Categorieën
Interview Uncategorised

Interview met Daniël Dewaele


vorig interview: Honoré d’O, 
volgend interview: Koen Broucke (nu expo in Light Cube Art Gallery, Ronse)

Interview met Daniël Dewaele
(1950), Waregem, 3 jan 2013.

Ik heb met Daniël Dewaele afgesproken in BE-PART, het platform voor
hedendaagse actuele kunst in het West-Vlaamse Waregem, waar zijn solo-expo ‘Selected
Projects’ momenteel loopt… We drinken eerst een potje koffie in de keuken om rustig door
mijn vragen te walsen… 
Hilde Van Canneyt: Hallo
Daniël, als eerste zou ik graag iets aanhalen uit wat ik las in de expo-recensie
in De Standaard, geschreven door Sam Steverlinck. Hij schreef dat er  verschillende pijlers zijn in je artistieke
activiteit: je hebt je atelier verruilt voor de openbare ruimte, je stelt op
licht ironische wijze de kunstwereld ter discussie en je speelt met de conventies
van de kunstwereld terwijl je tegelijkertijd ook sociaal geëngageerd ben.
Klopt dat?
Daniël Dewaele: Klopt allemaal. Het ene sluit het ander niet uit.
HVC: Ik las dat je
kunsthumaniora hebt gevolgd. Voelde je op je zestiende al dat je iets anders
wilde doen dan de anderen?
DD: Ik vond op mijn achttiende al dat een kunstschool voor mij totaal
overbodig was. Toen al dacht ik: “Ze zitten ernaast.”
HVC: Dan was je al van toen een
zelfverzekerd individu als je je slimmer dan de leraars voelde?
DD: Neen, ik was niet zelfverzekerd, maar ik dacht dat ze het niet bij
het rechte eind hadden: alles werd gereduceerd naar het technische kunnen. Ze
hadden niet door dat een kunstenaar een taal ontwikkelt, een discours uitbouwt.
Dus zeiden ze: je kan dit ook – waarmee ze kopiëren bedoelden. Ze zaten over de
ganse lijn fout en niet enkel in het secundair onderwijs.
HVC: Heb je nu nog altijd de
mentaliteit dat je geen leermeesters wilt hebben? Of dat je vindt dat de andere
kunstenaars bullshit vertellen?
DD: Do not follow
leaders, they watching parking meters…
Ik vind gewoonweg dat je je eigen
weg moet gaan.
HVC: Vind je dat iedereen – op
elk gebied – meer zijn eigen weg moet gaan?
DD: Dat vind ik wel. Door te “volgen”, wéét je niet. Een sprong in het
zwarte gat moet je wagen.
HVC: Ambacht – in die zin dat
Michaël Borremans ook als schilder naast de genoemde ‘genialiteit’ ook ‘een
ambacht’ bezit – is er in jouw werk niet te bespeuren.
DD: In een werk van een schilder moet je daar meestal wel ‘de hand’ in
zien. In mijn werk is dat niet zo belangrijk. Alhoewel dit bij een schilder ook
niet het voornaamste is. Het gaat om wat hij te vertellen heeft. Maar zo vond
ik dat bij het schilderen, het schilderen zichzelf in de weg stond. Ik ben er
dus nooit aan begonnen. Ook vond ik dat het maken van een schilderij al op
voorhand “gepatineerd” is: a-priori kunst. Het is beter dat de tijd
“patineert”.
Mijn werk begrijpen is mijn discours begrijpen. Esthetische ervaring
speelt minder een rol. Het vraag dus wel wat engagement van de kijker om te
zien dat al wat ik onderneem aan elkaar gelinkt is.
HVC: Als mensen niet mee zijn
met je werk en stomme opmerkingen geven, hoe ga je daar dan mee om?
DD: Ik kan er mee omgaan. Ik tracht dit te plaatsen.
HVC: Ik las dat deze expo wat
was opgevat als een archivering. Ik heb natuurlijk alles kunnen lezen wat in je
nieuw boek staat, maar velen komen hier binnen zonder background over je werk. Al
zullen het tenminste geïnteresseerden zijn met al enige achtergrond in cultuur
of kunst.
DD: Zelf vind ik mijn werk niet zo moeilijk. Ik betracht duidelijk te
zijn. Natuurlijk kan ik moeilijk inschatten hoe mijn werk wordt gepercipieerd.
Enige informatie is nodig. Maar ook zonder info en met wat engagement, moet het
lukken. Denk ik.
HVC: Kunst=communicatie voor
jou. Ik las dat galeries en co eigenlijk dienen als ontmoetingsplaats en het –
zeker op vernissages – veredelde ontmoetingsplaatsen zijn met eigen sociale
codes en gedragingen.
DD: Dat is zo. Proberen te doorbreken die handel!

