusconi
wilde worden herkozen en hij gebruikte een zin als slogan: ‘Hij die goed voor
zichzelf zorgt, zorgt ook goed voor degene die voor hem kiest.
(Who takes good care of himself,
takes good care of those who choose him).’
Ik heb
filosofie gestudeerd, dus ik dacht: “Dit kan niet. Dit kan Berlusconi nooit
zelf verzonnen hebben.”
Dus ik zoeken en ik kon het niet snel vinden. Ik was toen nog niet zo
goed op de computer. Ik heb een hoogleraar gebeld en ik vroeg: “Wat is dit?” en
die zei: “Ik weet het al Loek, het is de filosoof Paul Ricoeur. Hij heeft het
boek Soi-même comme un autre? geschreven.
Goeie filosoof.” Ik ben hem gaan bestuderen en ik heb toen als reactie op
Berlusconi alle definities opgeschreven van diegenen waar hij goed voor moet
gaan zorgen omdat ze voor hem kiezen. Alle eigenschappen: alle goeie
eigenschappen, maar ook alle slechte eigenschappen. En dan kom je wat tegen hè.
Daar is ook het boek Visioen van de
Overkant
uit ontstaan.




HVC: Oké, ik ben benieuwd!

LG: Ja, dit zijn alle eigenschappen die ik kon vinden van de mens.
Alles. Meer kan er niet bij. Ik heb er niet meer kunnen vinden dan deze. Het is
begonnen in Rome en ik kwam thuis en daarna kon ik niets anders doen dan al die
eigenschappen opschrijven.
Het werk is veel tentoongesteld. Nu is er weer vraag naar dit werk voor
een tentoonstelling in Brugge. In 2015 wordt het daar getoond. Dit werk kreeg
enorme aandacht in de Italiaanse pers. La Republica heeft er onder andere over
geschreven en hier was Berlusconi niet blij mee, want hij werd ontzettend voor
gek gezet door een Nederlander. En dat is natuurlijk prachtig dat je op die
manier met je kunst toch dingen kan aanpakken.
Sprekend met Philippe Van Cauteren over een tentoonstelling: hij wilde
drie hoofdwerken hebben uit die stichting of net ervoor, dus hij heeft The Final Remains gekozen, waar je dus
zowel het eind van de schilderkunst hebt als hetgeen wat ervoor zit. Want het
is de schilderkunst hé, het is het eind ervan met een eventuele nieuwe wending.
Nou die tentoonstelling heb je gezien. Ik vond dat een groot succes. Koen van
den Broek trok veel bezoek en daardoor ik ook. We hadden gezamenlijk bijna
40.000 bezoekers. En zo is een fijn contact ontstaan met het S.M.A.K.. Frank
Maes is eigenlijk de aanstichter hiervan geweest. Hij was toen conservator,
onder andere onder Jan Hoet. Het werk The Good Care Department is ook door Jan
Hoet tentoongesteld in Watou. Het is ook een keertje in Aalst tentoongesteld,
gecureerd door Jan De Nys. In Situ
was mijn galerie in Aalst, die bestaat nu niet meer.
In het S.M.A.K. was het echt fabuleus mooi. Daar waren de letters van
de hoofdtekst bijna twee meter hoog. Een grote zaal, er werd een mooie bank
voor gemaakt, indrukwekkend! (Toont in
het boek, red
)
Hier heb je het manuscript van het boek Visioen van de Overkant, hoe het er in het begin uitziet en hoe het
dan verandert, en hier is het boek zelf. Het boek is opgedragen aan mijn drie
grote helden, Spinoza, Georges Perec en Pasolini; die zitten zogenaamd in mijn
vroegere bibliotheek.
HVC: The Leaving Traces Department was een
performance voor Jan Hoet in het S.M.A.K.


LG: Hij wilde dat ik sporen van mezelf in het S.M.A.K. achterliet. Het
was in een kleine zaal waar later o.a The Remembering
Department
is getoond. Ik ben met een ontzettend grote vaart met mijn hoofd
tegen de wand aan geknald. Hier zie je de wond en daar zie je dan het bloed.
Het S.M.A.K. heeft echt een spoor van mij. Dat vond Jan Hoet mooi. Daar kan ik
verhalen over vertellen, maar dat ga ik niet doen, dat maakt het allemaal veel
te ingewikkeld.
HVC: Dat is het nu ook al.
😉
Eigenlijk wil je gewoon –
zoals elke kunstenaar – dat je werk rondreist en gezien wordt.


LG: Ja. Dit is The
Chastening and Yearn Department
.
Dat was een opdracht
om een monument te maken in Amsterdam, een monument voor loutering en smacht: het
publiek kon een herinnering in het monument achterlaten dat altijd goed bewaakt
zou worden. 





HVC: Je moet dat doel voor
ogen hebben, anders word je toch gek?


LG: Precies. (gaat ongestoord verder, red) Nou, toen kwam ik in contact
met Chris Dercon (directeur van Tate Modern, Londen, red) in Munchen. Ik had daar
een tentoonstelling en hij wilde dat graag openen. Dat is een goed, fijn
contact geworden en gebleven.
HVC: In Gent heb je ook nog The Recovering the Origin Department
gemaakt.


LG: Ja, in samenwerking met de Witte Zaal. Frank Maes was curator .
Het was een oud magazijn uit 1884 en ik dacht: “Daar zitten ook nog
sporen in de grond, dat kan niet anders.” Dus heeft een broer van Frank Maes er
een stuk beton uit de vloer gehaald. Daar heb ik dan een kwekerij op gebouwd.
Ik heb lampen gekocht waaronder ze hennep kweken en heb er een complete
hennepkwekerij geïnstalleerd. Ik heb de grond opnieuw bewaterd, ik heb deze
bemest met steriele mest voor zover dat kan. De zaden die er al van 1884 in
zaten, zijn op een gegeven moment gaan bloeien.
HVC: Maar dat is dan toch
iets waar je 24 op 24 mee bezig bent?


LG: Nog een werk dat ik had gemaakt, was eigenlijk mijn eerste
kennismaking met Philippe Van Cauteren. Hij vroeg me om mee te doen aan zijn
project [kick!]. Dat was om een box te maken, een doos ontworpen door Wim
Kuyvers. waarin speciaal geconcipieerde multipels van 28 internationale
kunstenaars werden samengebracht die dan ter beschikking werden gesteld aan
kankerpatiënten in het Maria Middelaresziekenhuis in Gent. De zieke mensen
konden zo’n doos meenemen en er een werk uitpikken. En ik heb 75 werken voor
deze doos gemaakt: twee plaatjes van MDF met een gat erin en daarin een grote
petrischaal, daaronder een zakdoek en een touwtje eromheen zodat ze hun tranen
konden opvangen. In het hout is tekst gebrand.
Ik heb in het hout verschillende teksten laten branden en die teksten
komen voort uit informatie die ik las in de krant.
HVC: Artikels over kanker?

