Categorieën
Interview

Interview met Maartje Korstanje

Interview met Maartje Korstanje, (1982), Groede,
Viervaart, herfst ’18/winter ’19, met extracten uit ‘Het atelier van’ uit Beeldenmagazine.
*atelierfoto’s Veerle De Smet,
*foto’s recent werk: Gert Jan van Rooij


Check: expo UIT DE KLEI, Gemeentemuseum, Den Haag, 
van 16 maart tot 18 augustus 2019.

VierVaart, waar kunstenaar Maartje Korstanje huis-
en kunsthoudt, daar moeten we zijn! Waar hedendaagse kunst, vakantie vieren en
biologisch tuinieren samenkomen. Dus trekken de twee Belgjes – de kunstreporter
en de fotografe – vanuit Gent traditiegetrouw richting Nederland voor ‘Het
atelier van’. We rijden vlot tot Brugge en vanaf dan is het vooral genieten van
het groen langs de alsmaar kleiner wordende wegen tot net over de Nederlandse
grens nabij Groede. Na een uurtje karren we het erf op, het woonhuis tegemoet.
Tijdens de koffie steken we van wal: we palaveren in het lentezonnetje over
haar levensloop, kunstroute en kunstactiviteiten, erna in het atelier, nemen we
de kunstenares, de sculpturen en de algehele ateliercocon in overschouwing. Wat
verder zit haar partner Iris Cornelis aan de keukentafel te werken. Ze bestiert
de camping en werkt als tentoonstellingsmaker op VierVaart. We krijgen nog een
rondleiding op het domein. Het is een work in progress, maar vooral een
prachtige place to be.
Maartje groeide op te midden de appels en de bijen,
daarna tussen het groter gedierte op een Biologisch Dynamische boerderij op
Walcheren. Zonder al te veel ouder-kunstkind discussie kon ze al snel naar de
kunstacademie. In haar hoofd was ze een schilder, mede doordat ze vooral met
schilderkunst in aanraking was gekomen. Maar op de Academie voor Kunst en
Vormgeving St-Joost in Breda, kwam Korstanje tot het besef dat beeldhouwen haar
meer paste.



 Hilde Van
Canneyt: Beste Maartje, van jongs af aan had je al door dat je in de tekenklas
er met kop en schouders bovenuit stak … Geen idee of je ouders daar oog voor
hadden, want zij hadden een fruitteeltbedrijf en je mama was imker.
Maartje Korstanje: Ik zag op de
Middelbare school dat het tekenen me relatief goed afging vergeleken met mijn
klasgenoten. De basisschool –  een Vrije
School  – heeft daar een grote rol in
gespeeld denk ik. Daar was veel aandacht voor het werken met zowel handen als
hoofd. Ik weet niet of mijn ouders talent hebben opgemerkt, mijn broertjes
waren net zo talentvol!
Ook mijn ouders zijn creatief, al gebruiken zij
dat niet per se op een kunstzinnige manier, mijn moeder is bijvoorbeeld graag
aan het handwerken. Je ziet het bij hen ook in praktische oplossingen,
uitgevoerd met wat er voor handen is en in het naleven van een autonoom en
zelfvoorzienend bestaan.
HVC: Je kon dus
zonder discussie naar de kunstacademie …
MK: Inderdaad, dat was geen probleem. Toen ik
naar de kunstacademie ging, dacht ik dat ik schilder zou worden, omdat ik
daarvoor cursussen had gevolgd die gericht waren op schilderen. Beeldhouwen heb
ik voor de academie nooit goed kunnen ontwikkelen. Maar toen ik op Sint-Joost
kwam, kregen we een algemeen eerste jaar en ontdekte ik dat ik beeldhouwen veel
fijner vond, omdat je direct met je handen in de materie zit, zonder
gereedschap ertussen. Ook het feit dat je er langs alle kanten omheen kan lopen
en je je verhoudt tot het volume, zeker wanneer het groter wordt dan jezelf,
bleek interessant.



