Categorieën
Interview Media

Interview met Ricardo Brey

RICARDO BREY (CU °1955), Gent, juli 2020.

Hilde Van Canneyt (HVC): Beste Ricardo, we zitten hier in het midden van je atelier. Hoe ziet het begin van je dag er uit? Hoe moeten we ons dat inbeelden? ‘s Ochtends wakker worden, douchen en de deur hier openzwaaien? En weet je al onder de douche, wat je gaat maken? Of is dat pas wanneer je naar hier komt en dingen begint vast te nemen en te verplaatsen?

Ricardo Brey (RB): Nee. Ik laat de voorgaande dag altijd iets achter. Ik weet bijvoorbeeld dat ik iets moet plakken. Ik kan het doen, maar ik stel het dan liever uit tot morgen. Op die manier hoef ik niet steeds vanuit ‘het koude’ te starten.

HVC: Sommige schrijvers doen dat ook. Ze weten wat ze willen schrijven, maar stoppen net voordat ze klaar zijn, zodat ze de volgende dag snel weer in het verhaal geraken.

RB: Ja. Het is net als opwarmen. Je hoeft niet steeds opnieuw vanaf nul te beginnen. Je begint vanaf tien. Het is moeilijk om vanaf nul te beginnen. Soms gebeurt dat. Je werkt een werk af, het ís af, maar ik probeer liefst het het liefst pas de volgende dag af te maken.

HVC: Wanneer je denkt: “Het is af.” Wat doe je dan? Signeer je het?

RB: Ik signeer mijn werk enkel wanneer het mijn atelier uitgaat. Als het er nog hangt, kan je het nog steeds aanpassen. Het is niet af totdat het mijn atelier verlaat. Sommige tekeningen beschouw ik pas als af wanneer ze ingelijst zijn, wanneer ze van mij beschermd worden, achter glas.

HVC: Dat is wat je ook deed bij Universe. Dat was een soort lockdown gedurende een half jaar. Je tekende en tekende (maar door), totdat je meer dan duizend tekeningen had en deze vervolgens in glazen vitrines tentoonstelde. Totdat je voelde “Nu worden ze van mij en van de buitenwereld beschermd.”

RB: Het is soort van… er is altijd een soortement twijfel. De gezonde twijfel over wanneer een werk af is. Het is volgens mij beter om deze twijfel tot het laatste moment te hebben. Het lijkt me gezond niet te zeggen “Dit is definitief en onherroepelijk af.” Soms is dat moeilijk.

HVC: Soms is het werk nooit af. Het is altijd aan het overleven.

RB: Ik herinner me dat wanneer ik in Japan was; de museumdirecteur een prachtig werk had van Joseph Beuys. Het zag er erg spontaan uit. Maar de directeur herinnerde zich dat Beuys er een hele dag aan had gewerkt. De actie ziet er spontaan uit, een soort geniale verrukking, maar nee! Hij ging de hele tijd naar de tuin waar hij bloemen plukte… De directeur vertelde me dat ze hem in het geniep aan het bekijken waren. Hij rook aan de bloembladeren, tekende enkele lijnen en wiste ze vervolgens weer uit. Ik hou daarvan, want dat is niet iets dat je in de boeken ziet. Dit is iets dat zo privé is, dat enkel de herinnering van iemand die er bij was je dit inzicht kan geven in hoe de dingen waren. En ik hou ervan, want ik herken dit gevoel. Uiteindelijk lijkt het alsof de kunstenaar bezeten werd door een soort gekte en “Poef”, maar dat is niet zo. Alhoewel, soms ervaar je wel dat soort adrenaline. Maar andere keren is het een erg verschillende werkwijze. De adrenaline zit dan in het werk, niet in jou.

HVC: Als een blad in de wind…

RB: Maar het gebeurt niet altijd zo. Het verschijnt niet steeds op die manier.

HVC: Je werkt graag met gevonden objecten. Je gaat naar rommelmarkten en gebruikt dan je verbeelding om dingen samen te brengen. Het is enerzijds een verhaal in je hoofd en anderzijds is het zoals wanneer iemand een schilderij maakt en denkt “Ah, die kleur of die vorm werkt.” De inhoud en de vorm zijn zowel simultaan als in interactie met elkaar. Je doet iets spontaans waarna je denkt “Oh, dit kan dat zijn.”

RB: Ik denk dat het een strategie is die ik ontwikkeld heb door geboren te zijn in Cuba. Daar is niets afval, niets wordt weggegooid. Alles heeft nut. Dat geeft me een soort mentale gereedschapskist. Hier hebben we erg veel dingen. En de associatie die gebruikelijk hier wordt gemaakt, is die met Duchamp’s readymades. Maar die zijn, als ik dat zeggen mag, een soort van stap in het culturele. Ze komen niet van binnen in de cultuur. Het is anders wanneer je een readymade maakt in Afrika, want daar gaat het van binnen naar buiten. Het is niet iets dat daar geplant wordt. Duchamp heeft dat idee hier binnengebracht, maar op vele plekken – ik durf zelfs te zeggen in meer dan de helft van de wereld – zijn de dingen anders. Daar komt het van binnenuit, vanuit een noodzaak, je hebt iets nodig en je gebruikt het. Dat is wat ik probeer te benaderen. Hier ben ik vol… Ik vertoef hier in luxe, omdat ik alles gebruiken kan.

HVC: Je bent ervan bewust dat alle voorwerpen een luxe zijn. 

RB: Ja. Ik geef ze graag een tweede kans.

Light up, 2019

HVC: Daarom respecteer je de dingen. Wanneer je driedimensionale tekeningen maakt, creëer je een soort van nieuwe wereld voor ons. Een wereld die niet altijd de mooiste is. Je houdt van wat je maakt. Het is ook een middel om de werkelijkheid met andere ogen te bekijken. Je gelooft in de kracht van kunst wanneer je dingen maakt en  samenbrengt. Dit is ook het geval bij jouw tentoonstellingen, die zijn niet ‘proper’. Je maakt werkelijk een vloeiende wereld. Het is allemaal eenzelfde poëzie. Je wilt ons iets geven en hoopt dat wanneer we de tentoonstelling verlaten, we in een andere wereld zijn of op een andere manier nadenken over de wereld.

RB: Ik denk… je betaalt al een ticket om naar een museum te gaan. De bezoeker heeft al tien Euro betaald, dus als kunstenaar moet je gul zijn. Je moet het publiek iets geven. Of ten minste toch tonen hoe jij de werkelijkheid ervaart, hoe jij kunst ziet. Je moet tonen wat jouw ervaring met het leven is. De soort ervaringen die je als persoon meemaakt. Ik hou erg van het werk van Argentijnse schrijver Julio Cortázar. Die heeft iets heel erg moois gezegd in het boek La vuelta al día en ochenta mundos. In het boek gaat hij naar een concert van Louis Armstrong, de jazzmuzikant. Op het einde van een prachtige beschrijving van dat concert zegt hij: “Nou, nu is Louis Armstrong,” – die op dat moment al erg oud was – “terug in zijn hotelkamer. Hij doet zijn das uit, rust… Maar wij hebben allemaal nog steeds een kleine Louis Armstrong in ons hoofd, die nog steeds trompet aan het spelen is.” Dat is voor mij werkelijk prachtig. De herinnering aan wat je doet als artiest: blijven spelen, blijven schilderen, nog steeds iets geweldigs blijven doen in het hoofd van degene die naar kunst kijkt. En dat kan permanent zijn.