LG: Nee, op een gegeven moment leek het wel of het allemaal over kanker
ging. Mijn vader en schoonvader zijn min of meer aan kanker overleden, en nog
een aantal mensen uit mijn omgeving, maar ik heb de zinnen die ik de krant las
compleet uit de context gehaald. Een voorbeeld, ‘Elke deur biedt een
mogelijkheid’. Dat ging misschien over een renovatie van iets, maar dat biedt
misschien wel een kans voor iemand. Ook: ‘Het meemaken is een keer te veel.’
‘Erin blijven geloven is een halszaak.’ Terwijl mijn vader in feite is
doodgegaan aan stembandkanker. Dus dat heb ik voor hem gemaakt. 

HVC: Over de Sub -departments
Dat zijn grote foto’s met teksten: dat zijn de sub-departments. Nou, zo
zie je dat de hele foundation behoorlijk uit de klauwen is gelopen. Het loopt
nog. Ik kan nog zo’n boek maken van de dingen die erna komen. Het is begonnen
met de Sugar Mountain Travel, daarna heb ik de Foundation opgericht in London,
in 1998, ben ik president geworden. Ik ben chairman, ik had een board of
control, ik had veel medewerkers, ik had een administration. Ik had op een
gegeven moment zes kantoren met vele departementen.






HVC: Amai. Hoe hou/hield je
dat allemaal bij?


LG: Ja, dat is echt ongelofelijk. We zaten vooral in Nederland en
België. Maar zoals je ziet zijn er ook departementen geweest in Spanje, Griekenland,
Italië, Rome, Polen en Duitsland.
HVC: Maar ben je ermee
gestopt of niet? Loopt dit eigenlijk nog door?


LG: Dit loopt nog door, maar – en dan – komen we aan een heel ander
verhaal.
HVC: Oh neen! (denkt aan haar
uren typwerk, red
)
Hoe hou jij dat trouwens allemaal
vol? Want je hebt geen assistent. Of wel?


LG: Nee, niet meer.
Kijk, dan gaan we naar het volgende, en dat is het laatste gedeelte, zo
snel kan het gaan, hé.
HVC: (fronst)

LG: Gaandeweg werd het toch wat. Ik voelde dat het een bepaalde kant
opging met die foundation. Zoals je ziet zit daar toch ook wel heel veel vraag
van anderen bij, van commissies, om werken te maken in opdracht. Er zijn
natuurlijk een aantal zaken waarbij je compromissen moet sluiten.




HVC: Het samenwerken met
anderen, kan inderdaad heel vermoeiend zijn. Niet live, maar vooral achter de
pc kan ik er groen van worden. 😉


LG: (Gaat door) Ik kocht altijd wijn bij een Duitse wijnboer. Zijn wijn
was gebotteld in mooie flessen. Ik dacht: “Die gooi ik niet weg!”. Waarom zou
ik ze weggooien? Mijn atelier is groot genoeg. Ik ben daarom die flessen gaan
bewaren, waardoor er op een gegeven moment honderden van die flessen stonden.
We zitten hier een keertje met vrienden te eten en zoals je ziet, hebben we hier
geen afwasmachine. Dat klinkt raar, maar zo simpel is het soms gewoon. Bij de
afwas van die avond trekt mijn vrouw de stop van de gootsteen eruit en ik zeg:
“Stop!” Letterlijk “Niet doen! Ik ga het opslaan.” Ik pak een trechter en een
pot en gooi een liter water in de fles en een halve liter in een grote
petrischaal en ik ben gaan schrijven. En de vloeistof in de petrischaal
verdampt zodat je sediment krijgt en ik ben gaan schrijven over die avond: met
wie ik was, wat we aten, wat we deden, wat we bespraken, welke muziek we
luisterden en toen was het hek van de dam. Van president, heb ik me
gedegradeerd tot magazijnmeester, ‘storekeeper’, en ik dacht: “Dat moet The Storage for Distorted Matter worden.”
Het materiaal wat op een andere manier een betekenis krijgt.
Dat is in 2008 begonnen en is weer behoorlijk groot aan het worden. Ik
verzamel nu alles, dus ook de meesterwerken die niet meer gemaakt kunnen worden
in de 21ste eeuw: ik heb stof van Pasolini, ik heb het graf van
Joseph Brodsky schoongemaakt in Venetië, ik heb de aarde van Van Gogh gevonden
in Saint-Remy-de-Provence met pigmenten erin en ga zo maar door. Ik heb de
omhelsing van de weduwe van Broodthaers, Maria Gillissen, opgeslagen met een
verhaal erbij, enz.
Ik ben vuurtorenwachter geweest, mocht het water zoeken van de
drenkelingen van Vlieland. Dat water verzamel ik en ik schrijf daarover.
Ik maak ook schetsen voor de opslag, dat zijn aquarellen.  Dus ik ben nu magazijnmeester en de zaak Van
Gogh is een heel groot verhaal hierin, ik ben nu zelfs een asiel voor Van Gogh
aan het bouwen.



  


HVC: Een asiel?

LG: Er is een artists in residence in Zundert, waar Van Gogh is geboren.
Ik was daar twee maanden. Je hebt onze lieve hond gezien en het enige wat die
heel graag doet, is meters diep graven.. Ik vroeg aan de leiding: “Mag mijn
hond wel in die tuin graven?” “Jaja, we gooien het wel dicht als je weg bent.”
Op een gegeven moment vond de hond op anderhalve meter diep allemaal peren, dus
ik belde gelijk een archeoloog en die zei: “Ja, dat moeten peren zijn uit de
tijd dat Vincent daar leefde.” Ongelofelijk! Als je die peren twee dagen laat
staan, dan zijn ze weg, want daar komt zuurstof bij. De archeoloog adviseerde
me: “Het enige wat je kan doen als je ze werkelijk wilt bewaren, is ze in een
blok gips gieten, dan blijven ze bestaan. Want het gips haalt de lucht er weer
uit en die trekt het min of meer vacuüm. Je kan ze ook vacuüm trekken, maar dat
blijft maar eventjes goed. Als je ze in het gips giet, blijven die peren voor
eeuwig bestaan.” Maar goed, je kan wel zo’n blok gips tentoonstellen en dan zeg
je: ”Ja, dat is een blok gips en daar zitten peren in!” Ja, dat moet je
geloven. Maar een kunstenaar moet je nooit geloven.
Ik heb dan weer mensen benaderd, dit keer een bestralingsarts in een
ziekenhuis. Ik vroeg:” Zou ik aan het einde van de dag eens jullie machines
mogen gebruiken?” Ze vond het fantastisch. (toont
boek, red
) Kijk hier wordt het blok gips doorgelicht. Deze procedure  is normaal voor kankerpatiënten die gescreend
of bestraald moeten worden. Hier zie je de uitkomst, daarna is er weer een werk
van gemaakt.




