Categorieën
Interview

Interview met Wesley Meuris en Annie Gentils


Interview met Wesley Meuris
en Annie Gentils, Antwerpen, januari 2015

(Het interview is verschenen in 100%EXPO (driemaandelijks kunstmagazine van de provincie Antwerpen. Foto’s figuranten: Artur Eranosian))







Hilde
Van Canneyt: Hallo Wesley, wat jou boeit is de verzamel- en rangschikdrang van
de mens. Daarvoor vertrek je van de interactie tussen architectuur en ons
geconditioneerd gedrag. In je praktijk bevraag je ‘de heersende systemen van de
representatie, informatie of classificatie in de diverse maatschappelijke domeinen’,
las ik. En die procedés probeer je bloot  te leggen’. Toch is het geen kritiek van jouw
kant, het gaat je vooral om de context. Zoals een museum bijvoorbeeld de
context van een object is, maar je merkt dat een museum bijna belangrijker
wordt dan het kunstwerk.

Vanwaar
die fascinatie?

Wesly Meuris: In
verschillende projecten werk ik rond de geconstrueerde context van tentoonstellingsobjecten.
Ik  werp een blik op de architectuur en
de infrastructuur van instituten die artefacten en allerlei kunst gerelateerde
voorwerpen tentoonstellen, archiveren, conserveren en instrumentaliseren. Ik
kan me niet ontdoen van het voelbare en zichtbare spanningsveld tussen
enerzijds het wetenschappelijke beleid en anderzijds de visueel prikkelende
presentatie; tussen de collectie als erfgoed en het verlangen naar vernieuwing,
tussen politieke coördinatie en artistieke vrijheid en tussen economische input
en publieke return, enz… Daar waar de verschillende motieven en strategieën
elkaar snijden, krijg je een interessante complexiteit, een moment waar elke
gestuurde perceptie mogelijks afbuigt. Doelstellingen en strategieën lopen
plots niet meer gelijk met de beoogde vormgeving, architectuur of
tentoonstellingsstructuur.

Initieel ontstond deze
fascinatie in 2004, wanneer ik startte met het project ‘Zoological
Classification’. Dit werk vertrok van een primaire interesse in de architecturale
constructies van dierenkooien, welke gebaseerd is op de artificiële vertaling
van een natuurlijk habitat. Naarmate mijn onderzoek vorderde, werd ik gegrepen
door de impact van het fenomeen ‘tentoonstellen’. Kooien zijn niet louter
apparaten van behuizing, maar vullen veeleer een menselijk verlangen in. Een
verlangen naar tentoonstellen, observeren, classificeren en trachten te
begrijpen, hoezeer dit dikwijls maar een illusie blijft. 



HVC:
En toen kreeg je de smaak te pakken en bleef je daarop verder bouwen.
Projecten als ‘The World’s Most Important Artists’ (2009)
en ‘Foundation for Exhibiting Art & Knowledge’ (2012) kwamen daar uit
voort.


WM: Je kan het werk ’The World’s
Most Important Artists’ zien als een ‘fictief’ archief waar je met specifieke
criteria op zoek gaat naar een item binnen de kunst. Toch blijf je als toeschouwer
bewegen in de periferie van het archief: je krijgt geen toegang tot de ware
inhoud. Het is het verlangen om de meest interessante of bekendste kunstenaar
te kunnen opvragen. Toch blijft je dwalen in een zoektocht naar criteria.
Uiteindelijk kan je wel binnen in het fysieke archief en word je naar de
uitgekozen lade geleid, maar ben je niet in de mogelijkheid om de lade te
openen. In die zin ligt dit project nog steeds erg dicht bij het onderzoek van
de dierenkooien, die een publiek dirigeren om op een bepaalde manier naar een
object te kunnen kijken. Er is natuurlijk een soort voyeurisme dat erbij komt
kijken: de drang om objecten te gaan analyseren of observeren vanuit een
comfortabele en geconstrueerde context.