Every life is a fire, 2010. Installation view 2015 Sint Paulus Church, Antwerp

HVC: Jij verbindt je werk af en toe aan muziek en ritme. Muziek zou misschien jouw weg kunnen-geweest-zijn, maar die heb je niet gekozen. Je koos voor de beeldende kunsten. Hier in Vlaanderen toon je ons dingen die wij niet kunnen zien, omdat je uit een andere cultuur komt, waardoor je ons nieuwe dingen kunt brengen. Je werkt onder andere met Afrikaanse kunst en kunst van hier. Je wilt deze niet op een cliché manier verbinden, maar je vindt het fijn wanneer ze overlappen.

RB: Weet je… Wat is puur Westerse cultuur? Dat weet ik niet. De Grieken bootsten de Egyptenaren na om hun klassieke kunst te maken. Bij vele dingen die wij pure Westerse cultuur noemen, ligt de achtergrond soms zelfs in Azië. Soms weten we zelfs niet waar dingen vandaan komen. Dat vind ik erg interessant. Nu gaat het debat over “Dit ding behoort mij toe.” In het verleden gaf hier echter niemand om. Wanneer Byzantium, Alexandrië of Athene gebouwd werden, was niemand op die manier aan het nadenken. Mensen dachten volgens kosmopolitische parameters. Kosmos. We zijn in de kosmos. Niet: “Dit hoort me toe, want ik ben Griek.” Dit idee van cultuur als bezit is recent. Het gaat over macht en discriminatie, dingen die nu geopenbaard worden. Mijn laatste serie werken gaat over het hedendaags gebrek aan geloof in het Westen. De tempels zijn allemaal leeg. Deze sculpturen die aan de muur hangen, zijn imitaties van waterspuwers uit de Gotiek (titels: Rustic Vessel, 2019; Converse, 2018; Decoy, 2019; In Its Sleep, 2020). Gedurende de voorbije dertig jaar is mijn landschap het gotische geweest. Dus zijn er stukken van de barok en de gotische kathedraal. Maar ik voeg er iets extra’s aan toe zoals dat paar schoenen en die vogel die daar hangt. (wijst naar enkele werken in zijn atelier, red)

Rustic Vessel, 2019
Western Canon, 2018

HVC: Zijn deze werken al tentoongesteld?

RB: Sommige zijn al getoond.

Adrift, Museum De Domijnen, Sittard (NL), 2019

HVC: Hiervoor maakte je meer ‘stukken’, daarna besloot je geen individuele stukken meer te maken, maar meer in series te werken. Zoals, bijvoorbeeld, de 1004 tekeningen en nu ook de Boxes. Je wilt je werk beschermen.

Je werkt graag in kleinere dozen, wat het werk tegelijk ook figuurlijk en letterlijk “beschermt”.

RB: De Boxes vloeien voort uit wat ik aan het begin aan het uitleggen was, van wanneer ik al die tekeningen aan het maken was voor Universe. Er komt een moment, wanneer je aan een vijfhonderdtal tekeningen zit, dat je een plek nodig hebt om ze te bewaren. En je moet ze ook tellen. Dus ik begon ze in dozen te stoppen. En ik begon van dat tellen te genieten. Een, twee, drie, vier, vijf… Dit gevoel van onthulling en magie vond plaats, omdat ik soms vergat welke tekeningen er in zaten. Ik zag ze opnieuw en dacht: “Ah! Dit is prachtig.” Toen had ik door van: “Oh, in de Middeleeuwen keken mensen niet naar schilderijen op de manier dat we er nu naar kijken.” Ze werden bewaard achter een gordijn of achter een deur. Er was een soort van ontdekking. Nu is alles in het openbaar, aan de witte muur. Ik denk dat het openen, deel van de magie is.

Sutra, 2010 . JPG

HVC: Dingen gaan niet rap. Ze gaan traag, met respect. Net als een ritueel.

RB: Ja, dus zei ik: “Dat is een goed idee.” Het is best simpel. Dus toen begon ik de Boxes te maken. En ik vond het leuk, omdat dit kleine idee, net als in de middeleeuwen, vertrok vanuit de microkosmos en doorvloeide naar de macrokosmos. Het begon een zekere dubbele beweging te hebben. Van kleine naar grote dingen. Met de tijd begon ik te merken dat ons hoofd een doos is. Ons hart is een doos, we wonen in dozen en we beëindigen onze dagen in een doos. Dozen zijn er om kostbare dingen te beschermen. Ons hart wordt beschermd door een gehele doosachtige botstructuur. Ons brein wordt beschermd door deze perfecte doos, omdat het kostbaar is. Dus je begint deze doos-metafoor overal te zien. Het enige dat je nodig hebt, is een manier om dit over te brengen. Ik heb een prachtige uitspraak gevonden van een neoplatonische schrijver die zei: “Psychologische momenten hebben iets nodig dat hen kan vatten.” Zo begon ik verschillende versies van mezelf te ontwikkelen om de Boxes te maken. Verlengstukken van momentums, die wachten om iemand aan te trekken. Ze moeten niet noodzakelijk dezelfde persoon aanspreken. Ik vermenigvuldig mezelf, omdat wat wij ‘ik’ noemen, zo veelvuldig is. Het verandert met de tijd, het verandert in situaties, dus je kunt ermee spelen. Het gaat niet om stijl zoals bij een schilder, maar het gaat over een momentum dat je probeert te vangen.

Admission, 2019

HVC: En dat je probeert te redden. In je werk verwijs je ook naar de natuur, vogels… Het verweeft ook legenden, verhalen die je probeert te materialiseren. Het is ook een energie die er in zit die je “er probeert uit te halen”…

RB: In Japan is er een prachtige filosofie, de empathie naar objecten toe. Dat is moeilijk om over te spreken hier in het westen. Het westen wil altijd veroveren en nu, met de dekmantel van de wetenschap, is er geen empathie naar dingen toe. Maar in een ander deel van de wereld is er een andere filosofie, een andere manier van leven. Een soort empathie. Je komt aan bij deze dingen die verwaarloosd zijn en je zegt: “Wow, wat ben jij toch mooi. Laat me iets doen voor je. Je zou kunst kunnen zijn.” Dus je geeft ze een tweede kans. Je schenkt het anonieme de kans om een naam te hebben. Ze worden kunst. Dit is een kaart die volledig verandert hoe je kunst maakt. Je hebt respect voor de dingen. Het draait niet om het uitlachen van dingen. Ze zijn hier en dienen gerespecteerd te worden. Dat geldt voor alles, de natuur maar ook gevonden fietswielen.

Converse, 2018

HVC: Je hebt ook gesproken over de taui, over soefisme: dat alles terugkomt en hetzelfde is, maar niet volledig hetzelfde en dat we naar de dingen kunnen kijken met andere ogen.

RB: Wanneer jij kind was, deed je waarschijnlijk hetzelfde. Je ziet vloertegels, de ene zijn zwart en de andere wit. En je zegt tegen jezelf “Als je op de zwarte stapt zal je in een put vallen.” En je gelooft het! Je voelt de paniek! De angst is reëel. Kunst doet hetzelfde.

HVC: Wanneer je je kunst toont, wat voor feedback krijg je?: Wanneer word je hart het warmste? Nadat men zegt “Het was interessant.” of nadat ze zeggen “Het was mooi! Of moeilijk, of lastig.”?