HVC: En dan hang je die
documentatie bij de
expo.

LG: Ik zal het laten zien. Kijk: allemaal gesigneerd, altijd. En er
komt meestal een verhaal bij. Dit is object nummer 6 uit de Storage. Ik heb
objecten en archieven en hier staat dus wanneer het is gebeurd, waar het is:’
tuin van het voormalig klooster in Zundert’, de coördinaten, de Vincent Van
Goghstraat 7 en wie er soms bij zijn.
Ik ben hier de employee en de beschrijving is: ‘De hond van de magazijnmeester graaft graag. Ze graaft de hele dag als
ze daar de kans toe krijgt. In de artists in residence van Vincent Van Gogh
doet ze dat van ’s ochtends tot ’s avonds: kuilen van meer dan een meter diep.
Ze graaft onder een perenboom die achter het huis staat. Hoogstwaarschijnlijk
een zaailing van de perenboom die in Vincent Van Gogh’s moestuin stond. Ze
graaft een aantal gemummificeerde peren op. De magazijnmeester is verrukt. Hij
wil deze peren een plaats geven in het door hem voorziene voor Vincent Van Gogh
te bouwen Asylum. Om ze goed te conserveren giet hij ze in een blok gips. Het
blok gips wordt na het drogen naar een laboratorium gebracht om daar te worden
doorgelicht. Op de röntgenfoto’s zijn de peren goed zichtbaar. Een nietszeggend
blok gips als drager van een scha
t.’
HVC: Amai.
Iemand die naar jouw expo
komt en jouw voorgeschiedenis niet kent, kan maar soms in het verhaal komen,
maar meestal niet, vermoed ik.


LG: Nee, dat denk ik niet. Dit is bijna helemaal op zichzelf
begrijpbaar.
HVC: Ik las: ‘Hij slaat het
leven op, maar confronteert ons ook met onmogelijkheid daarvan.’ Wat jij doet
is eigenlijk een soort archiveren van wat jou als kunstenaar raakt?


LG: Een hoopvol falen kan je het noemen, maar je moet het toch trachten
te ondervragen, omdat het over onze nietigheid gaat. We proberen wel iets heftigs
te doen met die kunst. Dat doe ik ook nog steeds, want de nietigheid laten zien
is ook verheffend. Het is een soort nederigheid. We zijn wat we zijn, als we
dat nu met z’n allen zouden beseffen, zou het misschien op een andere manier
gaan. Maar goed, dat weet ik ook niet precies. Maar het is wel zo dat het besef
daarvan belangrijk is en daardoor is die opslag voor het verdraaide materiaal –
het materiaal met een andere betekenis – belangrijk.
Op een gegeven moment kwam ik erachter dat bepaalde meesterwerken
gewoon niet meer gemaakt kunnen worden en dat is niet doordat ik niet meer kan
schilderen. Het is ook dat ik in de schilderkunst allerlei dingen zie die ik
helemaal niet meer interessant vind, omdat het allemaal retro is. Je weet dat
mijn gelukzaligheid in de kunst voortkwam uit de modernisten en alles erna, die
echt stap voor stap de schok van het nieuwe voor ogen hadden. Elke keer was het
trappen op het voorgaande en het propageren van iets nieuws. Dat is nu niet
meer. We kunnen alles doen, we kunnen alles pakken, we kunnen alles nemen. Kijk
maar naar de schilders die nu heel succesvol zijn: ze pikken van die, ze pakken
van dat… Internet: iedereen steelt en raaft als een gek. Er is geen enkele
stroming meer.
Met het meesterwerk an sich is het gedaan, behalve als het uitgeroepen
wordt door bepaalde mensen dat het een meesterwerk is. En dan ligt het niet
meer bij de kunstenaar, dan ligt het bij de omgeving. De museumdirecteur, de
verzamelaars – want eenmaal verzameld altijd verzameld, zeg ik. Ze gaan geen
werk van je kopen als ze er maar één van hebben. Dat werk moet zijn prijs
blijven houden. Ze vragen er meer, dat is belangrijk. Ze willen dat er tentoonstellingen
komen. Maar dat is niet intrinsiek aan dat meesterwerk, dat zit dat daar niet
in.
Dat meesterwerk van Van Gogh werd gewoon gemaakt als zijnde een werk
wat hij moest maken en hij was het er zelf niet over eens dat het een
meesterwerk was, maar hij had toch wel in de gaten dat hij ergens compromisloos
naartoe moest werken en dat is belangrijk. En nu worden die meesterwerken
gecreëerd, niet meer door de kunstenaar zelf – 
door z’n intentie – maar door de omgeving. Daarom zei ik van: “Wat mij
betreft, worden ze niet meer gemaakt.” Dat voel ik en daarom die opslag voor
dat verdraaide materiaal. Dat kan dus alles zijn, dus ook die meesterwerken die
niet meer gemaakt kunnen worden, tributes aan grote kunstenaars. Ik heb daar
Pasolini genoemd, ik heb Spinoza genoemd, ik heb Van Gogh genoemd… Ook Piet
Mondriaan, daar kom ik straks op terug, waar ik een groot onderzoek naar gedaan
heb.
En zo nu ben ik met de dust archives bezig, de stofarchieven …
HVC: Oh my God… (lacht)

LG: Dingen zijn bij mij van belang, ik ben er nu een aantal aan het
ontwikkelen. In eerste instantie lijkt het helemaal niets, maar als je ze
straks in optima forma ziet, zijn het echt prachtige werken. Ik wil niet zeggen
meesterwerken, want dat kan ik niet meer zeggen, maar het zijn wel goede, met
het hele simpele materiaal.
Je weet, ik ben kunstenaar geworden door Piet Mondriaan. Ik ben daarna
heel obsessief met zijn werk bezig geweest. Ik woon nu hier in deze omgeving,
in de buurt van Domburg. Ik woon niet echt in Domburg, maar vlak daarbij.
Domburg, is in Zeeland, een van de beroemdste plaatsen van de schilderkunst in
Nederland. Er zijn maar drie plaatsen in de wereld waar het licht zo fabuleus
is als daar. Dat komt omdat je er de Ooster- en de Westerschelde hebt, en dat
zijn enorme zware stromingen. Die gaan er tegelijkertijd uit en in, dat zijn
enorme krachten, dan heb je het nauw van Calais, stuwt in noordelijke richting
en de Noordzee, stuwt in zuidelijke richting. Die krachten zorgen ervoor dat er
een eiland is ontstaan, zoals Walcheren, waar ik ook woon.
In Westkapelle komen al die stromingen samen en daar is enorm veel
werveling. Dat is het belangrijke voor het licht. Die werveling zorgt ervoor
dat het zout in de zee daar de lucht in komt. Het verdampt niet, maar door de
werveling en de stuiving komen die zoutkristallen de lucht in. En wat doen die
zoutkristallen? Die filteren het licht, de zon schijnt erop en je krijgt
fábuleus licht.
HVC: Ah, da’s een mooi
verhaal …