Het project ‘Foundation for Exhiting Art and Knowledge’ (FEAK), gaat
zelfs nog verder.
Via
het boek krijg je een overzicht van allerlei studies, activiteiten en
manifestaties die door het gelijknamige instituut georganiseerd worden. Je ziet
diverse tentoonstellingsmodellen: formules die ogenschijnlijk consequent
gestipuleerd zijn, maar niet verifieerbaar zijn. Het is me meer te doen om de
diverse methodes te behandelen en minder om de specifieke casussen. In wezen is
FEAK een verzameling van herkenbare en minder herkenbare mechanismen.








Het betreft
tentoonstellingsmechanismen die schuil gaan achter het louter ‘tentoonstellen
van objecten en kennis’. FEAK capteert communicatiestrategieën, scenografische
constructies, educatieve formules, grens– en discipline overschrijdende
samenwerkingsverbanden, collectiebeheer, kennis producerende activiteiten enz.


FEAK is opgebouwd uit deze
mechanismen die ontleend worden aan bestaande instituten. Toch worden ze niet
louter gekopieerd. Ik beschrijf ze als digitale collages, waar bestaande
beelden, structuren, vormgeving en tekst worden samengebracht in een
geconstrueerde hypothese. Bij een eerste lezing lijken de beelden nauw aan te
leunen bij bestaande voorbeelden, maar toch zijn het geen replica’s.

FEAK ‘s mogelijke kritische
dimensie schuilt niet in het kraken van tentoonstellingsmodellen en het is ook
niet de bedoeling om het institutionele mechanisme onderuit te halen . Het is
veeleer een verlangen om er vat op te krijgen, en de slaagkans is tevens
ondergeschikt aan het verlangen. Mijn intentie is om de sterk geïnstrumenteerde
blik te onthullen.






HVC:
Je installaties ogen op het eerste zicht monumentaal en streng. We zien
gemakkelijk herkenbare vormen, meestal met een uitstraling van leegheid en
kilheid. Toch zijn ze tegelijkertijd herkenbaar en betrouwbaar. Hoewel de
objecten esthetisch ogen, voelt de kijker dat er iets niet klopt. Je laat ons met
een vraagteken achter, maar dat is wellicht je bedoeling.

VM: Het is het delen van een
fascinatie: nadenken over hoe onze geconstrueerde omgeving eruitziet en hoe die
wordt gebruikt. Veel van mijn werk lijkt om leegte te gaan, maar het gaat me
niet om die leegte, wel om die context. Vandaar dat bijvoorbeeld de kooien, de
archieven en het instituut over betekenisdragers gaan: ze mediëren tussen het object/data
en hoe het gepresenteerd wordt. Mijn architecturen en sculpturen onderhandelen
eigenlijk met die manier van lezen. Die werken liggen inderdaad soms heel dicht
bij een realiteit, maar dat is de manier hoe ik te werk ga: het analyseren van
een omgeving of een architectuur. Ik probeer die structuur te ontrafelen,
alsook de economische en strategische componenten. Ik neem parameters op en
steek die terug in een werk. Daardoor krijg je een scherpe analyse van de
werkelijkheid, al is het geen werkelijkheid.





HVC:
Annie, tussen ’80 en ’84 runde jij het experimenteel kunstencentrum Montevideo
en in ’85 opende je deze galerie.


Annie Gentils: Einde jaren
’70 en begin jaren ’80 heb ik in de Warande en het ICC gewerkt als
cultuurfunctionaris. Het ICC werd toen gesloten onder dwang. Toen besloot ik
zelf een kunstruimte op te starten, omdat er toen niets bestond waar jonge
kunstenaars van mijn generatie hun werk konden tonen. Met mijn toenmalige
vriend huurden we voor een prikje een grote ruimte in de oude Antwerpse haven. Ik
had als groot voorbeeld het Hessenhuis met de kunstenaarsgroep G58 in Antwerpen
waar mijn vader en de kunstenaars van zijn generatie internationale
tentoonstellingen hebben georganiseerd. Ik had dat meegemaakt als kind: Yves
Klein, Manzoni e.a. kwamen bij ons op bezoek. Dat was spannend en die energie
wou ik verder zetten. Wij zijn altijd een voorloper geweest, denk maar aan de
New Beat en techno die hier zijn ontstaan, die zin voor avant-garde op
literair, muzikaal en picturaal vlak, zit in onze genen.