RB: Nou… weet je… een van mijn beste herinneringen… Jaren na het maken van het werk van Documenta IV met Jan Hoet, was ik in een restaurant met een vriend en een kunstenaar uit Zweden die ik nog nooit eerder had ontmoet. Ik werd aan deze persoon voorgesteld, en ik vertelde hem mijn naam. Bijna in het midden van dit gesprek met deze twee kunstenaars, zei ik dat ik de persoon was die dat werk – Untitled, in Documenta – had gemaakt, en hij zei: “Dat werk herinner ik me…” Wat een compliment! Dertig jaar geleden maakte ik een kunstwerk en nu zegt deze persoon “Dat werk herinner ik me.” Niemand herinnert zich tegenwoordig iets! Mensen kunnen iets vergeten dat ze gisteren zagen.

Documenta IX, 1992

HVC: Ja, en we hebben al zoveel kunst hier in België.

RB: En over de hele wereld.

HVC: Het is anders in regio’s waar er niet zoveel kunst is als hier. Ik heb gelezen dat je gezegd hebt dat je hier in Gent je kunt concentreren op je kunst. Dat dat niet mogelijk geweest zou zijn in, bijvoorbeeld, New York. Dat je altijd buiten zou willen zijn of tegen mensen zou staan babbelen.

RB: Ik bedoel… mensen… kunst is nu iets om te consumeren. Het is niet iets dat je veronderstelt wordt je te herinneren. Voor mij is het belangrijkste dat wanneer iemand een tentoonstelling verlaat, dat ze zich deze herinneren, dat je je iets herinnert. Deze Zweedse kunstenaar kende mijn naam niet en hij herkende mij niet. Voor hem was ik gewoon iemand, maar hij zei wel: “Ik herinner me het werk.” Dat is het belangrijkste, want zoveel mensen herinneren zich de naam van de kunstenaar, maar niet het werk, omdat het werk niets is. Dat is erg triest. Het is beter zich het werk te herinneren. Ik weet de naam niet van de persoon die de Venus van Milo gemaakt heeft, maar ik weet wel dat het een goed werk is.

HVC: Heb je voor jezelf enkele sleutelwerken? Of is het eerder zo dat mensen iets zeggen over een bepaald werk en anderen het oppikken?

RB: Je voorziet dingen, maar je beslist niet wat mensen gaan kiezen. Ik reageer graag op basis van wat ik zie. In het MUHKA interviewde ik een maand lang mensen, zodat zij de Boxes konden openen. Ik wou de Boxes niet zelf openen. Andere mensen moesten ze openen. Dus ik zat tegenover enkele vertegenwoordigers en sprak met ze en vroeg ze, bijvoorbeeld, “Waarom wil jij de Box openen?” En we spraken over eender wat, niet uitsluitend over kunst. Ik liet het gesprek zo open mogelijk. Uiteindelijk was het niet ik die de Boxes zou openen, maar deze vrijwilligers. Het was een geweldige ervaring. In het begin vroegen ze: “Ricardo, wanneer het publiek ons iets vraagt over de Boxes, wat zeggen we dan?” en ik antwoordde daarop: “Vertel ze wat je maar wilt. Ik heb geen recept. Open de Box, luister en spreek. Het belangrijkste is open te zijn om te spreken.” En wat gebeurde is dat mensen tegen elkaar begonnen te spreken. Daar was ik heel blij om. Ik heb hen niet gezegd: “Deze Box gaat over dit en enkel over dit.” Ik liet hen beslissen waarover ze wilden spreken. De Boxes waren slechts een excuus om te communiceren.

Open Boxes by delegation, MHKA, 2015

HVC: Een interessant excuus.

RB: De mensen voelden zich vrij. Op dezelfde manier dat ik genereus was geweest door mensen mijn werk aan te laten raken, was ik genereus door hen te laten spreken over wat zij wilden zeggen. Nu in Duitsland, in Bremen, deed ik hetzelfde. Ik liet hen driemaal van tentoongestelde Box veranderen. En ik probeerde de mensen te betrekken in gesprekken. Ik heb een prachtige mail ontvangen van de museumdirecteur, Dr. Arie Hartog, waarin hij zei dat bezoekers onmiddellijk gesprekken begonnen te voeren over wat ze zagen. Voor mij is dat erg belangrijk, omdat mensen naar musea gaan, maar ze geen discussies hebben. Een gesprek is belangrijk en noodzakelijk.

HVC: Inderdaad, bezoekers onderling communiceren meestal niet tegen elkaar. Het is een individuele handeling.

RB: Spreken leidt tot sociale betrokkenheid. Het activeert een standpunt. Het motiveert mensen die verlegen zijn om te spreken. Een van de vrijwilligers in het MKHA zei aan het begin steeds: “Ik ben te verlegen, ik weet niet wat ik moet zeggen”, en uiteindelijk was zij een van de beste in de groep. Ik zei tegen haar dat als ze niets wou zeggen, ze dat niet hoefde te doen, dat ze gewoon kon glimlachen. Ik ben naar een van de openingssessie geweest in het MUHKA. Er was een discussie gaande, een debat, en het werd een forum: een plek om mee te spreken en om mensen te ontmoeten.

HVC: Dat is ook waar kunst over gaat. Niet enkel om te verkopen en op te hangen in een museum, maar ook om dingen open te breken.

RB: Het maakt een deel uit van de opvoeding. We zijn sociale dieren.

HVC: Maar als je in het atelier zit, is het toch eenzaam werk. Je zei ergens dat je eenzaam moet zijn om kunst te maken. Dat je ruimte nodig hebt om kunst te kunnen maken.

Ja, maar eenzaam in die zin wilt niet zeggen dat je geïsoleerd bent van de maatschappij.

HVC: Nee, niet geïsoleerd… Maar als je werken maakt zoals 1004 tekeningen…

RB: … dan heb je tijd nodig.

HVC: Voor jou is het belangrijk om tijd en ruimte te hebben…

Omdat ik het moet doen. Ik zal het doen. Maar net op zo’n manier waarop je… het is een gevoeligheid scheppen. Om te verzekeren dat kunst niet enkel gezien wordt als iets dat zich daar bevindt en waar niemand aan mag komen. En dat niemand tot daar kan geraken. Dat het enkel voor de top is. Je maakt kunst voor de mensen.

In It’s Sleep, 2020

HVC: Maar er zijn mensen die zeggen: “Ik maak kunst voor mezelf.” Denk jij aan ‘de ander’ wanneer je jouw werken maakt?

RB: Ik maak mijn kunst voor mezelf, maar dat wil niet zeggen dat ik het aan niemand wil tonen. Als je zegt: “Ik maak mijn kunst voor mezelf”, waarom ga je dan naar een galerie? Waarom ben je dan zo beschermend ten opzichte van je roem en je naam, als je je kunst toch gewoon voor jezelf maakt? Dat is gewoon doen alsof. Dat is nep. Het is een masker.

HVC: En kan je daarmee leven? Want we leven in België en dat is de werkelijkheid. Breek je soms geen maskers?

RB: Ik ben hier al dertig jaar en mijn standpunt is niet veranderd. Ik heb genoeg aan mezelf. Ik moet niemand opvoeden. Iedereen weet wat voor spel ze aan het spelen zijn en ik weet dat ook.

HVC: En speel jij “het spel”?

RB: Ik speel geen spelletjes. Ik ben wie ik ben.

HVC: En als ze spelletjes spelen met je werk?