LG: Ja, het is nog niet klaar. (lacht) Ik kom erachter, dit is
onderzoek. Ik verzamel voor de Storage die vloeistoffen. We zijn in Nice, ik
ben bij het geboortehuis van Yves Klein geweest, ik heb aangebeld, ik heb de
gang mogen dweilen, dus ergens zit er nog een DNA-spoortje van Yves Klein in. In
Rue Verdi ligt een heel klein stukje van Opera Beach af. Op Opera Beach lag
Yves Klein op de grond, met zijn rug op de bodem, naast hem zijn vriendin en
daarnaast zijn vriend Armand. Armand krijgt de wereld, zijn vriendin even
niets, geloof ik, ik weet het niet meer precies. Hij zegt: “Het universum is
van mij.” En hij wijst naar boven en hij wijst naar de blauwe lucht. Vliegen er
nog een paar vogels door. Hij zegt: “Dood aan de vogels!” Want die segmenteren
zijn ruimte en hij begint aan zijn International Klein Blue. Ik heb me heel
lang afgevraagd, Hilde, als ik dat idee had gehad – stel je voor dat we simultaan
het idee hadden gehad – en ik had in Zeeland op de grond gelegen, dan was mijn
Internationaal Grootjans Blue heel zacht blauw geweest, niet dat hele diepe
blauw van
lapis lazuli.
Dus ik dacht: “Hoe komt dat?” Daarom ga ik naar Nice toe. We liggen
daar naar het water te kijken… “Het is inderdaad diepblauw hé”, zeg ik tegen
m’n vrouw. Dus ik denk: “Hoe komt dat?” Ik neem anderhalf liter water uit de
zee en neem dat mee naar huis. Ik heb een procedé voor verdamping. Dat is
wetenschappelijk, dat gebeurt altijd op dezelfde manier.  Een liter water in de fles en de
zoutkristallen van de Middellandse Zee verdampen tot werkelijk ongelofelijk
zuivere kristalletjes. Anderhalf bij anderhalve millimeter blokjes.
HVC: Amai …

LG: Amai, ja. Dus ik ga naar een weerkundige van het KNMI, en die zegt:
“Ja, er is geen interferentie.” De zon die schijnt daar wel op, maar die
weerkaatst amper, vandaar dat je naar het blauw van het uitspansel kijkt.” Dus
ik dacht: ”He, wacht eens even, nu heb ik het!”
Ik ben daarom elke week een jaar lang op zondag naar Domburg gereden.
Ik ben daar elke week op bijna dezelfde plaats, op de kijkrichting waar
Mondriaan zijn schilderijen heeft gemaakt, de zee ingelopen. Daar haalde ik het
water uit de zee, praktisch op dezelfde plaats; ik neem anderhalf liter mee, ik
schrijf de coördinaten zuiver op; ik meet de windrichting, die schrijf ik op,
hoog en laag water schrijf ik op, enz.
Een liter gaat in de fles om eventueel ooit nog te kunnen gebruiken
voor determinatie en een halve liter water gaat in de petrischaal wat op
eenzelfde manier verdampt. Ik ben in maart 2012 begonnen en in maart blijken al
die kristallen klein. Allemaal klein, klein tot augustus. Dan beginnen ze te
groeien en dat komt omdat de zeetemperatuur hoger wordt, die zoutkristallen
groeien en in september ontploffen ze, zijn ze zó groot.
HVC: Amai!

LG: En wat is er nou mooi, Hilde? In 1908 komt Piet Mondriaan – heb ik
een lang onderzoek naar gedaan – voor het eerst in september naar Domburg. Hij
is in de war en als je naar de zee gaat, wat doe je dan als je een dijk of duin
opkomt? Dan kijkt je niet naar het land, dan kijk je naar de zee. Dat doet
Mondriaan dus ook.
HVC: Ah ja, natuurlijk …

LG: Hij ziet op de middag – ja ik weet precies hoe laat – dat fabuleuze
licht voor het eerst en dan weet hij niet wat hij ziet en dat beïnvloedt hem zo
dat z’n oeuvre acuut verandert. Acuut.
Ik heb die zoutkristallen van september, die zijn vele malen groter, en
vele malen groter betekent dat het licht ook het meest intens is. De zaak Piet
Mondriaan is geboren.
De tentoonstelling die ik erover gemaakt heb in Middelburg was in de
Kabinetten van de Vleeshal.
Hier in het boek zie je alle data van wat ik heb gedaan. Je ziet het
nummer van de Storage, je ziet de datum, je ziet de tijd, je ziet de
coördinaten, je ziet de watertemperatuur. Dan zie je hier de installatie zelf,
zie je prachtige tafels met 52 flessen en de petrischalen met de zoutkristallen
en hier alle certificaten.

HVC: (blijft braaf en sprakeloos knikken)

LG: Hier heb je de zeekaarten. Hier zie je de Westerschelde. Hier heb
je de Oosterschelde en hier het Nauw van Calais en de Noordzee en zo heb ik de
tentoonstelling over de zaak Piet Mondriaan tot stand gebracht.
Dit heeft in Nederland veel betekend. Er is veel over te doen, nog
steeds. Het is semiwetenschappelijk, met een grote intentie. Ik hou van Mondriaan.
Ik vraag me telkens af: “Waarom is er een bepaalde ontwikkeling in iemands werk.
Hoe komt dat?” Er zijn natuurlijk een aantal factoren en één van die factoren
is het licht. Hoe komt het dat dat licht zo intens is daar. Nou, dan ga ik een
jaar op onderzoek…Dat zijn dus allemaal ingrediënten om uiteindelijk een nieuw
kunstwerk te maken.

HVC: Het lijkt toch een
beetje ook een Kuifjes-onderzoek …


LG: Ja, precies. Dit is grondstof voor het maken van nieuw werk, hé.
HVC: Sommigen – zeker Jan
Modaal – gaan waarschijnlijk zeggen: “Is dat dan nog kunst?”.