HVC: Was het al snel duidelijk dat je het over aftakeling en eindigheid wilde
hebben; de spanning tussen groei en verval, alsook tussen elementen die
overvloeien en weer botsen, constructie versus deconstructie?
MK:
Ik was daar niet heel bewust mee bezig maar het kwam achteraf gezien wel steeds
terug. Pas aan het eind van de academie kwam ik erachter dat mijn jeugd heel
veel invloed heeft gehad op wat ik maak. Van kinds af aan was ik door die
spanning tussen leven en dood gefascineerd, observeerde dat constant op het
land, bij de dieren en aan zee.”
Wat aan de grondslag ligt van eigenlijk al
mijn werk is een sterk besef van eindigheid van dit leven en de omgang daarmee.
Wanneer verval en de aftakeling hun intrede doen, toont zich tevens de
schoonheid en ‘onbeschadigdheid’ van datgene in volle glorie. Ik zoek naar
spanning tussen groei en verval, zowel in de natuurlijke wereld als in de
door mensen gemaakte wereld en waar deze twee werelden elkaar ontmoeten. Daar
waar het botst of in elkaar overvloeit ontstaat een krachtveld waar constructie
en deconstructie, aantrekking en afstoting de hoofdrol spelen. Daarnaast kunnen
actuele, universele kwesties katalysators zijn maar veel beslissingen zijn
minder door de ratio ingegeven.
HVC: Ik las dat
je inderdaad zoekt naar de spanning tussen groei en verval, zowel in de natuur
als later in de mens.
MK: De mens is er later bijgekomen, toen ik zelf
in steden ging wonen.
Eerst heb ik vier jaar in Breda gewoond, waar de
kunstacademie Sint-Joost is, erna ben ik twee jaar aan het Sandberg instituut
in Amsterdam gaan studeren, voor mijn Masteropleiding. Daarna ben ik er nog
vijf jaar blijven hangen en vervolgens naar Rotterdam verhuisd toen ik Iris
leerde kennen. Ik heb in 2016 een jaar in New York gewoond en ook daar is mijn
werk enorm beïnvloed door de stad en haar processen.
Tot mijn tiende woonde ik in de buurt van Goes,
daar waren alleen grote lappen boomgaarden: appels en peren. Daarna zijn we
verhuisd naar een gemengd bedrijf op Walcheren, met koeien, varkens, akkerbouw,
tuinbouw, een kaasmakerij en een winkel. Ik denk dat ik daar meer ben gevormd.
Ik vond die bomen toch altijd vrij saai en werd meer aangetrokken tot de dieren.
Heel direct ben ik beelden over het verval in de
mens gaan maken naar aanleiding van een opdracht bij het TextielMuseum in
Tilburg in 2014. Het thema was ‘Under the skin’. Daarvoor borduurde ik
onderdelen gebaseerd op virussen, bacteriën en kankercellen die verwerkt werden
in een grotere drager van karton.
Het verval in de mens is me denk ik vooral gaan
raken toen ik in grotere steden ging wonen, met name in New York en in Kolkata,
India was dat heftig om te zien.




HVC: Is het door
het gemis van het buitenleven dat je naar die beeldtaal bent gegaan?
MK: Ik weet het niet … Ik denk dat de
fascinatie bleef.
Ik kan over diverse thema’s werk maken, maar mijn
beeldtaal blijft toch vrij organisch. Dat komt deels ook wel door de werkwijze,
beelden ontstaan bij mij laag over laag waardoor het automatisch grillig en
knoestig wordt, net als een oude boom met vele jaarringen.
HVC: Heb je nooit
omwegen gemaakt?
MK: Jawel, voor mijn afstuderen van Sint-Joost,
maakte ik werk geïnspireerd op de snelweg. Ik had een vriendje die muzikant was
en we waren veel on the road, ook ‘s
nachts. Dan zag ik bijvoorbeeld kattenogen die het licht van de auto’s
reflecteerden. Ook de grills aan voorkanten van auto’s vond ik fascinerend.
Voor mijn afstuderen heb ik een serie grills met  massieve lichtbundels van PR-schuim en papier
marché gemaakt en katten met massieve lichtbundels uit hun ogen.