RB: Dan zijn ze hun tijd aan het verspillen. Ze zijn vals aan het spelen. En ze weten dat ze vals aan het spelen zijn. Ik ben niet dom. Ik kan me het niet veroorloven om dom te zijn, omdat ik een zwarte gast ben die in de witte wereld woont. Ik kan niet dom zijn. Ik moet mijn waardigheid kunnen behouden.

HVC: Je hebt op zich “geluk”, want je wordt erg gerespecteerd voor wat je doet. Sommige mensen hebben minder geluk.

RB: Ik heb ook periodes gekend waarin mijn werk niet geaccepteerd werd. In mijn land accepteerde men mijn werk niet.

Decoy, 2019,  Grail, 2019
Converse, 2018

HVC: Was dat wanneer je in San Alejandro studeerde in Cuba? Daarna ging je naar New York met Jimmie Durham. Kort daarna werd je door Jan Hoet uitgenodigd voor de tentoonstelling Ponton Temse en later Documenta VIIII. Daarna ben je in Gent gebleven en heb je vele grote tentoonstellingen gemaakt in musea zoals MUHKA en SMAK. Je hebt ook meerdere prijzen in de wacht gesleept, zoals de Prijs van het Vlaamse Cultuur Ministerie en een Guggenheim Fellowship voor installatie kunst en sculptuur. En in 2015 nam je deel aan de Biënnale van Venetië met All the World’s Futures. Ik kan me inbeelden dat het goed voelde om dat te bereiken met je eigen persoonlijkheid, je eigen visie, dat je zo veel teweeg kunt brengen.

RB: En ik ben nog lang niet klaar! Ik ben gewoon aan het opwarmen.

Installation view 56th International Art Exhibition All the World’s Futures, 2015

HVC: Maar dit jaar word je 65. Je zou op pensioen kunnen gaan zoals Panamarenko dat gedaan heeft.

RB: Ik bedoel… kunst heeft altijd een soort dualiteit. We zijn geen slechte mensen, we zijn gewoon aan het worstelen met de dualiteit van vele dingen. Waarschijnlijk moet de curator iets gelijkaardigs doorstaan. We weten wat juist is. Maar om tot de juiste dingen te komen is erg moeilijk. Omdat dingen niet gemaakt zijn om onze reis makkelijk te maken. Soms heb je een droom die niet erg duidelijk is, maar waarvan je weet dat je die wilt waarmaken. Je weet dat je die tentoonstelling wilt maken, maar het is moeilijk om al die ideeën een plek te geven in dat project. De dualiteit leeft in ons. We weten dat we dat kunnen doen. Ik ben een goede schilder. Ik zou vals kunnen spelen door te schilderen, omdat ik schilderen gestudeerd heb. Daarom ga ik nooit naar tentoonstellingen over schilderwerk. Weet je waarom? Omdat ik kan ruiken wanneer mensen voor het geld aan het schilderen zijn. En wanneer ze snoepjes in je mond willen leggen en zeggen: “Koop me alsjeblieft! Omdat ik dit “geel” hier voor jou heb aangebracht, “mijn lieve lieve collectionneur”.” Ik zou dat kunnen doen, maar ik doe dat niet.

HVC: Het zou makkelijker geweest zijn om gewoon te tekenen schilderen… Ik bedoel, het is slechts een map en klaar is kees.

RB: Dat is de reden waarom ik het aantal goede schilders die ik ken, op een hand kan tellen en waarvan ik zeg: “Wow.” Wanneer ik er één zie, hou ik mezelf niet in toom, ik ontzie me niet om emotioneel te worden. Ik weet dat ze goede schilders zijn. Je voelt je hart kloppen. Je voelt je gelukkig. Ik voel me niet jaloers, ik voel me gelukkig.

HVC: En dat is ook wat je wilt wanneer mensen jouw werk zien. Je wilt dat ze gelukkig zijn, dat ze hun harten voelen kloppen.

RB: Weet je, uiteindelijk, wanneer je kunst maakt, ben je een gelukkig persoon. Zelfs met de moeilijkheden. En misschien was vandaag geen goede dag. Maar dan moet je gewoon zeggen: “Morgen zal ik het beter doen.”

HVC: Als het die dag niet lukt, ga je dan boos de keuken in?

RB: Nee.

HVC: Voel je het wanneer je een goede dag gehad hebt? Want soms, wanneer je kunst maakt, zijn er dagen dat je je uitgeblust voelt?

RB: Het ding is dat je daarmee moet leren leven. Je moet weten hoe je met jezelf moet omgaan.

HVC: Je zegt altijd: “Morgen zal een betere dag zijn.”

RB: Ja. je denkt “Okay, vandaag was niet mijn dag.” Dan kuis ik de vloer.. En reorganiseer ik mijn potloden. Of ik ga ik wandelen. Vroeger schilderde ik de muren. En ik doe ook elke dag de afwas en geef de vogeltjes buiten wat te eten. Ik lees mijn boeken en ik luister naar mijn muziek en ik denk er aan dat er steeds een beter moment gaat komen dan nu. De dingen die niet goed zijn, zijn die dingen die buiten mij liggen.

HVC: Als je een werk maakt dat niet als “jou” aanvoelt, vernietig je het dan?

RB: Dat zal je nooit zien. Ik zou het nooit tonen. Ik laat mensen niets zien dat niet 100% ik is.

HVC: Want soms maak je kunst wanneer je niet 100% bij jezelf bent…

RB: Het gebeurt vooral bij tekeningen…

Blue Shade, 2019

HVC: Dat is misschien een andere manier van denken.

RB: Ja, je moet denken: “Misschien niet vandaag.” Ik heb schuiven vol met onafgewerkte werken. Ze zijn tussen de vijf en tien jaar oud. Soms mist er slechts een enkele lijn. Maar op die dag bezit ik gewoonweg niet de communicatie om die lijn te tekenen. En op een dag herontdek je die tekening, werk je die af en voel je je gelukkig. Ik heb dit met ouder worden geleerd. Wanneer je jong bent, wil je alles diezelfde dag af hebben en vernietig je veel potentieel goede dingen, omdat je gehaast bent. Je bent te midden van het vuur en je verbrandt dingen. En nu vind ik tekeningen en werk ik deze af. En er zijn dingen die ik nu maak, waarvan ik weet ze er nog niet 100% zijn. Ze zijn nog niet 100% in leven.

HVC: Maar als je dochter binnenkomt en zegt “Dit vind ik slecht”, luister je dan naar haar?

RB: Weet je, soms noem ik haar “slangentong”. Ze heeft een erg goed oog. Dus ik luister naar wat zij te zeggen heeft. Ze voorziet me ook van nieuwe muziek, wat erg belangrijk is voor mij. De muziek die zij met mij deelt, gaat rechtstreeks naar mijn werk. Er zit een soort nieuw bloed in die geluiden. Ik luister nog steeds naar de muziek die ik beluisterde toen ik jong was, maar een jonge dochter hebben brengt me naar nieuwe artiesten. Ik luister naar musici waarvan ik anders nooit iets gehoord zou hebben, aangezien ik 65 jaar ben. Door middel van die muziek, ontdek ik nieuwe werkwijzen. Een nieuwe metafoor, een nieuw beeld. Het activeert nieuwe dingen in mij.