LG: Dat hoor ik vaak, maar dan zeg ik altijd: “Ga er maar vanuit – en
dan haal ik Beuys aan – dat als ik zeg dat het kunst is, dat het dan ook is. En
als u vindt dat het niet is, kom dan met argumenten, want ik kan u dagen
bestoken met tegenargumenten waar ik van kan zeggen dat het kunst is.”
En dan is het nog wel ingewikkeld, want dan vraag ik: “Weet u wat kunst
is?” “Ja, voor een deel weet ik dat omdat ik er vijfendertig jaar mee bezig
ben”. Dan hoor je: “Is het wetenschap? Of is het kunst?” Ja, het zal me aan m’n
reet roesten, dat interesseert me niet. Als ík maar vind dat het iets betekent.
Dat is het belangrijke: dat je niet als kunstenaar er vanuit gaat dat het per
se kunst moet zijn, dat je dingen moet doen die je moet doen. En daarna giet je
het in een vorm, dat het op een of andere manier toonbaar wordt. Want de
kunstenaars die speciaal kunst om de kunst maken, en dat zie ik tegenwoordig
heel veel en daar heb ik helemaal geen boodschap aan. Veel kunst op dit moment
boeit me niet.
HVC: Het is niet de bedoeling
dat de kijker iets bijleert, vermoed ik, maar voor jou is het fijnste van je
praktijk, dan ook het op pad gaan, het zoeken en verrast worden, vermoed ik? Of
is het net wanneer je in je atelier zit, dat je openbloeit?


LG: Daar zit geen onderscheid in voor mij.  Het leven en de kunst, dat is bij mij één.
Dat moet één zijn. Het is niet dat ik zeg: “Ik begin. Ik ben van negen tot vijf
kunstenaar en daarna ga ik iets anders doen. Nee. Heel mijn leven draait om
datgene wat ik doe.
HVC: En je vrouw helpt je
daarbij?


LG: Nou, die volgt dat. Nee, zij helpt niet echt veel.
Maar dat gaat heel goed samen. Dat vind ik ook fijn. Zij houdt het wel
goed in de gaten, maar ze bemoeit zich er nooit mee. Ze zegt wel: “Nu wéér
dit.” Of: “Oh god, nu al dat stof en al die flessen straks.” Maar als ze dat
dan in een expo ziet, en als het er goed uit ziet, dan zegt ze: “Goh, hij heeft
toch eigenlijk weeral gelijk.”
HVC: Wie is jouw eerste
barometer? Als je met een nieuw idee komt, praat je er met mensen over?


LG: Nou, niet veel. Bijna alleen met mijn vrouw.
Het is zo ingewikkeld niet meer. En dat bedoel ik niet arrogant. Kijk,
als ik iets over Van Gogh vertel op een bepaalde manier en ik ga op onderzoek
uit, dan moet er nog een behoorlijk iemand zijn die zegt dat dat niets is. Ik
doe niet zomaar een flauwekuldingetje. Ik ga dagenlang, maanden naar Arles. Ik
zoek daar alles uit. Ik zoek de grond waarop Van Gogh schilderde. Ik ga niet
uit van de wetenschap die er al is, want die vertrouw meestal ik niet. Zo heb
ik ook de pigmenten van Van Gogh gevonden. Er staan daar borden in St. Remy de
Provence, en daar staat o.a. op: ‘Hier schilderde Van Gogh zijn Olijfgaard’. En
dan kijk ik dagen naar dat schilderij en dagen naar de plek, en ik zeg tegen
mijn vrouw: “Dat heeft hij hier helemaal niet geschilderd. Dat kan helemaal
niet. Ze maken een grote fout. Hij heeft het hiér gedaan! Kijk maar eens goed.”
En daar ging het me nu precies om: waarneming. Daar ging ook de ruzie met
Gauguin over: Van Gogh kon niet uit z’n hoofd schilderen. Daar kreeg hij ruzie
over met Gauguin. Gauguin was de conceptualist: “Je moet uit je hoofd
schilderen.” Ja, daardoor ging het oor van Vincent eraf. Van Gogh werd compleet
gek van Gauguin’s opmerking: “Hoe kan je dan in de winter zonnebloemen
schilderen?! Dan zijn ze er niet.”
Met die kennis ga ik daar naartoe. De olijfgaard is veranderd. Maar die
rotsen niet. Dat duurt miljoenen jaren. Dus ik kijk. En Van Gogh die kon ook
niet goed om met het perspectief, dus hij schilderde precies wat-ie zag. Dus ik
merk op; “Nou, dat bord staat hier, maar het is dààr. Hier heeft-ie gestaan.”
Dus ik pak een schop uit de auto, ik graaf grond op en ik neem het mee naar
huis en ik stuur het naar een forensisch laboratorium. Zij onderzoeken dat en
constateren: “Lijnolie en pigmenten, uit die en die tijd.” Met koolstofdetectie
kunnen ze dat bepalen.

HVC: Ik merkte dat toen jij
te gast was in De wereld draait door,
ze een beetje argwanend waren. Toen jij de presentator Matthijs vertelde over
die fles van Van Gogh, had hij zoiets van: “Hmm. Is het wel…?” Hij stond er
heel sceptisch over.

Wij in de kunst zijn
natuurlijk al iets gewoon, maar de rest van de mensheid is daarom niet altijd
mee …


LG: Dat is niet erg. Ik wil graag dat mijn werk wordt getoond, maar
heel de wereld hoeft het niet goed te vinden. Dat interesseert me niet. Ik ben
natuurlijk heel blij dat een tentoonstelling in De Pont of in het S.M.A.K. of
in Museum Bommel Van Dam goed loopt, dat doet me goed.
Je hebt mijn tentoonstelling in Amsterdam in C&H Art Space gezien,
het is daarom dat we hier zitten. Daar zag je ook
de-meesterwerken-die-niet-meer-gemaakt-konden-worden: De Atlas bijvoorbeeld en
de Encyclopedie. We hebben nu geen encyclopedie meer nodig. Dat is mooi, die
encyclopedie. Dat is een nalatenschap van mijn schoonouders en ze hadden
slechts veertien boeken en dat was de encyclopedie. En daar werd amper in gekeken.
(lacht) Ze hadden de kennis ook helemaal niet nodig. Dus ik dacht: “Ja, ik
verpulver het maar.”




HVC: Hoe kies je je galeries?
Het is waarschijnlijk een kwestie van vraag en aanbod?