Ik heb kunst dus met de
paplepel meegekregen (Annie is de dochter van Vic Gentils, red). Ik heb ook
nooit betreden paden willen bewandelen en dat is nog altijd zo. Ik voel aan of
iemand met interessante dingen bezig is en niet met flauwekul. Ik had toen ik
mijn galerie begon, een grote verering voor Michelangelo Pistoletto, dus bracht
ik hem hier. Idem voor kunstbeurzen: ik breng jonge kunstenaars op
internationale beurzen die nog niet te zien zijn op de internationale markt. We
krijgen bijna altijd enthousiaste reacties in het buitenland omdat mensen iets
anders te zien krijgen en bovendien werk van hoge kwaliteit en integriteit. In
oktober jl. toonden we werk van Danny Devos (Antwerpse performance kunstenaar)
op FIAC -Parijs. De stand en DDV zijn daar op blogs en internet herhaaldelijk
besproken.. In 2005 werd de galerij met Wesley Meuris uitgenodigd voor Project
Rooms op Arco Madrid. 



  


HVC:
Annie, herinner jij je nog wanneer je voor het eerst werk van Wesley zag?


AG: Wesley en ik zijn beginnen
samenwerken in 2000. Ik herinner me dat ik foto’s zag van zijn parketsculptuur in
het Zoniënwoud, tezamen met mini – parketten. We organiseerden Wesley’s eerste
solo tentoonstelling in de winter van 2002 – 2003. Wesley toonde de
indrukwekkende zwembadsculptuur samen met tekeningen van onmogelijke zwembaden.
Willy Vandenbussche heeft dat werk nog aangekocht voor MuZee. Hij had foto’s
gezien op Arco Madrid van dat werk en was onmiddellijk enthousiast. Willy was
toch samen met Jan Hoet van de generatie curatoren die mee waren met de avant-garde
generaties en heel enthousiast meegingen in hun verhaal. Flor Bex had en heeft
dat ook.
Toen we dus naar Arco Madrid
gingen, was er van de grote kooien-sculpturen nog geen sprake, ik wist dus niet
wat Wesley van plan was…

WM:  Ik heb Annie moeten overtuigen met een klein
schetske (lacht). Het gaat natuurlijk over vertrouwen, want voor Annie was het
een hele investering. Het is ook niet zo dat mijn werk als zoete broodjes
verkocht. Ik zat toen nog op het HISK – Hoger Instituut Beeldende Kunst – en
zij hebben mij ook geholpen om dat project te realiseren. Soms moet je samen durven
springen.

Het jaar daarop (2006) werd
ik door Project Arco Madrid uitgenodigd met ‘Glass Works’ van Kris
Vleeschouwer, ook een groot succes op de beurs. Het werk is toen tentoongesteld
in Palais de Tokyo (Parijs) en verkocht aan een grote privé collectie in
Tasmanië. Wat bewijst dat je met goed werk van onbekende kunstenaars de
belangstelling van een internationaal publiek kunt opwekken.

HVC:
Hoe ging de ‘kunstverkoop’ dan 35 jaar geleden in zijn werk?

WM: Het was hoogconjunctuur toen.
Ik ben mijn galerij begonnen met Leo Copers, Philippe Van Snick, Luc Deleu, Filip
Francis, maar ook Paul Armand Gette e.a. Ik ervaarde het als een normale zaak
dat ik verkocht, al was ik nooit tevreden, (lacht). Toen ik kinderen kreeg, ben
ik enkele jaren gestopt met de galerie en heb ik het grote overzichtsboek met
oeuvrecatalogus van mijn vader gemaakt, uitgegeven door Lannoo. Toen ik de
galerie weer opstartte moest ik weer van nul beginnen. Noodgedwongen ben ik met
een heel nieuwe generatie kunstenaars begonnen, wat achteraf bekeken een zeer
goede beslissing is geweest.










HVC:
Hoe rekruteer je nieuwe kunstenaars? Intuïtie, zakelijk instinct? Je collega
Hermine De Buck uit Gent zegt dat de mens achter het werk, even belangrijk is als
het werk zelf.