HVC: Ja, het werk dat jij maakt, voelt erg hedendaags aan, maar tegelijk ook erg tijdloos. Ondermeer door de bruine en zwarte tonaliteiten. Je kunt niet zeggen of een werk van ‘nu’ is of van vijftig jaar geleden. Je zegt ook ergens: “Tijd maakt niets voor mij uit, of een werk nu gisteren of dertig jaar geleden gemaakt is.” Nochtans zijn er kunstenaars die zeggen dat hun laatste werk hun beste werk is. Daar ben ik het niet mee eens.

RB: Nee. ik hou van mijn werk. Soms zie ik werk van jaren terug en besef ik dat ik het nu waarschijnlijk beter zou kunnen doen, maar ik accepteer dat het reeds gemaakt is. Bijvoorbeeld, het idee van Universe, ontstond uit het niets. Op dat moment had ik geen geld, enkel kleine stukjes papier. En zelfs met een groot atelier werkte ik aan een kleine tafel. Ik begon veel wetenschappelijke boeken te lezen over evolutie, omdat het werk een ruggengraat nodig had. Nu dat ik al deze kennis verzamelt heb, kan ik Universe niet namaken. Ik kan het niet opnieuw doen, het is reeds gemaakt geweest. Op het moment dat je klaar bent om het te doen, heb je al je kennis en al de oplossingen opgebruikt. Je kunt geen tweede gebouw maken. That’s it. Het zit al in dat project. Het is in zekere zin best frustrerend. Wanneer je klaar bent om het af te leveren, heb je het al gemaakt. Het is net als het bouwen van een tentoonstelling. Hoe mooi is het wel niet om een tentoonstelling te bouwen? Je hebt gesprekken, discussies, debatten. Je bent elke avond moe… Dan komt de dag van de opening aan en dan is het slechts twee uur lang “hallo” zeggen. Dan gaan de lichten uit. Je bent daar niet om te weten te komen wat mensen erover dachten en je bent op een bepaalde manier gefrustreerd. Maar je hebt wel iets afgeleverd, je hebt iets gegeven.

HVC: Soms ga je naar je eigen tentoonstellingen en voelt het alsof je naar iemand anders werk aan het kijken bent. Het is goed dat je zelf naar je werk kunt kijken en het sterk kan noemen.

RB: Je moet kritisch zijn. Je moet je ego elke dag in toom houden. Je moet het onder controle houden, omdat dat gezond is. Niet de infatuatie de bovenhand laten nemen. Je moet een ego en een zekere zelfzekerheid hebben. Het kan je kracht geven. Maar je kan niet een slaaf worden van deze kracht. Op het moment dat je aan die kracht ondergeschikt wordt, stop je met luisteren, stop je met zien. Je raakt volledig losgekoppeld. Dat is wat er gebeurt met politici. Je wordt een politicus! Je wordt verslaafd aan die kracht. Niet langer een kunstenaar.

HVC: Maar het is moeilijk. Want Adrift, bijvoorbeeld, is naar Sittard, New York en Bremen gereisd. Maar voor jou is het moeilijk om met museumdirecteurs te werken, omdat je constant “Ja, ja.” moet zeggen. 

RB: Nee, nee. Ik zeg nooit “Ja, ja.” We hebben altijd een gesprek. Je moet niet denken dat je de slimste gast aan tafel bent. Je moet slim zijn en luisteren naar wat anderen te zeggen hebben. De tentoonstelling in Bremen was anders dan die in Sittard. Omdat ik in Sittard enkel de fotografische werken wou tonen, terwijl ik in Bremen driedimensionale werken en de Boxes wilde tonen, omdat het museum er uitzag als een huis. De samenwerking met de directeur in Bremen was geweldig. Uiteindelijk moesten we enkel de grote ruimte installeren. Ik had gedacht om er vier tafels te plaatsen, maar de directeur zei: “Waarom plaatsen we ze niet samen, zo maken we twee grote tafels.” Ik dacht dat dat een verschrikkelijk idee was, maar ik heb het toch uitgeprobeerd en uiteindelijk was dat de beste oplossing. Dat is het moment waarop je je ego onder controle houdt en toegeeft. Ik zei: “Nu is de tentoonstelling af.” De ruimte nam onmiddellijk een andere dimensie aan. Het is net als in een orkest. Je moet ook naar de anderen luisteren. Het eerste dat ik doe wanneer ik aan een tentoonstelling begin te werken is, aan mijn assistenten zeggen dat als ze een beter idee hebben dan mij, ze me dat moeten zeggen. En soms heb ik een assistent die suggereert om iets meer naar links of rechts te verplaatsen en dan doen we dat. Ik ben slim omdat ik luister. In New York was er een debat over de hoogte van een werk. En we vroegen aan de twee technici waar we het zouden moeten hangen. Een van hem dacht dat het lager moest, en de andere dacht dat het hoger moest. Uiteindelijke waren zij het die hebben opgelost, niet ik. Ze hadden de kracht om die beslissing te maken en ze hebben die verstandig gebruikt. Ze gaven om het werk. Je mag niet verblind worden door je ego en zeggen: “Dit is van mij en dit is de enige manier waarop dit gedaan mag worden.”

HVC: Ja, en vele kunstenaars hebben dat.

RB: Arme stakkers. Ze verliezen zo veel.

HVC: De Boxes zijn ook een manier om je geest te ordenen. Je hebt zo veel tekeningen en schilderijen. De Boxes zijn een manier om de wereld te construeren.

RB: Ja. In de tentoonstelling in Bremen waren er verschillende rijen Boxes aan de muur bevestigd. Bij de onderste laag kon je naar binnen kijken, de tweede was al wat moeilijker zichtbaar en de derde al helemaal niet. Het is een beetje zoals een herinnering. De Boxes zijn herinneringen. Hoe verder weg de herinnering zit, hoe moeilijker het is deze te zien. De Boxes fungeren soms als gebouwen, soms als opslagruimte, soms als een constructie. Wat ik interessant vind, is dat je het werk aan het vernietigen bent, terwijl je er naar kijkt. De Boxes hebben steeds dezelfde afmetingen. Er is altijd een dilemma van hoe je die ruimte kan en zal vullen. De dimensies zijn altijd hetzelfde, de oplossing niet. Het kan niet altijd hetzelfde zijn. Dus het is best intrigerend voor mij. En nu is het ook een best interessante periode. Met de pandemie bleef ik mezelf vragen: “Wat kan ik doen?” en het antwoord daarop was: “Ik ga nieuwe Boxes beginnen maken.”

I love to Sail Forbidden Seas and Land in Barbarian Coasts, 2019.

HVC: Het is alsof je een kader aan het maken bent.

RB: Al deze blauwe tekeningen die ik overlaatst aan het maken was, zijn geïnspireerd door de pandemie. Blauw is de kleur van deze planeet. Deze planeet is blauw. Blauw is de kleur van het oneindige. Nu zijn we allemaal claustrofobisch door de lockdown. De zee is blauw, de lucht is blauw. Dus wat is de kleur van ruimte? Blauw. Ik begon blauwe tekeningen te maken. Omdat het zowel aan de melancholie appelleert als aan de innerlijke visie. En onze planeet. Mars is rood. De maan is wit. Maar onze planeet is blauw. Dus ik dacht: “Laat me enkele blauwe tekeningen maken.” Het leek me okay om nu dat iedereen zich gevangen voelt, een herinnering te maken aan buitenruimte, lucht en zee.

Goble Thistle, 2020

HVC: In een interview zei je dat je hoopte dat er papier is in een volgend leven. Dat als er geen papier meer was, dat dat de hel zou zijn.