HVC: Voor deze expo heb je een
nieuw werk gemaakt dat in de lijn ligt van je ouder werk. Een installatie waar
we in zes talen flarden tekst op de muur aantreffen, met in het midden een
glazen kast waar we allerhande documenten in vinden. Daarin ligt een brief waar
je aan de Dienst Burgerzaken van Waregem vraagt naar het aantal allochtonen –
mag dat woord nog gebruikt worden? – en hun nationaliteit. Er ligt ook een
boekje van BAM (Instituut voor Beeldende, Audiovisuele en Mediakunst) naast,
dat je ook in die zes talen liet vertalen. Dit doe je om de minderheden die
zich buitengesloten voelen aan te spreken.
Daarmee ben je niet aan je
proefstuk toe: zo laat je zelfs af en toe in een vreemde taal een stuk
verschijnen in een Nederlandstalige krant. Zo draai je het perspectief om: zo
voelen wij ook eens hoe het voelt dat buitenlanders onze kranten niet kunnen
lezen… Dat aspect is iets waar je graag mee speelt.
DD: Het gaat ook over het aspect van hoe taal een beeld wordt. Als je
een taal niet kan lezen, wordt taal een beeld. Dat speelt in mijn werk een heel
grote rol. Ik wil met talen werken die enorm afwijken van ons alfabet. Voor de
Be-Part installatie had ik geluk. De zes talen die ik koos op basis van het
grootste aantal allochtone medeburgers in Waregem, waren toevallig talen die aan
mijn concept tegemoet treden: het Turks, het Arabisch, het Oekraïens, enz…