AG: Voor mij is het
belangrijk of het werk in zijn historische context belangrijk zal zijn en of
het modes en tijdsgeest kan overleven. Met andere woorden: het werk moet al van
in het begin een zeker klassiek gehalte hebben. Ik ga nu werken met de jonge
Lisa Vlaemminck die werd opgemerkt door Tom Barman voor diens tentoonstelling
‘DE Vierkantigste Rechthoek’ in Amersfoort afgelopen zomer.
Ik luister ook naar wat
andere kunstenaars me aanbrengen wat nieuwe kunstenaars betreft. Annemie Van
Kerckhoven heeft me trouwens getipt wat het werk van Lisa Vlaemmynck betreft.

HVC:
Wat maakt voor jou dan, dat je een kunstwerk goed of niet goed vindt?

AG: De materiebeheersing en de
filosofie of het concept die aan de basis van een werk liggen. Dat is moeilijk
uit te leggen. Ik denk dat goede kunst een sterke zelfstandige uitstraling
heeft waarmee ik in communicatie ga en waar ik een fysieke interactie mee heb,
net zoals je naar goede muziek luistert. Het is opwindend en ongrijpbaar
terzelfdertijd. Goede kunst is ook geworteld in de kunstgeschiedenis en
tegelijkertijd gaat het over geografische- en tijdsgrenzen  heen.

WM: Ik denk dat Annie in
eerste instantie niet denkt aan de kunstenaar achter het werk, maar het werk kiest
en dan de kunstenaar terdege wil leren kennen. Het gaat uiteindelijk over
samenwerking. Er komt heel wat communicatie en vertrouwen bij kijken. Je weet
samen welke context een werk nodig heeft om het op die manier te beschermen. In
die zin is het wel belangrijk dat je weet dat je samen op dezelfde golflengte
zit.

AG: Wat ik zo fantastisch
vind aan mijn beroep, zijn de interessante gesprekken die ik met de kunstenaars
heb waarmee ik samenwerk. Het zijn voor mij de belangrijkste ervaringen in mijn
leven. Het is heel opwindend om het ontstaan van nieuw werk mee te maken, om
prachtige tentoonstellingen te maken in de galerij of mooie samenstellingen op
beurzen te ontwerpen en om de evolutie van iemands werk mee te maken. De
kunstwerken verkopen aan verzamelaars maakt daar deel van uit. Het maakt mij
blij als het werk een plaats vindt bij verzamelaars of musea die het
enthousiasme over het werk delen.

HVC:
Is het kunstenaar-galerist verhaal, in jullie geval, een win-win situatie?

WM: Annie vertegenwoordigt
mijn werk in haar netwerk, brengt het naar buiten. Zo wordt mijn werk ook
gelinkt aan de galerie van Annie, omdat ze mijn werk al zo lang volgt en
vertegenwoordigt. Maar het is moeilijk te vinger te leggen op het parcours hoe een
expo tot stand komt of hoe een werk bij een bepaalde collectioneur komt.
Het is een samenloop van omstandigheden, vandaar dat een goede samenwerking zo
belangrijk is.

HVC:
Wie trekt er uiteindelijk aan het langste eind?

AG: Bedoel je bij het naar
buiten brengen van het werk? De kunstenaar natuurlijk! Zij volgen hun eigen
weg, en daar heb ik zeer veel respect voor en het volste vertrouwen in. Of het
werk onmiddellijk zijn weg vindt naar de buitenwereld – of juist niet – is
bijzaak. Hoewel we natuurlijk ook moeten overleven.

WM: Heel veel dingen gebeuren
toch tussen wat iemand aangeeft en wat je zelf wil bereiken: tussen je schetsen
en de productie, tussen je atelier en de tentoonstellingsplek.

HVC:
Hoe zit het met de prijsbepaling van een werk? Jij hebt er kosten en tijd in
gestoken, de galerie heeft recht op een groot stuk… Is die kunstmarkt trouwens
niet een beetje uit de hand aan het lopen?