RB: Dat was een geintje. Alhoewel, ik reken er wel op dat er daar voldoende papier en potloden zullen zijn. Maar in het geval dat dat niet zo is, zal ik nu dingen blijven maken.

HVC: Je werkt ook met toeval, maar is er ook humor in je werk?

RB: Ja. Een soort van.

HVC: Ja? Als we er naar kijken of als je er zelf naar kijkt? Of is het terwijl je werkt dat je plots moet lachen?

RB: Ik vind die schoenen daar best grappig. Als je er naar kijkt, heb je het gevoel dat je er iets over weet. Een zekere medeplichtigheid. Een spontane geste.

HVC: Of soms is de manier waarop je dingen vindt, grappig, zoals de op straat verloren handschoenen die je verzamelde. Het is een soort klein, grappig “levens ding” om naar te kijken.

RB: Het is geen grote lach, maar er zit een soort kleine en soms trieste of melancholische humor in. Chaplin heeft deze soort humor. Als je kijkt naar het einde van City Lights, is het best melancholisch en droef, maar tegelijk ook best grappig wanneer hij “Ja.” Zegt, met de bloem in zijn hand. Je kunt jezelf er niet van weerhouden te lachen en tegelijk niet verdrietig te voelen, of niet de menselijkheid die daar zit, te voelen. Dat vind ik leuk. Ik ben ben met film opgegroeid. Wanneer ik dit werk (titel) in Bremen hing, dat met die vogel, hing ik het dicht bij een raam. Buiten, achter dat raam, wemelde het van die vogels. De echte. En soms was er een secondenlange verwarring, omdat het leek alsof een van die vogels binnen was geglipt. Ik heb het werk niet gemaakt met dat in gedachte, maar wanneer ik daar was, hing ik het werk onmiddellijk daar en die verwarring vond plaats. Dat geeft een soort humor aan de artificialiteit van ruimte of aan het binnen/buiten onderscheid. Dat is iets dat je op het moment zelf beslist, maar dat wel een blijvende indruk kan maken op de persoon die het ziet. Het is mij ook overkomen. Het werk is hier, de vogel is daar, haha. En je lacht. Het is niet dat je een plan hebt.

Axis mundi, 2006

HVC: Dus je laat het altijd…

RB: Je hoeft slechts drie muren te kennen. De vierde staat open voor deze soort gebeurtenissen.

HVC: Voel je je triest wanneer werken terugkomen van tentoonstellingen? Is het moeilijk om na zoiets groots opnieuw in het atelier te (her)beginnen.

RB: Nee. ik laat altijd iets achter. Hetzelfde als met dagdagelijks werk. Want een depressie kan je makkelijk oplopen, weet je? Het is net de griep: het is erg gemakkelijk om depressief te worden. Als je naar een tentoonstelling gaat en je niet iets achterlaat in het atelier, terwijl je daar bent, waaraan je mentaal aan het werken bent… Het is een soort verwelkoming. Je komt terug en denkt “Aah, thuis!” En het voelt goed, omdat je vanop lange afstand in het atelier aan het werken was. Stel dat we morgen naar Duitsland moeten gaan voor een tentoonstelling: dan ga ik iets hier achterlaten. Ik kan een maand lang daar zijn, maar tegelijk ga ik aan een tekening aan het werken zijn die ik hier heb achtergelaten. Die blijft rondzweven in mijn geest. En daar maak ik mentaal twintig tekeningen. Ook breng ik wanneer ik reis, altijd dingen mee. Ik ga naar rommelmarkten of ik ga nieuwe materialen zoeken, of ik stap door de straten terwijl ik naar materialen zoek. Ik bevind me in een zekere alerte toestand. Ik zei onlangs tegen Jimmie Durham: “Oh, Jimmie. toen ik laatst in New York was, wilde ik gewoon terugkomen met een vliegtuig vol spullen.” En Jimmie zei “Ja, het is mijn droom om rond te stappen met twee erg sterke mannen die het allemaal voor mij zouden dragen.” Je werkt terwijl je stapt. Je werkt vierentwintig uur in de dag. Deze baan consumeert je hele leven.

HVC: Je werkt van zeven tot zes uur, vernam ik. ’s Avonds werken is geen optie?

RB: Nee. Ik heb ook een gezinsleven nodig. Natuurlijk kom ik enkele keren terug naar het atelier om de werken te verrassen “Wat is er hier gebeurd” En ik verplaats enkele dingen, maar laat ze dan voor de volgende dag liggen. En het eerste ding dat ik doe in de ochtend, voordat ik zelfs maar koffie drink, is naar de studio komen.   

HVC: Even opwarmen. Zoals een jogger dat doet.

RB: Omdat ik op dat moment nog geen vooroordelen heb. Vroeger legde ik al mijn tekeningen rondom mijn bed. Dat is al erg lang geleden. Het eerste wat ik deed in de ochtend was naar mijn tekeningen kijken. En ik maakte een selectie: “Jij, weg. Jij, de vuilbak in. Jij, jij mag blijven.” Maar in die keuze moet je… je moet je voelen alsof wat je maakt goed is. We produceren zo veel afval, en vervuilen zo veel en soms is kunst vervuiling. Dus ik zeg soms tegen mijn vrouw en dochter: “Ah, jullie gaan op stap?”, en nadat ze ware vertrokken, begon ik schuiven open te trekken en tekeningen te verscheuren. De eerste jury ben ikzelf. En wanneer ze terugkomen, treffen ze een bloedbad aan. Mijn dochter heeft al veel van mijn verstoten tekeningen ‘gestolen’. Maar ik moet het doen. Je moet ruimte scheppen voor nieuwe tekeningen.

HVC: Ja, ruimte maken is belangrijk…

RB: Mentaal en fysiek moet je plaats maken voor alles.

HVC: Je moet in een niemandsland blijven. Je moet in niemandsland blijven om ervoor te zorgen dat een deel van je geest altijd vrij wordt gehouden om zo naar nieuwe gedachten te kunnen springen

RB: Er moet altijd een deel van jou zich in een vloeibare toestand bevinden. In de Chinese Tao filosofie zijn de steen of het vuur niet het sterkste. Water is het sterkste element, omdat water overal kan binnendringen. Het is vloeibaar, het is permanent. Het kan stenen opensplijten, ze houwen. Vloeibaar, doorzichtig, in rust, maar altijd met een zekere kracht die in de essentie van het water zit. Het is niet zoals vuur. Vuur is vitaliteit, het is beweging. Het water is dat niet. Het water kan rust zijn, het kan als een rivier zijn. Of het kan als de zee zijn, als een overstroming. Het heeft altijd die potentiële kracht. Water vindt een weg. En dat is hoe de geest ook moet werken, maar die soort gecentraliseerde kracht in combinatie met die soort rust. Op die manier kan ook de geest een weg vinden.

gespreksfoto atelier Ricardo Brey

HVC: Wat als je morgen geen tentoonstellingen meer hebt?

RB: Ik heb jaren gehad waarin ik geen enkele tentoonstelling had.

HVC: En dan blijf je verder werken?

RB: Ja. ik doe het niet voor de tentoonstellingen. Het is een manier om de demonen uit te drijven. Het is om… ik heb niets anders te doen. Ik maak gewoon kunst. Ik doe het allereerst voor mezelf en daarnaast voor de mensen die het goed vinden. Sommige jaren heb ik geen tentoonstelling. Natuurlijk zit me dat wel dwars, maar je moet gewoon positief blijven.