HVC: Vorig jaar heb je in
croxhapox te Gent ook iets soortgelijks gedaan: je hebt de tekst met de
doelstellingen van het experimenteel kunstencentrum croxhapox vertaald in de
tien talen van de allochtone Gentenaars en die op de witte muren aangebracht.
DD: Voor mij gaat het vooral om de attitude. Je kan moeilijk
verwachten dat de totale Turkse gemeenschap, om maar die taalgroep te noemen,
naar het werk komt kijken. Daar is het mij niet om te doen. Hen
vertegenwoordigen via hun taal, daar gaat het om.
HVC: Wat wil je dan vooral
duidelijk maken of aankaarten? Dat ze nog meer werk moeten maken om “onze
anderstalige medemens” Nederlands te doen leren?
DD:  Wat ik hier gemaakt heb, in
Be-Part,  is alleen maar te bezichtigen
voor mensen die hier komen en ik ben me ervan bewust dat we hier heel weinig
allochtonen zullen zien. Bij de anderstalige inlassingen in kranten is dit
anders: het werk ligt dan bij wijze van spreken bij de krantenboeren op
duizenden exemplaren voor het grijpen.
HVC: Wil je ons,
“kunstminnaars” dan duidelijk maken hoe die mensen zich dagelijks voelen?
DD: Ik wil vooral bloot leggen hoe dingen werken. Een krant moet
verkopen. Er zijn heel wat elementen die spelen. Ik had aanvankelijk gedacht:
“Ik ga een volledige voorpagina van een krant in het Arabisch maken.” Maar de
meeste kranten hebben op mijn voorstel niet gereageerd. Wel heb ik met het Belang
van Limburg – een echte volkskrant – kunnen werken. Maar Marcel Grauls, de man
binnen HBVL die mijn idee genegen was, heeft de redactie nooit kunnen
overtuigen om een volledige pagina in het Arabisch te laten verschijnen. Wel
heb ik 50 inserts kunnen realiseren
gedurende 50 dagen, elke dag een andere taal, met daarnaast een interview met
die anderstalige persoon, maar dan in het Nederlands uitgewerkt. ‘Brugge 2002’ – Brugge was toen
culturele hoofdstad – heeft me geholpen met het financieren van de vertalingen.
De ruimte in de krant was gratis.
HVC:. Hiermee probeer je de
ruimte tussen media en reclame open te breken.
DD: Het gaat eigenlijk over ‘vertegenwoordiging’. Het is heel simpel:
men is vertegenwoordigd met zijn taal binnen een andere taal. Het project
noemt: ‘Nice to also be represented’.
Het feit dat ik de dure krantenruimte niet heb moeten betalen ligt aan
het enthousiasme van de krantenmensen ten opzichte van het project. Je komt dit
eigenlijk niet vaak tegen.
HVC: Is dat ‘krantenverhaal’
voor jou nu uitgewerkt, of ben je hiermee nog niet aan het einde van je Latijn?
DD: Mocht ik nog een kans zien…
HVC: Even wat letters uit je
kersvers boek halen en kijken wat Johan Pas allemaal schrijft in zijn
interessant betoog:
“Zijn vroege werk kan begrepen
worden als een breuk met de picturale en sculpturale dogma’s van de jaren ’60.
In de jaren ’70 is er een conceptuele strekking die door België loopt. “
In de jaren ’70 experimenteerde
jij meer met assemblages van gevonden materialen als jute, plastic zeil,
takken, hout… Je maakte ook tekeningen met touw en takken… werk dat naar ‘Arte
povera’ neigde. Bij jou heeft zich dat geuit in een projectmatige werkwijze die
in de jaren ’80 meer een object- en installatie gerichte wending zal krijgen.
In ’73 kreeg je een artistieke
AHA erlebnis door de ontdekking van het boek ART POVERA? Actual or impossible
art? Heeft dat boek je meer geholpen dan het kunsthumaniora?
DD: Jaja, dat zal wel zijn… Ik was toen 18 jaar en dit boek verruimde
ongezien mijn blik.
HVC: Ok, je wilde toen
kunstenaar worden, maar lag je dan niet wakker hoe je je brood zou kunnen
verdienen?
DD: Ik heb dat eigenlijk volledig gescheiden gehouden: voor mij zijn
dat twee verschillende dingen. Als je wilt je brood verdienen met kunst, dan
moet je een ander soort werk maken. Oh ironie van het lot: ik ben bibliothecaris
geworden in de academie waar ik zo tegen was…
HVC: Ik vind veel kunstenaars
‘té veel’ kleine zelfstandigen.
DD: De middenstands bleus – opletten wat je zegt, eigenlijk zeg je
best gewoon niets – het leven is té ingewikkeld. Nu ben ik van de school af. Het
kunstenaarschap heeft voor mij iets heroïsch. Economische realiteiten doen hier
vaak afbreuk aan.
HVC: Dan heb je nu nòg meer
tijd om met je werk bezig te zijn.
DD: Ik heb altijd tijd gehad om met mijn werk bezig te zijn. Het is
een triviale gedachte dat als je een job hebt, je niet met je werk zou kunnen
bezig zijn. Ik ben daar altijd mee bezig geweest. Het maakt weinig uit.
HVC: Afbakening als
toe-eigening (Johan Pas): in jouw carrière zijn er veel thema’s waar je
blijvend mee bezig bent geweest en nog mee bezig bent. Een voorbeeld zijn je ‘afbakeningen’.
Zo heb je je foto’s van stopborden of je guerrilla-interventies, zoals toen je
bijvoorbeeld de toegang van het Groeningemuseum van Brugge met kleefband
afplakte. In plaats van dat je met je werk in het museum geraakte – zoals het
eigenlijk zou moeten zijn – eigende jij je eigenlijk het museum als werk toe. Dit
als idee van de toegeëigende artistieke ruimte.
Of zo bakende je je
tentoonstellingsruimtes af met brede kleefband. Zo schilderde je de vloer zwart
en schilderde je – je doet het nog – de ruimte in vierkante centimeter in witte
verf op de grond.
Erna ben je ook meer van de
fysieke naar de verbale afbakening bent gegaan. Zo heb je in ’78 met Flor Bex
ook een boekje ‘Verboden toegang’ gemaakt met die foto’s van stopborden
waarover ik het had.
DD: Overal waar ik ga en zo’n bord met ‘Verboden toegang’ of ‘Private
eigendom’ zie, fotografeer ik. Zo heb ik een gans archief in zwart-wit en
kleur.