Ik heb jarenlang met veel plezier met Jan De Nys gewerkt in galerie In
Situ in Aalst, die is er mee gestopt. Ik heb nog veel contact en hij doet nog
wat agentschap. Dat is een goede vriendschap geworden en gebleven.
Hij heeft hard gewerkt, maar hij is gepensioneerd. Hij was ook
conservator in het Stedelijk Museum in Aalst. Daardoor dat mijn sporen zijn
nagelaten zijn. Ook door de twee opdrachten die ik daar kreeg.
Je moet ook de filosofische kant van een buurt en van mensen leren
kennen. Dat kan ik wel. Ik leef me in in een bepaald systeem en dan denk je: “Wat
ga je dan voor hen maken?” Je krijgt veel input en op een gegeven moment maak
ik dan iets en blijkt dat helemaal te passen in wat zij vinden. Daarom heb ik
die opdracht gekregen. In Aalst werd dat het werk ieveranst, nieveranst: dat is ‘ergens, nergens’. Dat is van hen hé
en ik wou daaronder het woord ‘thuis’ hebben. Maar die mensen zeggen: ‘Neee! Absoluut
niet ‘thuis’’. Dat is een soap in België.’ Dat doen we niet, dat moet ‘Hier’
zijn.’
Vorig jaar is een groot monument opgericht op het Guldenboomplein, een
herinneringsmonument voor de buurt. Ik heb toen de buurt ondervraagd. Het is
een mooi pleintje, maar erg gesloten. Als je er bent, is het alsof er niemand
woont. Dus ik heb op een gegeven moment bij de mensen aan de deur aangebeld.
Dan komen de verhalen. Ik dacht: “Wat ik ga doen, is de verhalen optekenen.”
Ik kwam ooit een  mooie foto
tegen van Louis Paul Boon waar hij met een vrouw spreekt. Op die foto zie je
zijn grootheid en dan zie je de waardering voor die grootheid, van een beetje
een armoedige vrouw, tand uit de mond en ze kijkt zo echt naar Louis Paul Boon
op. Ik wilde die foto heel graag gebruiken voor mijn boek The Board of Control, maar ik kreeg die rechten niet. Die foto zag
ik in het Stedelijk Museum in Aalst.
Ik kom bij een vrouw, aan het Guldenboomplein, ik bel aan en zij zegt:
“Kom binnen.” Een oude vrouw met haar dochter, die was toch ook al in de
vijftig. Ik zie daar diezelfde foto hangen. Echt origineel. En ze zegt: “Ja dat
is mijn overgrootmoeder die met Boon praatte. Ik zeg: “Ah! Dat is een wonder.
Mag ik die foto hebben?” Ik mocht hem niet hebben, maar ik mocht
foto’s
maken en aan de buitenkant van het hun huis hangt nu een plaquette dat hier de
dochter heeft gewoond van de vrouw die met Louis Paul Boon op de foto staat.
Met een aantal huizen heb ik dat zo gedaan. Dat was een deel van mijn opdracht
in Aalst. 



HVC: Dat praten met mensen,
dat onderzoeken is toch je ding. Het zou je niet interesseren om ‘gewoon’ terug
naar je monochromen te gaan?



LG: Dat kan niet meer, nee. Nou die opslag, dat is natuurlijk ook een
beetje monochroom. Ik sla niet alles op natuurlijk, maar dat is ook weer veel
ambacht, en er moeten lijsten gemaakt worden en er moeten mooie dingen gemaakt
worden. Ik ben nu met een reconstructie van het werk van Brancusi bezig. Toch
wel weer atelierwerk eigenlijk.
HVC: Met welke kunstenaar zou
je je vergelijken?


LG: Dat mag ik niet zeggen, hé.
HVC: Voelt je je een zijbeentje
of een buitenbeentje?


LG: (stellig) Nee.
Ik doe ook mee bijvoorbeeld aan groepstentoonstellingen.
HVC: Is er in Nederland een
toffe collegialiteit tussen de kunstenaars?


LG: Jazeker. Maar in België is er ook wel collegialiteit of niet?
HVC: Nja, je hebt er van
soorten natuurlijk. (knipoogt)
Wat is het fijnste aan je
job? Mij lijkt het een neverending story?


LG: In feite ga ik altijd door. Als je geen rust hebt, dan hoef je niet
bang te zijn dat je geen rust hebt. Het is toch niet zo ingewikkeld? Nee, ik
ben er altijd mee bezig, maar dat is beter dan een beetje rondhangen en niet
weten wat je moet doen. Alles is mogelijk. Alles! Ja.
HVC: En dat loopt door tot
het einde der dagen?


LG: Ja, ik weet niet. Het is natuurlijk een enorme prachtige schatkamer.
Ik kan alles aan. Ik vind van alles.
HVC: Zijn je projecten je
inkomsten?


LG: Ja. De inkomsten… Dat is altijd heel ingewikkeld in de kunst. Dat
is bij mij zeker. Af en toe wordt er een werk gekocht.
HVC: Ik bedoel: het is geen
kant-en-klare hapklare kunst.


LG: Nee, de galeries, dat loopt moeizaam. Daar verwacht ik wel meer
van.
HVC: Die fles met het water
van Van Gogh, dat wil je waarschijnlijk niet verkopen zelfs?


LG: Ja, als het Van Gogh-museum het koopt, wel. Maar we zijn nu bezig
met een groot museum te bouwen, een eigen museum, een rondrijdend museum, waar
dat allemaal in komt.
HVC: Hoe zit met de
prijsbepaling?


LG: Dit pak wat hier hangt, is gemaakt van dekens die mijn ouders
hadden. Onder die dekens ben ik verwekt, ben ik geboren, heb ik zelf de liefde
bedreven en zo meer. Van die dekens ik heb een driedelig kostuum laten maken
door een couturier. Daar heb ik performances in gedaan. En dit is pas
aangekocht door het Zeeuws Museum. Ze hebben een mooie kledingcollectie en die
dekens die hebben een oorsprong. Mijn ouders waren Zeeuws en daarom is dit pak
aangekocht.
Er wordt natuurlijk wel werk verkocht. Het werk dat ik liet zien in die
vitrine is pas gekocht door het Museum Van Bommel Van Dam.
HVC: Maar voor een
verzamelaar …


LG: Ik word niet veel verzameld, nee.
HVC: Omdat jouw werk moeilijk
te verzamelen is?


LG: Alles is moeilijk te verzamelen.
HVC: Het is duur. Je moet het
daar natuurlijk ook maar leggen.


LG: Er is een enorme verschuiving in de verzamelaarswoede. Je ziet heel
veel schilderijen en sculpturen, gangbare werken toch wel. Vroeger, de tijd dat
ik begon, waren het veel verzamelaars die de conceptuele kunst verzamelden. Men
schaart mij een beetje tot die groep. Ik denk dat het niet meer heel ‘done’ is
om de conceptuele kunst te verzamelen. Ik weet het niet goed. Ik zit daar niet
helemaal in. Dat zou best eens kunnen. Dus ik vind dat wel tegenvallen, eerlijk
gezegd.
HVC: Jouw boek bijvoorbeeld,
zie je dat ook als een kunstwerk? De mensen moeten je bijna al kennen vooraleer
ze het gaan kopen waarschijnlijk. Je boeken zijn bijna ‘concept stores’?