AG: Die prijsbepaling heb ik
eigenlijk wel in mijn vingers. Kunstenaars denken soms dat je werk zomaar kan
verkopen, maar dat is niet zo. Daar moet je heel hard aan werken. Ik vind ook
dat een werk niet voor een appel en een ei moet verkocht worden. Men moet de
arbeid van de galerij en van de kunstenaar respecteren. Dikwijls liggen de
productiekosten ook vrij hoog. Veel verzamelaars proberen echt het onderste uit
de kan te halen, zeker nu het crisis is. Wat de kunstmarkt betreft, ik meen dat
er vele kunstmarkten naast mekaar bestaan.

WM: Soms maak je een werk dat
veel reist. Je hebt natuurlijk de productiekost, maar de kosten van dat reizen wordt
natuurlijk ook inherent aan het werk.

HVC:
Wat heb jij meer dan andere galeriehouders, Annie?

AG:  Ik denk dat elke galerij op zijn manier met
kunstenaars omgaat en uitgaat van zijn voorkeuren. Wat mij misschien bijzonder
maakt is dat ik als dochter van een kunstenaar het scheppen van een oeuvre
intens heb beleefd, maar tevens de mercantiele kant van het kunstenaarschap heb
meegemaakt. Mijn vader was buiten een begenadigd kunstenaar ook een goede
verkoper van zijn eigen werk. Dat deed hij overigens samen met mijn moeder. Dat
deden ze samen met veel stijl en humor. Ik heb daar veel van geleerd.

WM: Ik denk dat Annie iemand
is die mee in het oeuvre van een kunstenaar kan stappen. Ik veronderstel toch
dat het deels te maken heeft dat ze de dochter van een kunstenaar is geweest.
Ze voelt aan dat een bepaald project – of de manier waarop een kunstenaar te
werk gaat of hoe een atelier werkt – met ups en downs is. Het is zoeken en
vallen en het oprapen van bepaalde zaken. Als kunstenaar is het belangrijk om
daarin begrepen te worden. Het gaat dan niet meer zozeer om de noodzakelijkheid
van een product, maar wel om een werk/oeuvre te laten groeien, tot het de
juiste vorm krijgt en op het juiste moment kan worden getoond. 

HVC:
Kunstenaars zijn inderdaad geen broedmachines, al denken vele galeriehouders
dat wel.

AG: Van mijn twee jaar zag ik
al hoe mijn vader aan het werken was in zijn atelier. Het waren de jaren na de oorlog,
dus dat was pure armoede. Maar toch bleef hij de begeestering hebben om te
blijven evolueren en experimenteren, omdat schilderkunst alleen, voor hem niet
meer voldeed. Ik heb dat stap voor stap meegemaakt, tot dan ineens die explosie
van zijn werk is gebeurd, waardoor hij bekend is geworden begin jaren 1960. Het
gaat toch ook over het avontuur en de interactie met het publiek.

HVC:
Annie, ik vermoed dat jij geregeld op atelierbezoek gaat bij je kunstenaars?

AG: Ja natuurlijk, ook bij
kunstenaars waarmee ik niet werk trouwens.

WM: Het gaat over het delen
van een proces, het ontstaan van een werk, de plek waar ideeën ontstaan. Dit
helpt de galerist wellicht bij het toelichten van het werk bij anderen. 

AG: Ik vind een
galerietentoonstelling om de twee jaar heel belangrijk, omdat het toch een
ijkpunt is in de evolutie van een kunstenaar. Maar het is spijtig dat kunstliefhebbers
tegenwoordig alleen nog maar beurzen bezoeken, wat toch een zeer productgerichte
houding is…

HVC:
Annie, je bent hier in Antwerpen gevestigd, blijft het voor jou nog altijd dé
stad om een galerie te hebben?

AG: Ja, natuurlijk! Kon ik in
Japan, New York of Rome een galerie houden, ik zou het misschien wel doen. Maar
ik heb hier nu eenmaal mijn prachtig huis waar elke keer als er een nieuwe
tentoonstelling wordt gebracht, een totaal andere sfeer heerst. Het huis
dateert van 1900, heeft parket en hoge muren. Hier een tentoonstelling maken is
anders dan in een white cube of een
betonnen constructie. Het is een voorrecht om hier te mogen werken.

HVC:
Annie, zeggen mensen soms dat je eigenwijs bent?