HVC: Word je dat nooit beu?
DD: Wel, het is niet iets waar ik me constant op fixeer, dat is iets
wat gewoon gebeurt naast de andere interventies die ik doe. Ik zoek die borden
niet op, ik kom ze tegen. Het zijn ook heel fysieke beelden: ze maken het tekstueel
heel duidelijk: ‘Geen Doorgang!’ Veel heeft te maken met territorium. Op
microvlak: elk heeft thuis wel zijn eigen private domein. Op macrovlak: oorlogen
om grenzen, om ideologieën, enzovoort. Ik denk ook dat hoe dichter mensen op
elkaar leven, hoe meer ze de neiging hebben hun terrein af te bakenen. Het
ultieme is wel het tekstueel te laten weten. In de weide vlakten in Schotland enz.
kom je dat bijna niet tegen.
HVC: Ergens zeg je dat het
woordje ‘kunst’ soms symbolisch al voldoende is om gewicht in de schaal te
leggen en mensen te overtuigen om hun routines even te laten varen.
DD: Kunst is een soort kapstok om dingen kwijt te kunnen die je in
andere milieus minder kan.
Alles is contextueel. Haal een werk uit de kunstcontext en het is geen
kunst meer, enfin, het oude verhaal… Marcel Duchamp heeft daar al lang iets
over gezegd.
De teksten in andere talen die in die kranten verschijnen, worden
aangeboden als kunst. Dit idee, die inlassingen in kranten, is vanuit een
reflectie over kunst gegroeid. Ik noem mij kunstenaar, dit omdat mijn
activiteit niet voortspruit uit een ander gedachte dan het maken van kunst. Ik onderneem
dingen die anderen niet ondernemen.
HVC: Jezelf kunstenaar noemen
is toch wel een statement, vind ik altijd. Dat heeft toch altijd te maken met
een soort zelfvertrouwen: “Ik kan iets wat jullie niet kunnen.”
DD: Het ondernemen van iets dat anderen niet ondernemen is toch het
minste waar je je als kunstenaar bewust moet van zijn.

HVC: In ’87 lijk je je te
verzoenen met de marginale maatschappelijke positie van de kunstenaar. Je legt
je daardoor toe op tautologische objecten en installaties. Zo begin je meer te
werken met microfoons, luidsprekers,… (Johan Pas)

Zo heb je bijvoorbeeld een
luidspreker en een microfoon in een galerie geplaatst, maar de microfoon hing
je tegen het plafond. Dat zou kunnen begrepen worden als een appél aan het
publiek om het woord te nemen, alleen hangt de microfoon superhoog. Het is een
metafoor voor massamedia, het eindeloos spreken zonder dat er iets gezegd
wordt, de overvloed aan interactiemogelijkheden… (Pascal Gielen)
DD: Ik denk vooral dat het gaat over conditionering binnen het
kunstmilieu. Als je een microfoon op spreekhoogte hangt, kunnen de mensen
daarin spreken en kunnen alle soorten banaliteiten in de ruimte gallen. Wanneer
de micro zo hoog hangt, hangt dat bijna sacraal en krijgt het als het ware het
statuut zoals van een schilderij: het krijgt iets afstandelijks. Hier wordt impliciet
gezegd dat het werk een autonomie heeft waar je niet mag aankomen. Zou het kunnen
een ‘Verboden Toegang’ zijn?
HVC: Wil jij met je werk ook
een spiegel voorhouden?
DD: Ja, maar je moet het wel op zo’n manier doen dat het subtiel is en
het niet als een statement wordt gebracht en dat geen gelaagdheid heeft.