LG: Er is niets fijner dan boeken maken. Maar ik maak ze ook niet voor
het grote publiek. Je maakt ze ten eerste – wat ik heel belangrijk vind – om
iets vast te leggen.
Kijk, het verhaal dat ik nu vertel, kan ik over twintig jaar
waarschijnlijk niet meer vertellen. Dan ben ik er niet meer. We hebben ook geen
kinderen.
Er komt een zomertentoonstelling in de Verbeke Foundation over ‘hoe sla
je op en wat hou je vast en wat gooi je weg?’ Het verhaal is op een gegeven
moment weg en ik kan het dan niet meer vertellen. Daarom vind ik boeken een van
de mooiste dingen om te maken. Boeken zijn belangrijk.
HVC: Vind ik ook!
Voel je jezelf een goede
netwerker?


LG: Ja, ik ben wel handig daarin, maar ook niet te hoor. Vroeger ging
ik natuurlijk heel vaak naar openingen enzo, maar nu ga ik liever als de
opening voorbij is. Dan zie ik het beter. Het is natuurlijk wel eens handig,
als het een vriend van je is, dan ga je natuurlijk voor hem supporteren.
En dan: van wat komt wat, dat is altijd zo ?
Maar sowieso, als je iets
doet, springt de pers er gemakkelijk op. Dat is niet iedereen gegeven. In België
hebben we ook zo’n schare kunstenaars … terwijl de andere 98% op hun kin mag
kloppen …


LG: Nou, bijvoorbeeld dat Mondriaanproject, dat zwengel ik wel aan. Dat
is van belang. Het werd getoond in de gerenommeerde organisatie, de Vleeshal,
HVC: Ik heb het gevoel dat ik
weinig vragen stel, maar jij vertelt alles zelf. (lacht)
Blijft het nog altijd
“spelen” voor jou trouwens?


LG: Ja, het is prachtig natuurlijk. Een spel is het niet. Het is
natuurlijk fantastisch om te doen. Het geeft wat dat betreft een enorm rijk
leven. Ten eerste, ik ben nauwgezet. Ik duik erin. Het betekent dat ik constant
moet studeren. In een leven is niets fijner dan om dingen te leren, zo geraak
je niet afgestompt. Ik schrijf ook, voor tijdschriften. We hebben een
kunsttijdschrift, Kunst wordt terug kunst.
Dat is opgericht door Florette Dijkstra. Dat is alleen voor kunstenaars. Dus je
houd je scherp, je reist, je komt overal….
HVC: De prikkels uitzetten …

LG: We gaan ook wel eens een week of twee ergens naartoe om een beetje
bij te komen of om ergens wat te zien, met de hond. Een tijd geleden wilden we eigenlijk
naar de westkust van Frankrijk, want ik hou van de zee. Maar goed, we zitten
ook al alle dagen aan zee. En tegenwoordig kan je goed zien wat het weer wordt
op langere termijn. Maar in de periode dat we gingen was het daar constant noodweer.
Ik zeg tegen mijn vrouw: “Ik heb echt geen zin om daar tien dagen in de regen
te gaan zitten.” Dus wij kijken, en op een gegeven moment bleek – het is
natuurlijk altijd een beetje tricky – dat het in het gebied van rivier de Drôme
in Frankrijk, bijna de hele periode goed weer zou zijn. Dus wij daarnaartoe. Ik
was er nog nooit geweest. Wij trekken die rivier in. Dagenlang. Fantastisch!
Dus ik alleen maar kijken naar stenen, en kijken en steenmannetjes bouwen en
rivieren verleggen, gewoon bezig, en op een gegeven moment, ineens vind ik een
steen… Nah, het is onvoorstelbaar. Gewoon een kei, maar die is zó mooi gepolijst
door tienduizenden jaren en die neem ik mee natuurlijk. Ik was al met dat werk
van Brancusi bezig, dus ik bel bij thuiskomst het Kröller Muller op. Jullie
hebben Le commencement du monde van
Brancusi. Hoe lang heeft hij daarover gedaan om dat te maken?
Dat wisten ze niet, dat gingen ze onderzoeken. Op een gegeven moment
komt er een mailtje terug: ‘Waarschijnlijk heeft hij daar drie maanden aan
gewerkt.’ En dan kom ik op een verhaal, dat de kunstenaar boven de natuur
staat. Brancusi doet er drie maanden over, en de natuur heeft misschien wel
tienduizend tot een miljoen jaar nodig om zo’n steen te creëren en dan kan het
zich nog niet meten met het werk van Brancusi. De kunst ten opzichte van de
natuur. Daar ben ik dan mee bezig, en daar word ik gelukkig van. Ik schrijf er
verhalen over en maak er werken van. Zo ben ik bezig. De spot waar ik die steen
gevonden heb, waar die vandaan komt, hoe die rivier loopt. Ik kom erachter dat
het een van de laatste rivieren in Europa is die niet is getemd, waar niets aan
is gedaan. Er ligt geen strekdam in, nou dan moet ik dan weten en gaan we heel
die rivier af alleen maar om te kijken voor die determinatie van die steen. Dat
is toch geweldig?!
HVC: Inderdaad.

LG: Anders zit je daar maar onder een parasol een beetje te kijken naar
wat kano’s die langskomen. (lacht). En ja, dan ga je verder kijken, want dan
hoop je er nog eentje te vinden. Dan loop ik de hele tijd stenen te zoeken.
Heerlijk in je zwembroek. Een dom zicht misschien, maar ja, zo doen we dat.
HVC: Bij jou brengt het ene
constant het andere mee. Maar het is ook door je spirit natuurlijk.
Je werd in 2013 genomineerd
voor de MK Award “omdat je als kunstenaar een radicale systeemdenker bent en
als geen ander eigenzinnige wetenschap, filosofie en kunst met elkaar
verbindt.” Vind je het belangrijk dat de Belgen dat weten?
LG: Ja, maar ik had die prijs graag gewonnen natuurlijk.
Nou het zit zo, er waren een aantal museumcuratoren die een kunstenaar
mochten nomineren. Dat was Saskia van de Wiel van het museum Van Bommel Van
Dam, het museum in Nederland wat het meeste werk van mij heeft. Een grote
collectie. Pas nog een groot werk gekocht. Ze hebben tientallen werken, denk
ik. Saskia die nomineerde mij voor die prijs. De MK Award is voor kunstenaars
die een invloed over meer gebieden laten gelden. Ook filosofie, literatuur…
Dat staat dan op internet. Dat filmpje wordt dan getoond op Art Rotterdam. Kijken
tienduizenden mensen naar. Nou, dat vind ik plezierig.
HVC: Zal wel …
We hadden het er al over:
galeries, dat blijft voor de kunstenaar belangrijk, vermoed ik?


LG: Galeries die beurzen doen.
HVC: Zijn beurzen
belangrijker dan?