A patient man keeps cooking a stone and drinks from its broth ,2018

HVC: De interactie, de feedback… is een deel van het proces.

RB: Mensen die me kennen, zeggen dat ik een erg onverschillige persoonlijkheid heb… Het is zoals bij de Marx Brothers, die comedians. In een film is die met de grote snor en de sigaar, Groucho in een restaurant. Wanneer hij betaalt zegt hij tegen de ober: “Hou het wisselgeld maar.” De ober bedankt hem, telt het na en zegt “Maar er is helemaal geen wisselgeld!” waarop Groucho antwoordt: “Maakt niet uit, hou het maar.” Dat is voor mij de filosofie: hou het wisselgeld maar… Het is wie ik ben en wat ik kan doen. Soms heb je geen tentoonstellingen. Dat heeft niets te maken met de kwaliteit van je werk. Als jij ervan overtuigd bent en je geliefden zijn dat ook, dan kun je in vrede met jezelf leven. Er gaat altijd wel iemand zijn die meer geld heeft dan jou, of wiens naam vaker in de krant komt. Je kunt niet zitten wedijveren. Je moet gelukkig zijn. Je kunt niet wachten op een toekomst waarin je een betere reputatie hebt, want misschien sterf je en geraak je daar nooit. Hoe veel kunstenaars zijn er wel niet gestorven zonder enige erkenning? Sommige ervan zijn geweldige kunstenaars! Kijk naar Van Gogh, kijk naar Rembrandt, Thelonious Monk… ! Voor mij behoren zij tot de besten. Vijf jaar geleden ben ik naar Miami Basel gegaan. Ik hou niet echt van kunstbeurzen, dat is kunst als handelswaar. Er waren allerlei grote namen te zien, de goede en de slechte. Maar er was iets dat onmiddellijk mijn aandacht trok. Het werk van een outsider kunstenaar uit de jaren dertig. Hij maakte al zijn tekeningen in een schrift. Hij is gestorven in een psychiatrische instelling. Zulke mooie tekeningen! Ik wou ze allemaal kopen. Ik ben onmiddellijk beginnen huilen als een baby. En niemand gaf om dit werk! Ik ben echt dom geweest, omdat ik de naam van de kunstenaar ben vergeten opschrijven. Maar voor mij was het werkelijk het beste van het beste. Dat was goed, dat was kunst. Het is hetzelfde gevoel als het zien van de Altamira grotten. Iets dat in jezelf, voorgoed dwars zit.

HVC: En dat is waar kunst om draait. Jij hebt ook een risico genomen. Je kwam naar gent na Documenta. Je zou ergens anders naartoe gegaan kunnen zijn.

RB: Jan Hoet zei: “Blijf hier! Ik zal voor alles betalen.” Hij geloofde dat ik potentieel had.

HVC: Amai, maar het is ook een gok om kunst te maken. Was je toen al samen met je echtgenote?

RB: Ja. Het was voor ons allemaal een gok.

HVC: Het is geweldig wat jullie gedaan hebben. Jullie zijn twee mensen die naar een onbekend land komen terwijl je al je vertrouwen in één persoon stelt. Sommige mensen krijgen zo’n kansen ook, maar nemen ze niet. Jullie hebben die met beide handen gegrepen.

RB: Jan was degene die een gok waagde. Ik dacht eraan terug te keren naar Cuba en hij zei “Nee. Doe dat niet. Blijf even rondhangen.”

HVC: Ja, dat was wel een talent van Jan Hoet: risico’s nemen.

RB: Hij had een visie van wat een kunstenaar moest zijn. We hadden een ingewikkelde relatie. Ik moest een soort dankbaarheid hebben tegenover hem, maar tegelijk had ik mijn vrijheid nodig. We hebben elkaar jarenlang niet gesproken, maar diep vanbinnen verstonden we beiden dat dingen nooit gingen veranderen. Hij geloofde dat ik iets belangrijks kon afleveren. Hij heeft me daartoe aangezet en uiteindelijk verstond hij wel waarom ik er zo lang  heb over gedaan om te ontwikkelen wat ik wou doen. Omdat het erg makkelijk is voor mij om het slachtoffer te spelen. “Ik ben zwak. Je moet me iets geven, omdat ik van een derdewereldland kom.” Nee. Ik maak de kunst van de toekomst. Ik had het gevoel dat ik kunst moest maken zonder een vooroordeel van wie er naar ging kijken. Dat is de ook de manier waarop ik naar kunst kijk: ik zie kunst los van wie ze maakt. Een vrouw, een man, zwart, wit, gay, straight… Ik wil zien waar ze mee afkomen. Ik hou bijvoorbeeld van dat salon in Engeland waar ze de werken ophangen zonder de namen. Je kijkt niet zo van: “Ah, dit is Damien Hirst, het moet wel goed zijn!” Nee, je kíjkt naar de werken. Net als die outsider kunstenaar in Basel. Ik zag zijn universum. Dat is voor mij het belangrijkste. Ik ben blij dat ik hier woon. Dit land heeft een lange kunsttraditie. Belgische mensen klagen graag over van alles en vergeten vaak hoe goed ze het hier hebben. Ik hou van de stilte van dit land.

HVC: Ja! We bevinden ons hier naast een drukke baan, maar daar hoor je hier in je atelier niets van!

RB: De eerste keer dat ik in dit atelier werkte… Ik woonde vroeger ergens anders, naast een duivenfokker.  waar het atelier naast een duivenfokker gelegen was, dus er waren altijd duiven die op mijn dak aan het vechten waren. (lacht) Er waren ook twee ziekenhuizen in de buurt, dus er was altijd erg veel lawaai. Dan zijn we naar hier verhuisd. De eerste keer dat ik hier alleen was – Paula en Isabel waren naar de cinema, dacht ik dat de wereld ging vergaan. Het was zo stil en ik dacht “Oh nee! Er is iets gebeurd” Dus ik ging naar buiten en zag nergens auto’s of fietsers en dacht “Dit is de Apocalyps!” Dus ik belde Isabel. Ze antwoordde “Wat is er? We zitten in de film!” Ik vroeg “Zijn jullie okay? Is er iets gebeurd? Er is helemaal niemand op straat.” Waarop ze antwoordde “Nee, er is niets gebeurd. Alles okay?” Toen zag ik iemand voorbij fietsen en was alles weer in orde. Nu apprecieer ik de stilte.

HVC: Ja, je hebt echt die stilte nodig om te werken.

RB: Voordat ik hier kwam wonen, had ik nog nooit blauwe bloemen gezien. Ik vind ze echt geweldig! Waar ik vandaan kom, zijn de bloemen altijd roze, rood, geel, maar nooit blauw! Ik ben geen nostalgisch persoon. Ik mis mijn vrienden, maar je vrienden mis je altijd. En je vrienden missen jou.

Atelierportret Ricardo Brey

HVC: Ga je elk jaar terug naar Cuba?