HVC: In 2003 heb je het
kunstwerk: ‘I’m on holiday’ gemaakt voor de expo ‘Reisdromen van artiesten’.
Daarmee wilde je de eigenaardigheid van het kunstenaarsberoep aangeven, want
kunstenaars, gaan die wel op vakantie? Of hoe gaan ze op vakantie? Want een creatieve
geest kan altijd en overal werken. Het scheppend idee is onbepaalbaar en
onbereikbaar, maar anderzijds hebben jullie ook recht op vakantie. (~Pascal
Gielen)
DD: Ik heb dat werk natuurlijk ook weer gemaakt vanuit sociologisch
standpunt. Ik wilde geen werk maken als een soort escapisme voor de kijker. Ik
was zelf op “escape”. Daarom is ‘I’m on holiday’ zowel een statement als een
heel concreet werk. Het geeft aan: “Ik ben er mentaal en fysiek ook wel niet”. En
ik laat dit je muurweids weten.
HVC: Als kunstenaar moet je
‘vrij’ zijn, maar ook vooral ‘vrij van denken zijn’ om te kunnen dromen, waarvoor
je je mentaal ook moet kunnen afsluiten van ‘de vlak makende buitenwereld’.
DD: Het is dubbel hé… ‘I’m on holiday’ heeft ook een gelaagdheid: ik
vind het een sterk werk. Het is bijna geen kunst meer. Dat heb ik wel met vele
zaken die ik maak, dat ik denk: dat gaat er hier echt over.

HVC: Een ander werk van jou is:
‘Daniël Dewaele, kunstenaar, beeldend kunstenaar, ‘Spreekuren’’…
DD: Ik heb dat in zo’n typische ‘spreekurenkast’ voorgesteld van een
advocaat. Ik wilde daarmee zeggen: een kunstenaar wordt eigenlijk geacht om
beelden te maken. Alles wat hij vertelt over zijn werk, is feitelijk inferieur
aan het maken van een beeld. Eigenlijk heb ik dat gewoon vertaald naar een
sociologisch standpunt: ik hang dat bord aan mijn muur, terwijl ik als beeldend
kunstenaar eigenlijk geen spreekuren heb. Ik ben ook niet consulteerbaar, want
ik maak beelden, wat niet altijd uit te drukken is in taal.
Ik was in die tijd veel Wittgenstein aan het lezen en aan het denken
hoe je iets concreet kan uitdrukken in taal en wat het verschil is tussen een
beeld en een vertaalde transmissie. Want dat zijn twee verschillende zaken: het
ene staat er en het andere is een vertaling. Terwijl je een beeld eigenlijk
nooit kan vertalen, anders zou dat beeld bijna niet behoeven…
HVC: Lees je bewust
‘interessante stuff’ om zo op ideeën te komen?
DD: Neen, ik lees niet bewust daarvoor. Ik lees de dingen die op mijn
weg komen. Het is daarom ook niet dat Wittgenstein mij inspireert, alleen maakt
mij dat nog eens dingen duidelijk waar ik mee zit.
HVC: Sinds ’77 deel je al
kaartjes uit op je expo’s met het opschrift ‘You’re my favourite work of art’.
Uiteindelijk zijn dat maar zeven woorden, maar uiteindelijk blijft het voor jou
sterk genoeg om dat al 35 jaar te gebruiken…
DD: Raar maar waar, maar dat blijft nog altijd functioneren. Wat stel
ik daarmee eigenlijk in vraag? Dat er twee dingen zijn: je hebt de mensen – de
bezoekers, de kijkers – en je hebt de dingen die aan de muur hangen. De dingen
die aan de muur hangen kunnen ook niet zonder mensen. Want wat zou je daar dan
mee zijn? Dan zouden het dingen zijn “die maar aan de muur hangen”, terwijl het
eigenlijk wel dingen zíjn die aan de muur hangen. (lacht) Het intermenselijk
aspect is eigenlijk ook heel belangrijk. Daarnaast heb je ook het verrassende
aspect: mensen zijn meestal even van hun melk als ze zo’n kaartje met die
woorden op krijgen.
HVC: Uiteindelijk blijft de
mens creëren nog altijd het mooiste kunstwerk…
DD: Ik vind dat werk nog altijd een statement, omdat het in feite nog
altijd zo ís. Je hebt objecten en beelden en daarnaast heb je de mens.
HVC: Pascal Gielen zijn laatste
woorden in je boek zijn: “Al meer dan drie decennia leert zijn oeuvre ons
vooral hoe we die openbaarheid nauwkeuriger kunnen begrijpen”.
DD: Dat denk ik wel. Ik “verklaar” met mijn werk een aantal zaken. Laat
me nog eens terugkomen op “You are my favourite work of art”: “You are my favourite work of art” stelt de kunst
tegenover het leven.
Ad Reinhardt, de Amerikaanse abstracte schilder,
heeft ooit gezegd: “Het verschil tussen kunst en niet-kunst is dat kunst a
priori dood is, verstolt in haar objectmatige “zijn”.
HVC: Kunst ligt voor mij ook meer
in de weg er naartoe, dan in het effectieve eindresultaat…
DD: Heel juist Hilde!
We maken nog een wandeling door
BE PART…