LG: Nou nee, de galerie natuurlijk. Ten eerste heb je contact met de
galerie en als het contact goed is, dan kan je vragen – niet eisen – of die je
dan ook op de beurzen toont. Dat is van belang, want je kan niet als kunstenaar
op eigen houtje op een internationale beurs komen. Daar heb je een galerie voor
nodig.
HVC: Is dat iets wat je nog
betracht, om nog meer internationaal gaan?


LG: Ja, dat probeer ik nog wel te doen.
HVC: The American dream?

LG: Nou, niet een droom. Je moet de dingen doen die je moet doen en als
het lukt, dan lukt het. Het is niet mijn hoofdtaak, laat ik het zo zeggen. U
ziet dat ik behoorlijk wat werk onder handen heb, ik heb daar veel tijd voor
nodig en ik werk ook hard. Die galeries moeten de contacten onderhouden en ook
zien te vinden en daarbij moeten ze mijn werk als belangrijk naar voren
schuiven. Jan De Nys deed dat altijd erg goed. Hij deed ook veel internationale
beurzen, werkte veel met internationale kunstenaars, met Duitsers, met mensen
uit Frankrijk, en daardoor kwam ik in contact met al die mensen die hij vroeger
in zijn stal had. Veel buitenlandse kunstenaars. Daar heb ik nog allemaal
contact mee en we hebben ook samen tentoonstellingen gemaakt. Een tentoonstelling
in München kwam doordat ik curator was hier in Breda, een grote tentoonstelling
gemaakt in de binnenstad en ik heb daar een Duits kunstenaar voor uitgenodigd,
we zijn bevriend geraakt. Hij werd curator in München voor een tentoonstelling,
dus hij vroeg mij. Normaal kom je dus nooit in München terecht. Dat netwerk
gaat zo. Ik had eerst een kleine tentoonstelling met een soort multiple. Dat
was goed bevallen, het contact was goed, nou op een gegeven moment krijg ik een
grote solo.
HVC: Terwijl iemand iets
nieuws op de markt kan brengen, maar de markt is er niet altijd klaar voor.


LG: Ja, dus dat is altijd ingewikkeld. Galeries zijn ingewikkeld. En
ja, ik ben fulltime bezig, dus ik heb niet echt te klagen. Maar als je dit
soort werk maakt, dat je zelf van belang vindt, hoop je ook op belangstelling
ervoor.
HVC: Kan je tegen kritiek?

LG: Ja, natuurlijk.
HVC: Het hangt er
waarschijnlijk ook vanaf van wie het komt?


LG: Ik was een keer nijdig op een kritiek. Kijk, ze mogen schrijven wat
ze willen. Over het algemeen is het positief, want het is vaak zo: ze schrijven
liever niet negatief. In 2005 had ik een solotentoonstelling in De Pont, waar
ik meer dan duizend vragen had getoond die allemaal met de hand waren
geschilderd. In een kritiek op het net beweerde die criticus in zijn recensie
dat hij ooit beter werk had gezien, omdat hij vond dat al die duizend computerprints
te makkelijk waren. Nou, hij had niet goed gekeken! Hij had alleens niet gezien
dat al die teksten stuk voor stuk met de hand waren geaquarelleerd.



 HVC: Of niet goed gelezen, of
zich niet goed voorbereid …


LG: Alles stond in de flyer en in de zaaltekst. Dagenlang doe ik over
één zo’n aquarel, jaren aan gewerkt, mijn levenswerk bijna: zes, zeven jaar
non-stop ermee bezig en dan had hij het over ‘al die computerprintjes’. Nou… ik
heb hem er wel op gewezen. Hij heeft het niet gerectificeerd, helaas, maar
daarna heeft hij wel nog een goede recensie over een latere tentoonstelling
geschreven. ‘Dat ik een van de weinige kunstenaars ben die eeuwig voortleeft.’
HVC: Dat is dan wel
rechtgezet, zoals dat heet.


LG: Dit doordat al die sporen die te determineren zijn. Als je
schilderijen van Van Gogh determineert, kom je niet tot zijn leven. Zijn
brieven doen dat wel. Bij mij is het zo – en dat zijn niet mijn woorden,  ik quote nu – hij zegt van: “Omdat alles wat
ik nalaat, mijn stof, mijn eigen lichaamsvocht, mijn verfsporen, met wie ik
omga, mijn DNA-profielen van anderen, mijn grond waar ik op geboren ben, waar
ik nu woon, al de coördinaten waar ik ben (want ik schrijf áltijd alles op waar
ik ben), dat is gewoon, zo’n volledige complete blauwdruk van iemand. Dat is er
nog nooit geweest.” Dat stond in jullie Belgisch kunstblad h-ART. Was ik erg
blij mee.
HVC: Je atelier hangt aan je
huis . Het is niet zodat je met je wagen naar je atelier moet gaan. Zou je dat
moeilijker vinden?


LG: Heb ik vroeger gedaan, ja. Dit is de eerste keer dat ik naast mijn
atelier woon.
HVC: Hoe lang heb je hier
gewoond?


LG: Tien jaar. En ik heb het atelier al tweeëntwintig jaar. Maar deze
woning heb ik er tien jaar geleden ingebouwd en dat was voor mij een feest.
HVC: Ook voor je vrouw?

LG: Ja, want toen ik in dat atelier werkte waar ik in het donker heb
gezeten, werkte ik ook vaak ’s avonds. Dan zat ze te wachten en dan moest ik
ook nog door het bos elke keer met de auto en dan was ik om twee uur ’s nachts
thuis en soms ga je gewoon door. En dat vond zij nooit fijn. Ze heeft daar
nooit iets van gezegd, maar ze sliep pas echt als ze de deur hoorde. En hier
werk ik gewoon door tot ik klaar ben.
HVC: En ze weet je te vinden.
Zelfs al ben je afwezig, ze kan je een zoen komen geven.


LG: Ze weet waar ik zit. En ik speel ook gitaar, dus ’s avonds aan het
eind van de dag, dan pak ik mijn gitaar en het is daar zo rustig, dan galm ik
door die zaal en dat vindt ze fantastisch. (lacht)

HVC: Dan weet ze dat je gaat
ontspannen.


LG: In Zeeland hebben we een huis en ik bouw daar een atelier in de
tuin. Ik vind dat heel fijn. Vroeger dacht ik: “Dan heb ik niet meer de afstand
tot het werk, maar dat is ook helemaal niet nodig.” Ik hoef ook helemaal geen
afstand tot het werk. Het werk is hetzelfde als het leven.
HVC: Kunst = leven.
Inderdaad. En nu zet ik écht mijn recorder af Loek!
Hilde Van Canneyt, copyright 2015
Loek Grootjans stelt tentoon: Storage
fpr Distorted Matter; the dust files
van 01/03 tot 04/04/15:
GALERIE EL, Drieselken 40,9473 Welle (België)
www.galerie-el.be
http://www.loekgrootjans.com/

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.