Categorieën
Interview

Interview met Hans van der Ham



Inschrijven op de nieuwbrief? Zie rechts ‘volgen via email’.

Volgende interviews: Gideon Kiefer, Marinus Boezem, …
Interview met HANS
VAN DER HAM (NL) Rotterdam, winter 17

Hans van der Ham stelt tentoon:
Galerie Verbeeck Van Dyck: van vrijdag 17 maart (opening)
t.e.m. 9 april 17

   
HVC: Eerst was er de muziek … Was je al van jongetje in
korte broek op die piano aan het tokkelen?
   HvdH: Eigenlijk wel. Mijn vader was amateur
musicus en zodoende ben ik piano gaan spelen. Dat ging heel snel heel goed,
waardoor ik op het conservatorium terechtkwam. Maar daarnaast knutselde ik als
kind ook best veel, wilde ik het liefst uitvinder worden: ik tekende al die
uitvindingen uit die populair wetenschappelijke boeken na en maakte daar een
heel cahier van.
Voelde je op een gegeven moment dat je geen zin had om
eeuwig aan dat klavier te zitten?
   Muziek is een tijdkunst en ik kwam er op een
gegeven moment achter dat je als musicus meer geeft dan je terugkrijgt. Je bent
muzikaal met de grootsten ter aarde bezig. Ik vind muziek tot op heden nog
altijd de hoogste kunstvorm, maar als muzikant moet je heel gedienstig zijn, je
bent met andermans werk bezig. Daar werk je dan heel hard aan, maar in
vergelijking is de feedback nihil. Op een gegeven moment voelde ik dat ik echt
zelf iets wilde maken. Zo ben ik na het eindexamen van het conservatorium de
kunstacademie binnengestapt.
Heb je er nooit aan gedacht om zelf muziek te
componeren? Dan creëer je toch ook iets?
   Het immateriële in de muziek vond ik
moeilijk om mee te dealen: de wetenschap dat het altijd weer opnieuw in de tijd
moet worden geplaatst en zodoende ook altijd weer anders is. Zonder uitvoerder
blijft het een stapeltje papier met bolletjes dat steeds weer opnieuw tot
‘leven’ moet worden gebracht. Dat vind ik onbevredigend. Nu kom ik ’s ochtends
mijn atelier binnen en dan staat het werk daar, in principe voor eeuwig
hetzelfde.
Was er op een gegeven moment een ‘klik’ waardoor je
voelde dat het beeldende kunst moest worden? En dan met name schilderkunst? Was
er in die tijd een expo of kunstenaar die je daarvoor triggerde?
   In het voorlaatste jaar van het
conservatorium voelde ik echt de behoefte om dingen te gaan maken en aangezien
ik was geslaagd voor het ingangsexamen, wist ik al waarheen na mijn
pianostudie. Overlappend was ik dus met beide kunsten bezig. Ik vond het fijn
om ze tegen elkaar uit te spelen. Wie ik als voorbeelden nam om te schilderen?
Ik denk dat ik op mezelf de héle kunstgeschiedenis heb doorlopen. Natuurlijk
was het op dat moment nog heel amateuristisch, maar ik had toch wel iets van:
‘Hier ligt iets.’
Zo heeft de
beeldende kunst het overgenomen.
Ik ben afgestudeerd
in het schilderen, maar vanaf ik die academie uitkwam, heb ik me tien jaar lang
op het zwart/wit tekenen gestort, zowel met houtskool als met inkt op papier.
Daarna kwam pas de behoefte die tekeningen als het ware driedimensionaal te
maken. Een zevental jaar geleden is het schilderen teruggekomen.
Daarnaast speel ik
voor mezelf nog best veel piano, maar niet meer voor de buitenwereld.
Hoe moet ik me dat allemaal voorstellen? Je huurde na je
afstuderen een ateliertje, je begon eraan en kreeg al snel feedback?
   Ja, dat ging al snel redelijk goed. Ik was
ook gemotiveerd: als ik opstond had ik al iets voor me klaarstaan; datgene waar
ik de vorige dag aan had gewerkt. Terwijl met piano had ik niks en moest ik er
telkens opnieuw aan beginnen: dat was wat me frustreerde. Er zat een sportief
element in, iets prestatiegericht. 
Misschien vergelijkbaar met acrobatiek. Dat heeft me altijd
tegengestaan. In die tijd kon ik me ook voorstellen dat “al werd het niks in de
kunst”, ik toch altijd op een zolderkamer zou blijven tekenen. Maar mijn hele
leven uitsluitend op een zolderkamer de grote meesters spelen?: No way!
Nu speel ik wel nog
dagelijks piano, nog steeds de grote meesters, maar nu meer als collega
kunstenaar vanuit een grenzeloze bewondering hoe ze binnen hun vakgebied iets
voor elkaar gekregen hebben wat zoveel gevoelens op kan roepen. Meer gefixeerd
op de muziek dan op de uitvoering ervan.
Wat me ook lastig lijkt als muzikant: als je moet
optreden, behoef je je nog beginnen-te-bewijzen aan het publiek en moeten al
die honderden gebalde studie-uren, er op dat ene moment uitkomen. Als je dan
dat momentum niet helemaal kan grijpen, is dat een kleine ramp natuurlijk.
Terwijl als beeldend kunstenaar je werk meestal nét klaar is alvorens de
vernissage begint. Dan begint gewoon het zenuwachtig worden voor de
commentaren.
   Daarom denk ik ook dat muziek de hoogste
kunstvorm is. Ons leven speelt zich eveneens in de tijd af, alsook de muziek
die je moet spelen en dat komt dan op elkaar te liggen. En dan komt het er ook
op aan, want je kunt dat momentum niet terugspoelen. Terwijl met fysieke
kunstwerken je veelal tot op het laatst kan blijven puzzelen. Nochtans ken ik
veel mensen uit de muziek die dat net het aantrekkelijke en mooie eraan vinden:
dat je precies op d
át ene moment alles eruit gooit.

Terug naar je atelier: aankomen, jas uit en je op een
tekening storten?

   Neen. Soms werkte ik dagenlang aan een heel
eenvoudige tekening. Dan begon ik met een figuurtje en wist ik niet wat dat
figuurtje ging doen. De dag erna was die durf er ineens en lukte of mislukte
het.
Werkte je aan verschillende tekeningen tegelijkertijd?
   Neen. Ik werkte tekening per tekening af.
Het lijkt me een heel ingehouden manier van tekenen: een
soort ingetogen Sturm und Drang.
   Ja. Ik probeerde als het ware het verstand
te omzeilen. Je kan natuurlijk ook een tekening van tevoren uitdenken, maar
voor mezelf vind ik dat niet interessant, want dan maak je vaak een illustratie
van je gedachten. Ik vind het net als bij het schilderen nu, fijn om iets te
laten ontstaan tijdens het werken zelf. Je begint met iets en het materiaal
zelf dirigeert je. Zo ontstaan er dingen die ik zelf niet had kunnen bedenken.
Je wilt als het ware dat het witte blad jou vertelt what to do.
   Ja. Hoewel een wit blad vreselijk is: je
moet proberen om meditatief van het verstand los te komen.
Hoe bepaalde je dat een tekening af was? Had je daarvoor
bepaalde eigen vooropgestelde regels? Zoals: handtekenen en het werk omdraaien
bijvoorbeeld?
   Het bijzondere van bijvoorbeeld inkt is: je
kunt er niet op terugkomen. Iedere lijn die je zet, is definitief. Het is een
spel dat je met jezelf speelt. Het kan natuurlijk zijn dat er een vervelende
lijn staat, maar iedere fout die je maakt, levert weer iets anders op. Het is
een uitdaging met jezelf. Terwijl het leuke van werken aan gouaches, net is dat
je ze tot op het laatst kan veranderen.
Wat met de commentaren van het derde oog?
   Daar trek ik me niks van aan. Ik exposeer
omdat het moet, het liefst zou ik het niet doen. Ik heb ooit nog eens met de
gedachte gespeeld om bij het Mondriaanfonds subsidie aan te vragen en met hen
af te spreken: ‘Je laat het geld staan, ik exposeer niet meer en ik maak het
oeuvre af. Daarna gaan jullie er maar iets moois mee doen, zodat het goed
terechtkomt.’
Op het gebied van
exposeren heb ik totaal geen zelfkickgevoel.
Maar je vindt het wel belangrijk dat je werken na jouw
overlijden verder leven?
   Het is natuurlijk wel leuk om dat feestje
een beetje mee te maken, maar het belangrijkste is toch dat mijn werken mij
overleven.
Het applaus tussendoor kan je op zich missen?
   Toch wel. Omdat het meestal met zoveel
onechtheid gepaard gaat, dat ik dat kan relativeren.

atelierbeelden

En toen, op een dag, waren ze daar: je sculpturen.

   Wel, daar waren ze niet plotsklaps. (lacht)
Mijn eerste confrontatie daarmee was de etnografische kunst. Ik was
gefascineerd over het feit dat sommige volkeren denken dat materie bezield zou
kunnen zijn. Ik vond die denkwijze interessant en ben me daar in gaan
verdiepen. En zo ben ik spelenderwijs ook beelden gaan maken.
Maar van thuis uit
heb ik ook mijn voorliefde voor voorwerpen met een verleden meegekregen – zoals
antiek – en dat is ongetwijfeld van invloed is geweest op mijn eigen
kunstenaarschap. De stap van oude gebruiksvoorwerpen naar etnografica is
achteraf gezien niet eens zo groot. Ik denk dat mijn pa op zijn manier ook iets
van bezieling heeft gezocht in de voorwerpen die hij verzamelde. Misschien door
onbewust te mijmeren over eerdere gebruikers hiervan? Ik denk achteraf gezien
dat mijn vader met zijn melancholieke aard, mijn neiging tot filosoferen als
kind heeft aangewakkerd, mede dus door zijn hang naar dingen uit het verleden
met een eigen verhaal.
Ben je als het ware een blok klei gaan halen en je was
vertrokken?
   In ’99 twee reisde ik
twee maand door India en toen ik terugkwam, wilde ik ophouden met kunst maken.
Ik had zoiets van: aan de andere kant van de wereld gaan mensen dood omdat ze
niks te eten hebben en ik zit hier in een atelier een beetje te bedenken wat ik
vandaag eens-zal-gaan-tekenen. Ik vond dat zo’n absurde gedachte. Ik dacht: ‘Ik
maak nog één ding – wat ik altijd al wilde vervaardigen: een kleine sculptuur.
Ik kocht een blok bijenwas en wilde als afscheid één keer zo’n beeldje
boetseren. Maar toen dat klaar was, zeiden mensen die in mijn atelier kwamen:
‘Mijn God, dit is waar je al die tijd naartoe hebt gewerkt! Hier moet je mee
verder gaan!’. Wat ik dacht dat een einde was, was in feite een begin. Ik had
ook de redenering dat als ik stopte met kunst maken, daar in India niemand iets
aan had, en ik op z’n minst daarmee hier mensen mee blij kon maken.
Hoe zag het eerste beeldje eruit dat je na je reis
maakte?
   Dat was een mannenfiguurtje met een enorm
lange puntmuts op zijn hoofd. Al boetserend kwam dat gewoon. Zo maakte ik een
paar jaar lang alleen maar kleine wassculptuurtjes die ik soms in brons liet
gieten en die duidelijk aan mijn tekeningen relateerden. Daarna kwam de
behoefte om groot te werken en kwam ik terecht bij klei.

atelierbeeld

Zocht je je bronnenmateriaal naast in de etnische kunst,
ook bij andere  beeldhouwers?

   Ik heb niet echt het
idee dat ik bewust ben gestuurd door andere beeldhouwers. Ook daarin heb ik
mijn eigen pad gekozen. Al kan je beïnvloeding niet tegengaan natuurlijk. Voor
mij moet de vorm voortkomen uit iets wat ik innerlijk wil zeggen.
Ik las dat je in je levensgrote figuratieve beelden, die
innerlijke, kwetsbare wereld versus het omhulsel wil weergeven. Met andere
woorden: je toont ons ‘over wat niet mag worden gepraat’, dit door het net niet
te tonen. Ook het gezicht is in je sculpturen bewust afwezig.
   Het belangrijkste wat ik in mijn sculpturen
wil laten zien is het kwetsbare, het onbeholpene. Dit staat in principe los van
identiteit, vandaar dat gezichten vaak ontbreken. Door zoiets essentieels als
een gezicht weg te laten is er voor de toeschouwer een grotere mogelijkheid je
ermee te kunnen  identificeren. Ik hoop
dan ook dat de toeschouwer er zodoende iets van zichzelf in herkent. Een
herkenning in het verborgene.
Soms hoor ik dat de
mensen er een beetje bang van zijn. Dat gevoel heb ik zelf soms ook: ze zijn pas
goed als ik er zelf ook een beetje bang van word. Toen ik onlangs een manshoog beeld
– wat eerst in verschillende stukken werd gemaakt – in elkaar zette, voelde ik
toch wel een schok, alsof het ieder moment in beweging zou kunnen komen. Dat
zijn toch meestal de beelden die het langst doorwerken, omdat ze me blijven
confronteren.
Dit willen toekennen
van leven aan een beeld is trouwens iets van alle tijden. Daar zijn veel
studies naar gedaan. Momenteel werk ik als curator aan een tentoonstelling voor
museum Boijmans van Beuningen dat precies over dit thema gaat en waar ik
hedendaagse kunst wil confronteren met oude kunst, etnografica en
ontwikkelingen binnen de wetenschap zoals robotica.
Ergens zeg je: goede kunst is een transformatieproces.
   Ik denk dat alle goeie kunst getransformeerd
moet zijn, ook in de muziek. Je luistert naar geluid of je luistert naar
muziek. Dat maakt het verschil. Je kijkt naar een doek met verf, of je kijkt
naar een schilderij – waar de verf er niet meer toe doet. Het moment dat je als
kijker naar gebakken klei staat te kijken, heb je het als kunstenaar niet goed
gedaan.
Het gaat in de kunst toch vooral om openstaan versus een
concentraat, denk ik. Als ik kunst op straat tref, kan het aan me voorbijgaan
door de overload aan beelden, terwijl als ik een galerie of museum binnenstap,
er automatisch een soort kunstconcentraatknopje aangaat.
   Soms sta je er gewoonweg niet voor open. Je
kan honderd keer hetzelfde muziekstuk horen maar bij die ene keer wordt je
geraakt en pas dan is die transformatie gelukt. Dan luister je niet meer naar
klank, maar naar waarvoor het is bedoeld: dat het je verheft.
Wat wil jij wat wij daarvan mee naar huis nemen? Dat we
zelf ons masker meer durven af te zetten?
   Ik wil een soort bewustwording teweegbrengen
van wie we eigenlijk zijn. In de gnostiek gaat men er van uit – en dat is al
bij Plato begonnen – dat
we om mens te worden
zijn afgedaald in de materie. Dat vind ik een fascinerend gegeven. We zijn
terechtgekomen in iets wat een soort voertuig is van iets. Maar tegelijkertijd
is het een beperking, want je wil veel meer dan je kunt. Wij zijn nu met elkaar
aan het praten, maar tegelijkertijd zoeken wij naar een vorm om tot elkaar te
komen. Op zich is dat moeilijk, we hebben alleen maar woorden, onze mimiek en
motoriek. Meer is er niet.
Ik moet daarbij
altijd denken aan het verhaal over Pyramus en Thisbe uit de Griekse mythologie.
Vanwege een
standenverschil binnen hun families konden ze als geliefden slechts met elkaar
communiceren via een scheurtje in de muur van de aan elkaar grenzende kelders
van hun woningen. Op het moment dat ze elkaar eindelijk (illegaal) in den lijve
volledig kunnen ontmoeten loopt het slecht af. Ze sterven kort na elkaar de
liefdesdood. Dit geeft mooi symbolisch weer hoe beperkt we zijn in onze
menselijk mogelijkheden. We moeten genoegen nemen met een scheurtje in de muur.
En misschien is dat wel de reden waarom we ooit zijn begonnen met kunst maken.

atelierbeelden

  
Ik denk dat je hier in je atelier ook al snel voelt wie zich
tot jou of je beelden verhoudt. Die of jou als mens, of jouw sculpturen vatten.

Sowieso is de confrontatie met zo’n levensgroot beeld
helemaal anders dan die met jouw tekeningen waar je echt in moet kruipen.
   Een tekening is een meer illusionaire ruimte.
Dat vraagt nog meer van de toeschouwer, want je moet als toeschouwer bereid
zijn die ruimte in jezelf als het ware na te bouwen. Terwijl je om een
sculptuur alleen maar heen kunt lopen.
Ik vind dat je bij je sculpturen als toeschouwer iets
hebt van: what you see is what you get,
ze lijken een statement. In je tekeningen en schilderijen lijkt er meer een
verhaal in/achter te zitten.
   Ik denk dat de confrontatie met mijn
sculpturen alleen maar vanuit het toeval kan vertrekken. Hoe ze jou tegemoet
komen of hoe jij hen tegemoet komt.
Natuurlijk, eens je je sculpturen – uitziend als
levensgrote wezens – uit je atelier haalt en je ze in een andere ruimte zoals
een galerie dropt, kunnen ze zich tot andere wezens ontpoppen.
   Daarom is de ruimte waarin ze komen, heel
erg belangrijk. Vandaar dat ik zo blij met de ruimte van de galerie
Verbeeck-Van Dyck in Antwerpen. Er is een grove vloer, en de muren zijn niet
netjes afgevlakt, maar gewoon wit gemaakt. Je voelt het industriële er nog in
en daarom zag ik onmiddellijk dat mijn sculpturen er goed in zouden passen.


En toen trokken op een dag verf en penseel weer aan je
mouw! Even moegekneed in de klei?
Vormelijk lijken de René Magrittes en Joan Miro’s niet ver weg: het surrealisme loert werkelijk om de
hoek … En plots duikt kleur weer op! Ik vind je gouaches trouwens heel fris en
speels voorkomen.
   Nochtans is kleur
niet iets waarnaar ik op zoek ben. Ik ben als schilder opgeleid, maar net daar
liep ik op de academie mee vast, want dat rijmde absoluut niet met wat ik wilde
vertellen. Het heeft me misschien twintig jaar gekost vooraleer ik er achter
kwam dat ik het niet in kleur moet zoeken, maar in de net-niet-kleur. Dit om zo
dichter bij het tekenen te blijven en de illusie meer in stand te houden. Als
ik aan het schilderen ben, wil ik bewust zo weinig mogelijk kleur gebruiken
omdat het afleidt van wat ik wil zeggen.
Zo zijn er ook dagen
dat het witte vlak blijft afschrikken. Daarom maak ik altijd eerst een
ondergrond. Dat kan een landschap of interieur zijn. Ik bouw als het ware eerst
het huis en dan komen de ‘bewoners’ vanzelf. Het licht in die kamer of dat
landschap roept op die manier al iets bij me op.
Zo doe ik al een
beroep op mijn onderbewuste: ik ben het verstand al een beetje te slim af en er
gebeurt iets in die kamer of in het landschap wat je niet kunt voorspellen. Dat
werken in gouache geeft me meer ruimte om nog dieper in te gaan op dat
onderbewuste dan een tekening. Een tekening moet het hebben van zijn directheid
en doet zodoende op een andere manier een beroep op het onderbewuste. Tekenen
(met inkt) zie ik meer als koorddansen. Als je begint te lopen is het maar de
vraag of je veilig de overkant gaat halen. Die spanning is soms kwellend maar
op een haast masochistische manier ook wel prettig. Misschien vergelijkbaar met
muziek maken. Een muzikale lijn is ook definitief, je kunt er niet op terug
komen omdat het zich in de tijd afspeelt.
In het schilderen
kun je ahw even terug in de tijd omdat gouache als materiaal altijd weer
oplosbaar is. Zodoende kun je het definitieve beeld langere tijd uitstellen.
Hoe voel je je na een afgewerkt geslaagd kunstwerk?
   Het voelt alsof je een cadeautje voor jezelf
hebt gemaakt. ‘Ik mag er weer even zijn’, denk ik altijd. Alsof ik iets
positiefs heb gedaan en iets aan de kosmos heb toegevoegd.
Een andere inspiratiesprankel gaat over de hamvraag:
‘Waarom zijn we hier?’ Creëren van beeldend werk is bij jou wel opvallend om je
‘zijn’ te verantwoorden. Daarnaast wil je ook dromen terughalen, een soort
nostalgie terugbrengen en vastleggen en zo een wereld te creëren waar wij iets
aan hebben.
   Ik denk dat ik eerder iets tijdloos naar me
toe probeer te halen. Een droom is ook tijdloos, maar je hebt geen idee waar
ergens dat gebeurt: het is een soort niet-bepaalde-tijd. Ik vind het
interessant om dat gebied waar we niet echt met ons verstand bij kunnen, op te
zoeken: het onzegbare als het ware.
Misschien zou ik wel
het liefst dichter zijn. Ik benijd hen omdat ze zo immaterieel zijn: ze hebben
niks nodig, alleen een pennetje en papier en voor de rest bestaat de hele
wereld niet.
Je geeft – ik neem aan – bewust geen titels aan je werk.
Dit om het beeld in al zijn zuiverheid te laten spreken?
   Inderdaad.
Je was medeoprichter en tot voor kort vier jaar artistiek
leider van de tentoonstellingsruimte Garage Rotterdam in Rotterdam. Wat heeft
die samenwerking met andere kunstenaars je – zelf kunstenaar zijnde –
bijgebracht?
   Het was vooral moeilijk om te combineren met
mijn eigen praktijk, want tentoonstellingen ineen boksen vraagt heel veel tijd.
Maar het was een mooie combinatie, want ik zag het als een verlengstuk van mijn
eigen kunstenaarschap. Alle tentoonstellingen die ik heb gemaakt, zijn achteraf
gezien titels die heel logisch zijn te combineren met mijn eigen werk.
Ik vermoed dat je enorm veel leerde over hoe andere
kunstenaars ineen zitten. Jullie zijn niet bepaald de makkelijkste mensen om mee
samen te werken. (knipoogt) Daarnaast kan zo’n zijstap goed zijn om even een
bredere bril op te zetten: jaren navelstaren in je eigen atelier kan ver-engend
werken. Het leek me interessant voor jou om te horen en zien hoe andere
kunstenaars hun praktijk aanpakken.
   Absoluut. Die communicatie vond ik dan ook
het allerfijnste: samen een thematiek uitwerken en iets nieuws maken tot alles
op z’n plek valt. De som der delen, noemde ik het altijd.
Over de som der delen gesproken: voor 2018 maak je als
curator een tentoonstelling voor het museum Boijmans van Beuningen in
Rotterdam. Ongetwijfeld een mooie stap in je carri
ère!
   Deze tentoonstelling zie ik voorlopig
als de kroon op mijn werk als curator. Het museum geeft mij het vertrouwen en
de vrijheid om in meerdere zalen een thema uit te werken dat mij zeer na aan
het hart ligt zowel als kunstenaar als curator. De – voorlopige – titel is
ANIMA MUNDI en zal gaan over bezieling.
Zonder bezieling niet geleefd!
Hilde Van Canneyt
Hans van der Ham
stelt tentoon:
Galerie Verbeeck Van
Dyck: van vrijdag 17 maart (opening) t.e.m. 9 april 17
Openingsuren Galerie
Verbeeck Van Dyck vrijdag | zaterdag | zondag van 13 tot 18 uur
GALERIE VERBEECK VAN DYCK VERBINDINGSDOK 12, WESTKAAI, 2000 ANTWERPEN,
BELGIUM
www.hansvanderham.nl
www.verbeeckvandyck.be

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.