HVC: Mensen komen binnen en
onmiddellijk links zien ze je video uit 1980: ‘Over het ICC’, het
kunstencentrum waar je in de jaren ’70 graag vertoefde.
DD: Dat zijn interviews die ik genomen heb voor de deur van het ICC in
Antwerpen, vragende of ze het ICC kennen, of ze er soms gaan, enz. Ik heb er
dan een installatie mee gemaakt: op de muren zag je wat het ICC tot dan toe gerealiseerd
heeft en de video vatte ik op als een open structuur.
De mensen op straat konden zeggen wat ze wilden… Zo’n propositie kon
dan.
HVC: We passeren eerst je
specifieke installatie voor Be part en als
we verder wandelen, zien we in kijkkasten je ‘Inserts’/inlassingen in andere
talen. Het zijn gepubliceerde vertalingen, zoals in de Metro, het Belang van
Limburg… In feite is het toch vooral jij die dan een binnenpretje hebt als je
zo’n Metro uit zo’n kastje neemt? Want 95% van de pendelaars heeft niet door
dat het als ‘kunstwerk’ bedoeld is…
DD: Inderdaad, de meesten gaan dat waarschijnlijk heel bizar vinden,
zo’n stukje buitenlandse tekst, maar in feite vind ik dat heel poëtisch. Wat ik
ook interessant vind, is dat zo’n krant ook een hele historiek van het moment
met zich meebrengt: naast het concept waarover het eigenlijk gaat, de
inlassingen in vreemde talen, duiken beelden en teksten op  die je automatisch ook mee introduceert.


HVC: Je ziet er inderdaad de
tijdsgeest in: een insert in ’92, het
is de tijd dat Helmut Lotti nog haar had, zie ik hier naast een kunstwerk van
jou.

HVC: Ik zie hier ook een ‘Witte
Raaf’ liggen, ‘dé moeilijke kunstkrant voor de totaal ingewijden’ en onleesbaar
voor leken bijna…
DD: Voor dat project heb ik de woorden ‘Niet iedereen leest de Witte
Raaf’ laten drukken. Ik ben daar heel duidelijk, denk ik. Het is natuurlijk een
dubbel verhaal, want de Arabieren of Hebreeën kunnen de Witte Raaf al helemaal niet
lezen. 
HVC: Ik zie hier een micro op
een staander voor een blanco schilderij. Je zou kunnen denken dat dit het
letterlijke beeld is van een schilderij dat spreekt.
DD: Neen, het gaat terug om de onmogelijkheid dat een beeld kan
spreken. Het is het verschil tussen taal en beeld: het is een beeld, maar het
is ook een ‘stom’ beeld en door het feit dat je eigenlijk een schilderij
ondervraagt, maakt duidelijk dat je eigenlijk met twee dingen zit: je zit met
een beeld en je zit met een taal buiten beeld.