Toen ik in Amsterdam woonde, heb ik ook beelden
gemaakt op basis van veegwagentjes die de stad schoonmaken – stadse machines –
in combinatie met combines (maai-dors-machines) die je op die smalle weggetjes
op het platteland ziet. Later heb ik ook nog eens een werk gemaakt gebaseerd op
een droomauto. Naast mijn atelier was een self-storage gebouw afgebrand waar old timers in stonden gestald. Ze waren
helemaal kaal gebrand, verroest door het water en verwrongen van vorm, maar je
zag er wel nog de schoonheid van in. Naar aanleiding daarvan heb ik een
sculptuur gemaakt, in combinatie met een liedje van Tom Waits voor een
tentoonstelling in Museum de Pont in Tilburg.
HVC: Je nam dat
culturele en verstedelijkte duidelijk mee in je werk.
MK: Voor het autonome werk gaan vorm en inhoud gelijk
op. Een beeld kan evengoed worden beïnvloed door een boek dat ik aan het lezen
ben. Dan kan de thematiek van het boek het beeld een duw in een bepaalde
richting geven of een praktische oplossing aandragen. Dit had ik sterk met het
boek Butchers Crossing van John Williams. Bij de start van het beeld zijn het
vooral details die mij triggeren. Ik werk het liefst met bouwstenen, voeg
dingen toe, zaag weer iets af, doe er een laag bij … Meestal is het beginpunt
een globaal idee gecombineerd met formele aspecten en elk werk is een vervolg
op het vorige. Net als in de natuur volgen de sculpturen een soort evolutie
waarin bepaalde sterke aspecten doorgegeven worden aan de volgende generatie.
Voor mij werkt het niet om te gaan zitten wachten op een idee: mijn handen
helpen mijn hoofd al doende op weg.
HVC: Tijdens het ontstaan lijken je sculpturen nog
amorf. Gaat het je zuiver om de aantrekking van de vorm(en)?
MK:
In het begin is dat het belangrijkste: emotioneel geraakt worden. In eerste
instantie innerlijk, liefst daarna pas in het hoofd. Voor mij maakt het niet
veel uit of het als afstotelijk of aantrekkelijk ervaren wordt, als het maar
íets met de kijker doet. Ik ben al blij dat het werk niet totaal doods is, maar
iets van ‘bezieling’ heeft. Ik streef ernaar dat een sculptuur eenzelfde soort
energie bevat als een levend wezen. Mijn werken functioneren toch altijd als
rorschachtests: ze reflecteren datgene wat er zich in jou afspeelt. Altijd
gaat die verbeelding aan de gang, dat vind ik het mooie. Daarna kan míjn
verhaal of aanleiding komen. Soms is het gewoon ook wat het is, spreekt het
beeld een taal die niet communiceert met woorden.
Het
ene werk ontstaat uit het andere, met plaats voor toevalligheden. Uitkomst:
werk dat losstaat van tijd en plaats, laat staan kan worden vastgepind.
Basismateriaal blijft vaak karton. De laatste jaren
heeft ze veel materiaal-technisch onderzoek gedaan tijdens residenties of
werkperiodes. Zo werkte ze drie maanden in het Europees Keramisch Werk Centrum
met klei, leerde omgaan met de hightech borduurmachine bij het TextielMuseum in
Tilburg en werkte in India met lokale ambachtslieden samen voor het stoken van
terracotta. In 2017 leerde ze het hele proces van cire perdue bronsgieten bij
MIET air in Beers vlakbij Nijmegen. “Deze werkperiodes waren zeer waardevol om
het palet uit te breiden, al blijft karton een vaste basis die ik graag blijf
inzetten, maar op deze manier wel onderdaniger kan maken.”
HVC: Als we even rewinden: werd je tijdens en na je
afstuderen, snel opgepikt door de kunstscene?
MK: Het ging vanzelf. Toen ik nog studeerde aan
het Sandberg Instituut, kregen we vaak e-mails doorgestuurd in verband met
aanmeldingen voor prijzen, etc. Ik wilde wel eens zien hoe dat gaat, dus
schreef ik me in voor De Prix de Rome, de belangrijkste kunstprijs voor jonge
kunstenaars in Nederland. Ik dacht: ‘Misschien krijg ik wel interessante
feedback over mijn werk.’ Plots was ik bij de laatste tien en opeens bij de
laatste drie! Mijn werk stond opeens in tijdschriften, er werd een documentaire
over me gemaakt, en elke week kwamen er interviewers en fotografen over de
vloer. Het was best heftig om vanuit het niets in de spotlights te staan en in
het diepe te worden gegooid. Naar aanleiding daarvan kwam Upstream gallery
koffie drinken en wilden ze graag samenwerken. Ik wilde er even over nadenken,
maar we zijn dan toch – vanwege de aandacht voor de prijs – vrij snel samen
naar buiten getreden.
HVC: Ook voor een
galerie kan het risicovol zijn om met een jonge kunstenaar te beginnen. Zij
weten niet of iemand een eendagsvlieg is of niet.
MK: Inderdaad. Maar vanaf die prijs kwamen ook
allerlei andere tentoonstellingen en vragen en dat is blijven doorgaan tot op
heden. Het was een hele fijne manier om zo in de kunstwereld te stappen. Ik
weet niet hoe het anders was gelopen: van nature ben ik niet zo outgoing. Voor hetzelfde geld was ik op
mijn zolderkamertje werk blijven maken zonder dat het de wereld inging.
HVC: Je bent ook
al over onze Belgengrens komen piepen.
MK: Ja, verscheidene keren al! Geert Verbeke van
de Verbeke Foundation zag mijn combine (maaidorsmachine) bij de KunstVlaai,
toen ik nog studeerde aan het Sandberg Instituut. Hij was nog bezig zijn
kunstplatform te bouwen. Dat werk sprak hem gelijk aan. Bij de sluiting van die
expo vroeg hij of hij de sculptuur kon presenteren en later kocht hij het.
Bij Marion De Cannière in Antwerpen kreeg ik in
2012 een solo. Ook in het Raveelmuseum en in het MAS presenteerde ik werk.
HVC: Van
residenties ben je ook niet vies. Zo was je al te gast op Curaçao in 2008,
alwaar je werkte met aangespoelde voorwerpen, je raapte dingen van stranden en
uit baaien.
MK: Dat was een jaar na de Prix de Rome en ik
voelde me erg bekeken in de kunst. Daarom vond ik het fijn even op zo’n
afgelegen eiland vrij te kunnen spelen. In mijn werk gebruik ik vaak allerlei
losse bouwstenen om te combineren tot een groter onverwacht geheel.  De voorwerpen die ik daar aan de kust vond,
waren vaak al zo verweerd en losgekomen van hun oorspronkelijke betekenis dat
ze mooi in te passen waren in beelden die zich vaak in het midden bevinden
tussen abstractie en figuratie.
HVC: Hoe ben je
in Groede beland?
MK:
We woonden in Rotterdam, mijn atelier was in Amsterdam en de opslag in Zeeland.
Ik reisde heel veel heen en weer tussen allerlei locaties en had behoefte aan
meer rust en 1 vast honk. We moesten uit ons huis in Rotterdam en twijfelden of
we naar een grotere stad zouden verhuizen of naar het platteland. In dezelfde
tijd verkochten mijn ouders hun bedrijf en zochten zij ook naar een nieuwe
woonruimte op het platteland, maar ze wilden niet in hun eentje afgezonderd
wonen. Zo besloten we samen een plek te zoeken waar iedereen zijn of haar
invulling kon vinden en die ultieme plek was hier, in West Zeeuws-Vlaanderen.
Op
dat moment kwam net een onweerstaanbare residency
voorbij voor ISCP in New York. (lacht) Ondertussen waren we al in de
besluitfase van deze plek. Voor we het wisten, gingen in 2016 alle twee door.
Vanuit New York hebben we veel moeten skypen en mailen met elkaar en de
aannemer, installateur enzovoorts, om de voorbereiding van de verbouwing te
regelen.
HVC: Als je zo’n
offers brengt – naar je familie en relatie –hoop ik dat New York je verder iets
heeft bijgebracht?
MK: Haha. Sowieso is New York natuurlijk een
fantastische stad voor de kunsten. Ik heb er heel erg van genoten, vooral van
het ervaren van de internationale kunstwereld. Ik heb veel nieuwe contacten
gelegd en bestaande banden aangehaald. Dankzij mijn tijd daar heb ik in 2018
deel kunnen nemen aan een tentoonstelling bij Marc Straus Gallery waarbij mijn
werk naast het werk van de door mij sterk bewonderde  Louise Bourgeois stond. Ik heb er natuurlijk
ook veel tentoonstellingen gezien en andere mooie dingen ervaren en zo een
breder beeld gekregen van wat er op dit moment speelt in een groter geheel.
HVC: Is er na New
York vormelijk of inhoudelijk iets veranderd in je werk?
MK: Ik ben niet radicaal omgeslagen van het één
naar het andere, al ben ik wel meer beïnvloed door constructies, omdat dit me
de hele tijd omringde. Zo fietste ik elke dag van Manhattan naar Brooklyn over
de brug, wat ik vrij indrukwekkend vond. Alles was er extreem – van het weer
tot hoe land en water er soms samenkomen en je je als mens heel nietig kan
voelen.
HVC: En dan kom
je hier, in de rust der rusten …
MK: Ik vind het heerlijk, die wisseling van de
seizoenen: rust in de winter en drukte in de zomer. Het is fijn en
geconcentreerd werken.
VierVaart is een voormalig boerenbedrijf met een grote schuur die we verbouwd
hebben tot atelier, twee appartementen, een recreatieruimte voor de
campinggasten in de zomer en artist in residence in de winter.
Er werd een nieuw atelier gebouwd: een nieuwe start
als het ware. Wonen en werken op dezelfde plek is luxe, je kunt makkelijk
switchen, elk vrij uur naar het atelier en ook ’s avonds nog even
doorgaan.” Nadat we ook de winterresidentie voor kunstenaars hebben gezien
– een aanrader! – de ruime exporuimte, de te verhuren appartementen en
gastatelier, alsook de recreatieruimte voor de toeristen en de moestuin en
fruitbomen rondom, settelen we ons in de zelfgemaakte zetels in het
atelier.” Na een periode van intensief sculpturen maken, die letterlijk en
geestelijk laag over laag worden gemaakt, vind ik het fijn om met mijn handen
bezig te zijn, zonder dat daar iets mentaals aan vasthangt.”