AG: Sommigen vinden mij
moeilijk. (lacht)

WM: Door moeilijk te zijn, vertragen bepaalde zaken, daarom moet er
meer overdacht worden in de beslissingen die je samen neemt, maar daardoor is
het dikwijls ook doordachter. Dat hoeft niet altijd negatief te zijn.

HVC:
Annie, hoe is de interactie met de andere collega-galeristen hier in Antwerpen?

AG: In Antwerpen is dat toch
wel niet zo gemakkelijk. Sommigen zijn op een zodanige andere manier bezig dat
er geen wederzijdse interesse is. Door mijn (financiële) situatie ben ik
gedwongen om inventief te zijn, maar dat geeft dan weer andere mogelijkheden.
Als kunstenaars naar een andere galerie overstappen omdat het daar beter zou
zijn, moet je dat ook relativeren. Ieder volgt zijn eigen weg en het wegvallen
van bepaalde kunstenaars maakt energie vrij om nieuwe wegen in te slaan.

HVC:
Jullie hebben ook enkele publicaties samen gemaakt.

AG: Het moeilijkste is om
financiën te vinden vandaag.

WM: Meestal gaat zo’n
publicatie gepaard met een project en zo kunnen die publicaties degelijk worden
geproduceerd. Omdat die uitgaves dan ook in drie talen zijn, is het een
internationaal visitekaartje.

AG: Die publicaties vormen
ook een onderdeel van je werk Wesley.
Dat vind ik juist het bijzondere
aan het boek dat je in samenwerking hebt gemaakt met Michel Dewilde, die je
werk door en door kent.

HVC:
Wesley, jij bent eerder bekend in de high brow art scene. Dromen jullie ervan dat
‘Wesley Meuris’ een grotere naam’ wordt?

WM: Ik zou graag hebben dat
mijn werk meer tot ontwikkeling komt en verder evolueert, alsook op plekken
komt waar het tot zijn recht komt. Ik wil dat mijn werk op een goede
gecontextualiseerde manier toegelicht en tentoongesteld wordt. Dààr streef ik
naar, niet naar een grotere naam hebben. Want zo sluipen er meer onzuiverheden
in het werk. Nu het is een realiteit dat je niet altijd vooruitziend kan zijn.
Maar ‘een grote naam’ worden, is zeker geen doel op zich.

AG: Ik werk er naar toe dat
Wesley en de andere kunstenaars van de galerij erkenning krijgen buiten onze
grenzen.. Er komt nu een acht bladzijden tellend interview met Wesley in het Franse
blad Art Press, dat is toch fantastisch!
Meer steun van onze overheid
is meer dan welkom. Wij zijn tenslotte toch ambassadeurs van Vlaanderen in het
buitenland.
Toen de nieuwe
cultuurminister Sven Gatz twee dagen was aangesteld, heb ik hem een brief
geschreven en ben ik met hem gaan praten om te zeggen dat de kunstbeurzen terug
moesten gesubsidieerd worden zoals voorheen omdat dat toch een platform is waarop
kunstenaars hun werk kunnen bekend maken. Daaruit komen dan weer tentoonstellingen,
andere galerijen in het buitenland die met die kunstenaars willen werken en
buitenlandse verzamelingen die het werk kopen.

WM: Het is de taak van de
Vlaamse gemeenschap dat kunstenaars buiten België treden, zoals zich
presenteren op beurzen bijvoorbeeld.

HVC:
Annie, ben jij trouwens zelf ook verzamelaar?

AG: Ik heb wel wat werken in
mijn collectie. Maar soms ben ik genoodzaakt om werken te verkopen om de
rekeningen te betalen, helaas.
Een topwerk uit mijn
collectie van Luc Deleu gaat nu binnenkort opgenomen worden in de
tentoonstelling die Luk Lambrecht organiseert in Strombeek Bever.





Hilde Van Canneyt

Wesley Meuris stelt tentoon: 

WESLEY MEURIS – NOTES

Thursday, 12 March, 2015 – 18:00 to Saturday, 25 April, 2015 – 18:00

WED – SAT: 2-6 pm

Peter Benoitstraat 40
2018 Antwerpen
Belgium

www.wesleymeuris.be
www.anniegetils.com


Contact block

T: +32 3 216 30 28
F: +32 3 290 66 07
M: +32 477 756 721

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.