HVC: Wat toon je hier in deze
etalagekast?
DD: Dit is een werk uit ’77. Ik heb een hele tijd van die kleine dozen
gemaakt… Waar dit werk over ging? “Hoe kan je subjectiviteit elimineren? “ Je
kan dat maar op één manier en dat is door het te herleiden naar de wiskunde.”
Dan dacht ik: ik maak dozen met afmetingen op en door het feit dat je die
cijfers in cm2 er op zet, wordt dat ook weer heel raar: je leest 10.306,068 cm2…
Maar eigenlijk is het wel juist. Dan zat ik ook met het fenomeen: “Hoe kan je
nu de prijs van een kunstwerk gaan bepalen?” Ik dacht toen dat je dat het best
kon doen als je dat reduceert naar een volume: een kunstwerk van 100.000 cm2 is
duurder dan een kleintje…
HVC: Dat gebeurt in galeries…
Mensen die je achtergrond niet
kennen, denk jij dat ze gemakkelijk in je werk komen?
DD: Ik denk niet dat ze het doorhebben, maar ja, enig denkwerk is
vereist, niet?


HVC: De ‘Stops’…
DD: 432 zwart-wit foto’s in het totaal, een werk van 23 meter lang.

HVC: ‘De organisatrice laat
weten dat de lezing door Daniël Dewaele: ‘De kunstenaar verklaart de volledige
werkelijkheid’, volledig is afgelast. ‘
Dit werk spreekt al meer tot de
verbeelding…
DD: Dit heeft ook veel te maken met die dozen, maar dat moet je ook
niet allemaal gaan zeggen. Die microfoon heeft eigenlijk ook te maken met die
dozen. Het is ook een mogelijkheid, een illusie: je maakt iets wat heel evident
is, of op zich zou moeten evident zijn…


DD: Hilde, je loopt naar beneden, maar je hebt een kunstwerk zelfs
niet opgemerkt. Het is een subtiel werk, dus ik vergeef je. (lacht)
HVC: Oei,… inderdaad, nu je het
zegt: ik zie allemaal landen en cijfers ernaast.
DD: Als je van hierbinnen kijkt, zie je de hele Waregemse bevolking.
Als je van buiten kijkt, dan zie je de hele Waregemse bevolking die hier níet
binnen is. Het werk noemt dan ook: ‘Binnen is niet gelijk dan buiten.’ Het werk
was nog toffer geweest als je niet keek op een groen grasveld met omsloten
muur, maar op Waregem zelf.

HVC: We zijn hier nu in de kelder
van BE-PART en wat me het eerst opvalt is een diaprojector en een bakje met
bundels stencils. Bij nader kijken, blijkt daarop te staan: ‘Kunst tegen
werkloosheid’.  Ik lees op het bijhorende
kaartje dat het werk uit 1979 is. De zwart-wit dia’s die voorbijglijden zijn
tekenend voor die jaren. Door de korrel van de dia en het lawaai van de
diaprojector, heeft het werk ook een bepaalde charme. Werkloosheid is nog
altijd relevant. Waarom hoorde dit werk bij deze expo?
DD: Ik beschouw het, samen met “Kunst tegen Apartheid” ,als een
sleutelwerk. Dat gaat over iets heel concreets: werkloos zijn en je onderwerpen
aan de dagelijkse controle. Het is een werk dat een sociale problematiek
aankaart. Uiteindelijk is het een vraagstelling: waardoor?
Ik besef wel dat je een introductie tot dat werk nodig hebt. Die
fotokopieën van de toen (1979) en de verschenen publicatie kunnen daarin
behulpzaam zijn. Als kunstenaar kan je moeilijk inschatten hoe je werk wordt
geconcipieerd.
Maar het tikkende geluid van de verspringende dia’s doen mij denken
aan het afstempelen van de dopkaarten. In die twee werken zeg ik niet dat het
kunst is, maar gebruik ik het begrip “kunst” alsof het een instelling is die
een ethische uitspraak formuleert… Hoe minder kunst in die tijd (1979) op kunst
leek, hoe interessanter ik dit vond.

HVC: In de vitrinekast ligt een
plumeau waaraan een kaartje hangt: ‘For works of art only’, uit 1989…
DD: Ik had die plumeau eigenlijk liever ergens gehangen in de ruimte,
maar hij zou er nooit opvallen…
Er zit een dubbele bodem in die tekst: eigenlijk bescherm ik die
plumeau als een kunstwerk. De plumeau zou eigenlijk gewoon als een plumeau moeten
gelezen worden. Omdat het in feite dient om het kunstwerk af te stoffen. Er zit
in de presentatie een kleine denkfout, maar goed, het zal wel eens opgelost
geraken.
Kijk, een schilder hangt zijn schilderijen aan de muur. Ik weet ook
wel dat dat niet gratuit is en dat hij zijn schilderijen op een bepaalde manier
op een bepaalde hoogte hangt, maar bij mijn werk is dat soms problematisch om
juist over te komen omdat ik juist de grens opzoek in wat kunst is, wordt, of
niet is of wordt…
HVC: … en juist gelezen dient te
worden.
In de tweede kelderruimte valt 1.430.804
cm2 op. Witte geschilderde cijfers op een zwarte vloer…
DD: Dit is een remake van een werk uit 1977.

HVC: Voor jezelf is het een
compliment als een werk 35 jaar na datum nog altijd werkt.
DD: Ik heb het gevoel dat dit met al mijn werken nog zo is: het is toch
opmerkelijk hoeveel jonge curatoren dit soort werk nu interessant vinden. Een
jonge Roemeense curator toont nu ook mijn werk in Extra City in Antwerpen. Het
is net of de jaren zeventig terug zijn.
Napraatje aan de keukentafel van
BEPART:
HVC: Hoelang zie je je nog
verder je oeuvre uitbouwen?
DD: Zo lang mogelijk.
HVC: Was kunst maken voor jou
al die jaren een manier van leven of van overleven? Of een manier ‘om iemand te
zíjn’? Of als creatieve bliksemafleider om structuur in de chaos te krijgen?
Of… ?
DD:  Neen het heeft alles te
maken met mijn poging om aspecten van de werkelijkheid te begrijpen, met het
vat krijgen op dingen die ik wil bevatten. Ondanks de relatie tot het sociale
is mijn werk eigenlijk toch heel persoonlijk, vind ik.
HVC: Hoe zit het met het
internationale verhaal? Had je daar al verder willen staan? Wil je daar nog wat
ferme moves voor doen?
DD: It takes two (or
more) to tango!
HVC: Welk aspect van de kunst
kan je nog tot op de dag van vandaag overdonderen?
DD: Alles herhaalt zich vandaag te veel. Hoe moet je daar als museum
mee omgaan?
HVC: Naar welke kunstenaars of
mensen in de kunst kijk je op?
DD: Raar maar waar, ik hou van het werk van Goya én Francis Bacon.
HVC: Heb je nog een boodschap
aan de Belgische kunstscene?
DD: Dat zou zeer pretentieus zijn maar….
HVC: De boodschap is:
Ik ga het in je oor fluisteren Hilde…
Hilde Van Canneyt, copyright 2013.
Nieuwe publicatie:
‘Selected projects’, 2012, Art Paper Editions (www.artpapereditions.or
g)
Daniël Dewaele stelt tentoon:
BE-PART
Westerlaan 17
B 8790 Waregem
+32 (0) 56 62 94 10
Open van zondag tot en met
vrijdag van 11u00 tot 17u00,    
Op zaterdag enkel op afspraak voor groepen
Gratis toegang
Elke zondag tijdens
tentoonstellingen: gratis gidsbeurten voor 

individuele bezoekers.
www.facebook.com/bepartwaregem
DANIËL DEWAELE,
SELECTED PROJECTS
25.11.1227.01.13

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.