HVC: Kan je me je
atelier beschrijven?
MK: Mijn atelier bevindt zich in een gedeelte van
de oude landbouwschuur, de hoogte tot in de hok is een meter of 7, geschikt
voor groot werk. Het asbest dak hebben we vervangen door geïsoleerde dakplaten
met veel lichtbanen waardoor het binnen bijna even licht is als buiten. Al mijn
werk ligt opgeslagen op een gedeelte wat zich op de 1e verdieping
bevindt.
Er is een takel om de werken omhoog te tillen. Er
is een zaaghoek, er staan kisten met grote werken, er is het typisch
atelierplekje met gootsteen. En er staan de onaffe werken, prototypes en
wallhangings.
Als ze aan een werk bezig is, moet ze constant met
het geheel bezig zijn. Het is niet één op één, net als bij een schilderij moet
je constant het geheel onder ogen hebben, merk ik op. “Ik kan soms heel
gefocust met één stukje bezig zijn. Dan plak ik laag op laag karton en let ik
alleen op de huid van het werk. Pas als ik even afstand neem, zie ik de hele
sculptuur. Er zijn dagen dat ik bijna meditatief aan het plakken ben.”
Soms is het even erdoor gaan. Ik denk dat die
gelaagdheid die je voelt in haar werk, net interessante kunstwerken maakt. Het
zijn geen kant-en-klare afjes.





HVC: Ik heb zo’n vermoeden dat er dagen zijn waarop
je onvoldaan het atelier uitstapt omdat ‘er-niets-lijkt-uit-te-komen’.
MK:
Zeker als ik aan een nieuw beeld begin, kan het heel lang duren voor het iets
wordt. Dan is het alsof ik alleen maar aan het ploeteren ben. Op zo’n moment
rijst soms ook de vraag ‘wordt het ooit nog wat?’ en slaan de twijfels toe
natuurlijk. Maar dan komt er plots een insteek, zie ik dat het sculptuur gaat
leven en wordt het fijn. Daarna hoeft het alleen maar afgemaakt te worden.”
HVC: Aan de grote ruimte grenzen een naai- en
borduuratelier en een kantoor. Er hangen twee sculpturen, als een soort
mascottes.
MK:
Ze zijn een beetje gruwelijk, maar ik heb ze altijd bij me hangen als
toeschouwers. Er is ook een editie voor een project van Frank van der Linden.
Het heet SOTT. (Sign Of The Times) Hij gaf ons een keramisch masker dat we naar
onze hand mochten zetten. Ik heb een skelet van een ree gefotografeerd en
omgezet tot borduurwerk wat over het masker is gedrapeerd in een laagje karton.
Ik zie ook (karton)sculpturen waarin er geborduurde
gekleurde stukjes liggen. Die zijn er niet lukraak op vastgemaakt, denk ik. “Ik
maak die geborduurde vormen – die soms ook in brons worden omgezet – en zet ze
dan in als onderdeel van de sculptuur. Ik kijk spelenderwijs waar ze inpassen.
Gedeeltelijk zijn ze passend naar de kartonnen vorm gemaakt, maar die verandert
ook weer mee. Het is een wisselwerking. Eigenlijk is alles tegelijkertijd in
beweging.” Hoe gaat dat borduren concreet in zijn werk? “In het nieuwe atelier
ben ik relatief veel aan het experimenteren. Ik kijk hoe dat borduurwerk en
brons op elkaar inwerken. Soms ligt het een tijdje voordat ik weet hoe het
verder moet.” Inhoudelijk wil ze onderzoeken hoe nieuwe energie uit oude
ontstaat, geïnspireerd op de natuurlijke processen van schimmels, zwammen, etc.
Meanwhile is ze ook op zoek naar materialen die resistent zijn tegen
buitenomstandigheden.
Wanneer bepaalt ze of een werk af is? Is dat in een
flits of wandelt ze drie weken rond haar sculpturen of … ? Laat ze zich door
anderen beïnvloeden? Want in je eigen hoofd heb je wel een extreem idee hoe
iets moet zijn, vermoed ik, omdat zo’n sculptuur maken zoveel energie, tijd en
concentratie vraagt. Dat ze ontegensprekelijk toch een eigen wil en idee moet
hebben, leg ik haar voor. “De werken
die hier staan, zijn vergevorderd, maar ik heb toch het gevoel dat ze nog niet
af zijn. Mensen zeggen wel eens: “Ik zou er niks meer aan doen”, maar ik ga
mijn eigen weg. Als kunstenaar moet je uiteindelijk toch eigen zijn in wat je
doet en je wil en drang doorzetten. Ik laat tijdens het proces dan ook liever
geen mensen toe in het atelier, zeker niet als alles nog in de onzekere
beginfase verkeert. Als de werken af dreigen te raken is het anders, dan kan
het werk juist aangescherpt worden door gesprekken met anderen.“






HVC: Heb je een link met Belgische kunstenaars?
MK: Zeker wel. Ik kijk graag naar het werk van
Berlinde De Bruyckere, Peter Buggenhout en Johan Tahon.
De laatste tijd ben ik niet meer zo beïnvloed
door andere kunstenaars. Vroeger sterker, bijvoorbeeld door Folkert De Jong,
David Bade, Thomas Hirschhorn, ik was toen nog meer zoekend in het beeldhouwen.
Nu kom ik gemakkelijker tot eigen vormen.


HVC: Wat was de
insteek voor je solo in het Stedelijk Museum Kampen?
De expo onder de
noemer Unexpected guests liep van
december 18 tot februari 19 en er was vooral nieuw werk te zien.
MK: In deze tentoonstelling wilde ik de nieuwe
verworven vaardigheden en technieken laten zien zoals bronsgieten en borduren
en hoe ze – al dan niet in combinatie met elkaar – zijn ingezet in het nieuwste
werk.
Ook een aantal werken ontstaan in India en New
York, zijn samengekomen met het werk van het eerste jaar in mijn nieuwe atelier
in Groede. Die nieuwe werken zijn vooral gebaseerd op het micro leven op het
land gecombineerd met paddenstoelenwetenschap.
HVC: Heeft deze
expo je zelf iets bijgebracht op inhoudelijk of vormelijk vlak?
MK: Voor deze tentoonstelling heb ik een eigen
omgeving binnen het bestaand gebouw gecreëerd door het plaatsen van grote jute
schermen. Dat beviel me heel goed, als een extra cocon rondom de werken.





HVC: Welke
feedback raakte je het meest?
MK: Oei, ik ben niet zo gevoelig voor feedback,
geloof ik..
HVC: Wat zijn je
plannen voor 2019?
MK:  2019
wordt een druk jaar. Zojuist heb ik de laatste hand gelegd aan
presentatiemeubels voor een tentoonstelling met keramiek bij het Gemeentemuseum
in Den Haag voor de groepstentoonstelling Uit
de Klei
, in verband met het vijftigjarige jubileum van het EKWC (Europees Keramisch Werk Centrum) met zes
andere kunstenaars. Momenteel werk ik aan een schetsopdracht voor een beeld in
de openbare ruimte en aan nieuw werk voor een solotentoonstelling bij de
Bewaerschole in September 19. 

Tevens komt er in september een tentoonstelling
bij Museum Jan Cunen van het maskerproject SOTT in combinatie met ander werk
van alle deelnemende kunstenaars. In de zomer doe ik mee aan een
groepstentoonstelling in het Stedelijk Museum Schiedam over ‘avant garde
vrouwen’. En we zijn bezig met een ambitieus project in China met een aantal
beeldhouwers. Verder zijn er nog projecten waarover ik nog niet kan vertellen.
Later volgt meer informatie via social media of mijn website!
HVC: Wow ! Succes
Maartje !
MC: Dankjewel!




Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.