RB: Nee. ik ben in 2013, na twintig jaar, terug naar Cuba gegaan, enkel omdat mijn schoonmoeder ziek was. Maar nostalgisch ben ik niet. Mijn vrienden wonen daar ook niet. Die wonen allemaal in Miami. Ik ben ook terug naar Cuba gegaan met bijna vijftien vrienden van hier. Guillaume [Bijl], Ulli [Lindmayr], Femke [Vandenbossche], Dirk [Pauwels], Luc and Barbra [Darras], Koen [Van den Broek]… We hadden een geweldige reis. Ik kon ze rondleiden in mijn land en ze plekken tonen die ze anders nooit gezien zouden hebben. Daarna ben ik teruggekomen, en dat was het. Ik heb mijn schuld aan mijn mensen afbetaald. Ik heb hen getoond wat voor kunst ik aan het maken was. Ze hebben me het volledige museum laten gebruiken. Ik heb vrienden en familie bezocht en heb wat tijd doorgebracht met mijn dochter Paula.

Voyage, 2016

HVC: De kunstenaars van daar, zijn die daar gebleven?

RB: Die wonen in Miami. Ik ben de enige die buiten Miami woont.

HVC: Cuba heeft ook een hedendaagse kunstscene, toch?

RB: Ja, er is een nieuwe generatie..

HVC: Maar hebben die meer Westerse invloeden, of zijn de academies nu opener dan in jouw tijd?

RB: Dingen zijn erg anders nu… Het is een nieuwe generatie, een nieuwe manier van denken, een nieuwe ervaring met de Cubaanse revolutie… Ik ben deel van de eerste of tweede generatie kunstenaars die was opgegroeid met de Cubaanse revolutie. Dat was helemaal anders!

HVC: De mensen die naar Miami verhuisd zijn, hebben die geluk gehad?

RB: Miami is anders. Miami is een getto. Je kunt daar wonen zonder een woord Engels te spreken. Er is een gigantische Cubaanse gemeenschap. Al mijn vrienden zijn daar samen naartoe gegaan. Slechts enkelen wonen in Mexico en ik in Europa.

HVC: De vrienden die je vernoemde, zijn dat kunstenaars?

RB: De meesten wel. Ze zijn het soort vrienden die je jarenlang niet kunt zien, maar wanneer je ze ziet, kun je praten alsof er niets gebeurt is. Hier heb ik ook goede vrienden die ik vertrouw.

HVC: Kan je ook op hen rekenen om dingen te vragen over jouw werk?

RB: Toen ik begon met het maken van de Boxes wist niemand waar ik mee bezig was. Ze zien er gewoon uit als dozen, dus zag niemand kunst… Ze zagen dozen! Dus begon ik vrienden te bellen: “Ik wil je tonen waar ik mee bezig ben!” In het begin, en nu nog steeds, had ik erg veel twijfels over hoe ik de Boxes best zou tentoonstellen. Zo zei ik bijvoorbeeld tegen Luc [Derycke]: “Ik heb geen plan… Het kan zowel performatief zijn, het kan een performance zijn. Of het kan bevroren zijn. De Box is open wanneer je binnenkomt.” Je luistert naar wat je vrienden te zeggen hebben en luistert naar hun verschillende standpunten. Los daarvan ben je in het atelier. Je werkt. Soms nodig je mensen uit om te eten en dan toon je ze waaraan je aan het werken bent en je laat hen spreken en je luistert. Ze kunnen eerlijk tegen je zijn en alles zeggen.

HVC: Het is fijn om tegen je te spreken. Ik heb in andere interviews gezien dat je een hele mooie filosofie hebt: over het leven, over kunst, over vanalles. En je zegt erg mooie dingen. Kunst is geen therapie voor jou, maar je moet het doen. Het is een manier van leven. 

RB: Kun je je voorstellen om 65 jaar oud te zijn en hier elke dag met stof en papier te komen spelen? Je moet overtuigd zijn van wat je aan het doen bent; dat het het waard is om elke dag te doen. Als je machines of gebruiksvoorwerpen maakt, ken je de functie, het doel. Wanneer je kunst maakt, weet je dat niet.

HVC: Het is niet nuttig. Zijn er dagen waarop je voelt alsof het beter zou geweest zijn om bijvoorbeeld een verpleger in een ziekenhuis te zijn?

RB: Dat zijn mijn helden. Zeker nu. Ik zie mensen vrijwilligerswerk doen en naar het ziekenhuis gaan om andere mensen te helpen. Wat een menselijkheid! Wanneer je zoveel domme en egoïstische mensen ziet… En dan zie je mensen die het juiste aan het doen zijn zonder enige beloning. In alle films over de toekomst zijn mensen elkaar aan het vermoorden, maar nu heeft de toekomst ons ingehaald en datgene dat je ziet is solidariteit. Je moet mensen vertrouwen. Ze doen het niet voor het geld of voor de onderscheidingen, maar omdat ze het gevoel hebben dat het noodzakelijk is. Dat is prachtig. Dat geeft je een gevoel over het leven.

HVC: Je moet ook sterk zijn om naar hier te komen, dat is niet egoïstisch zijn. Eerst is het spelen en daarna wordt het serieuzer. Je moet er ook van overtuigd zijn dat je iets goed aan het doen bent.

RB: Weet je, op de laatste dag van de tentoonstelling Universe in het S.M.A.K., waren we achter in het museum, in de speeltuin met Paula. Ik was best triest. Ik had echt een super fijne tijd gehad bij het maken van de tentoonstelling en met de mensen van het S.M.A.K en hoe mensen reageerden op het werk. Ik was haast melancholisch… Plots passeerde er een man samen met zijn dochter. Ze droegen mijn boek Universe. Ze keken ernaar en waren aan het babbelen en aan het kijken en aan het babbelen en kijken…. En ik zag hun gezichten en ze zagen er zo gelukkig uit. Ze hebben mijn ziel geheeld. Voor een enkel ogenblik sprong mijn ego op en wou ik vragen: “Willen jullie dat ik het boek signeer?”, maar ze hebben me geheeld en dat was belangrijker: wat ze aan me gegeven zonder het te weten. Ze gaven me het gevoel dat wat ik doe betekenis heeft. Ik stelde me voor hoe ze naar huis gingen gaan en hoe ze het boek zouden uitpakken en er door zouden bladeren. Het boek zal in dat huis verouderen. Ik voelde me onmiddellijk gelukkig. Ik voelde me vol energie. Ik heb het gevoel dat alle goede dingen hier kunnen zijn. Dat ik dat kan. Ik ben er nog steeds. En ik ben okay. Zij wisten het niet, ze hoefden het niet te weten.

HVC: Ik kan me inbeelden dat dit best melancholisch moet zijn. Het is zoals terugkomen van een zomerkamp: je wordt de hele tijd door mensen en beweging omringd en plots ben je alleen en in stilte.

RB: Ik heb erg veel geluk. Ooit zat ik op de tram en voelde ik me erg slecht. Maar echt super, super slecht. Plots raakt een jonge gast mijn schouder aan. Hij was erg jong en was aan het trillen. Hij vroeg “Ben jij Ricardo Brey?” Ik zei: “Ja”, en hij zei tegen me “We houden van wat jij aan het doen bent.” Hij draaide zich om en ging weg. Ik had niet eens de kans om iets terug te zeggen. Ik voelde me op dat moment werkelijk gezegend. “We houden van wat je aan het doen bent.” Ik had niet eens de kans om dank u te zeggen. Maar ik ben erg dankbaar voor dat moment.

Universe.Installation view in the SMAK, Gent 2006-07

HVC: En ik ben dankbaar voor ‘ons moment’ hier in je atelier Ricardo, dit samen met je sympathieke dochter Paula.

Ricardo met dochter Paula

www.ricardobrey.com

http://www.alexandergray.com

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *