Categorieën
Interview

Interview met Werner Cuvelier

Bezoek ook de expo “Who is who? – verhalen en verzamelingen” – confrontaties tussen Belgische en Nederlandse kunstenaars: Galerie s.&h. de buck, Zuidstationstraat 25, 9000 Gent (B)(tot 31/12)
www.galeriedebuck.be 


Vorig interview:
Folkert de Jong (Nl)

http://www.hildevraagt.be/wp/2015/11/interview-met-folkert-de-jong.html 
volgende interviews: Dirk De Wachter, Femmy Otten (Nl)…


Interview met Werner
Cuvelier (1939), Gent, (september 2015) naar aanleiding van zijn expo
in het Felix Art Museum én de publicatie van zijn nieuwe boek, waar
dit interview in gecleande versie
is opgenomen, alsook met een bijdrage van prof. Willem Elias, Frank Maes en Sergion Servellón.

Ik tref Werner in
zijn Gents herenhuis, waaraan en waarin een rits aan ateliers en
‘sorteerkamers’ zijn verbonden. 









Hilde
Van Canneyt: Zo, jij bent nummer E11/11 op mijn bandje.



Werner
Cuvelier: Dat zal dan wel een geluksgetal zijn. (lacht)

HVC:
Het verschil tussen jouw werk en dat van colle
ga-kunstenaars
waarvan je op het eerste zicht enige vormelijke abstracte gelijkenis
zou kunnen ontwaren, is dat jij van een idee vertrekt.


C: Bij
mij zit er altijd een exact vertrekpunt en achtergrond in. Pas nadien
veeg ik er mijn voeten aan. Het is een evenwicht tussen een abstract
strakke vormgeving en een vrij los oplossen.


HVC:
Mark Ruyters, bezieler van H ART, noemt je de meester van de
ordening.

Werken
met afgebakende gegevens en begrenzingen beschouw jij als een vorm
van vrijheid.



C: Ik
probeer te balanceren tussen die onvrijheid én die vrijheid. 
  
HVC:
Mark Ruyters schreef in een recensie in H A
RT:
“Zijn werk is meer dan ordening en rangschikking. Het is creëren
met objectieve gegevens om zo tot een subjectieve schoonheid te
komen.”

Uit
het interviewboekje met jou en Léon Wuidar, schrijft Wuidar over
‘Het palet van Rowney’, een recent werk van jou:
Vertrekpunt:
een heel gamma olieverven van de f
irma
Row
ney (Dat
merk bestaat al uit de tijd van Turner, vertelt Cuvelier mij.
)
beslaat 84 kleuren. Hiervan gebruikt Cuvelier alleen de vier
sterren-kleuren, 24 dus, en door ze te mengen met bij
voorbeeld
wit of zwart bekomt hi
j
276 permutaties. Dat is zijn limiet. Dit levert hem een lange,
gevarieerde kleurenstrip van 21,5 meter op.”


C:
Voor mijn werk
60
bijvoorbeeld, dat ik maakte toen ik 60 jaar werd, was de vorm en de
kleur vooraf bepaald. Ik vond in een boek over wiskunde dat het getal
60 het meest deelbare
getal
is. Je kan het delen door 1, 2, 3, 4, 5, 6, 10, 12, 15, 30 en 60. De
Arabieren hebben dat al lang voor Christus ontdekt. En dat hebben ze
dan bij ons overgenomen. Zou je het uur in honderd verdelen, dan heb
je 100, 50, 25, 12,5, 5,75 enzovoort, dus dat is niet zo bruikbaar.
Er zijn werken waar de vorm op voorhand vastligt, maar de kleur niet.
Of omgekeerd. Zo heb ik een lang fries van wel 40 meter lang – waar

ik al mijn kleuren zuiver gebruikte – vermengd met wit of zwart.
Daar ligt de kleur aan de basis van het werk
,
en is de vorm een afgeleide. 





atelierbeelden

HVC:
De inhoud van je werk is wel een beetje mannentaal voor mij…



C:
Moeilijk is dat toch niet, hé Hilde: ik leg dingen op voorhand vast
en nadien speel ik ermee. (lacht) Ofwél leg ik zowel kleur en vorm
vast, en dan is de speelruimte zeer klein.

Neem
nu het werk dat hier in het hoofdatelier staat, met die aanzet in het
rood: daar ga ik misschien nog maanden werk aan hebben. Het is tien
jaar oud. Het is al eens getoond geweest in ‘De Markten’ (C.C.
Brussel), maar toch
voel ik dat er nog
iets aan moet gebeuren.

HVC:
Dat is een oud werk dat je nu aan het herwerken bent. Ongelooflijk
hoeveel moed je daarvoor hebt!
Om
het voor de lezers te verduidelijken, zal ik uit het interview met
Léon Wuidar nog je werk van de vier seizoenen aanhalen. In dat werk
ga je uit van de vier jaargetijden. Het werk bestaat uit 365 kleine
paneeltjes, verschillend van grootte en dikte, telkens volgens de
‘gulden snede’. De kleuren verwijzen naar de seizoenen: h
elder
is lente, somber is herfst.

Uiteindelijk
gaat je werk altijd over een soort rangschikken en sorteren. Ook in
je atelier daarstraks zag ik zowel afgewerkt als half afgewerkt werk
en massa’s
work
in progress
,
en
dan nog eens alle soorten werk
in verschillende reeksen
,
enzovoort.

Heb
jij ooit rust?


C: Nee,
nooit. 





atelierbeelden


HVC:
Heeft jouw sorteerdrang iets (gezond) neurotisch, of heeft het daar
niks mee te maken?



C: Met
het ordenen van de wereld is toch niks mis?

HVC:
Er zijn verschillende mensen die je op je kunstweg inspireerden. Voor
je expo volgend jaar in De Markten, ben je een werk aan het maken met
‘portretten’ van grote namen uit de wereld van de literatuur,
filosofie, schilderkunst, beeldhouwkunst, architectuur, muziek, …
met cd-hoesjes als kadrering.


C: Laat
ons zeggen dat ik een heel groot eigen ‘canon’ heb … Nochtans
heb ik tot nu toe Van Gogh, Pollock en Rembrandt nog niet
geselecteerd in mijn portretten
,
en ook over Rubens twijfel ik. Vermeer zit
er in, alsook Agnes Martin bijvoorbeeld. 






Atelierbeelden


HVC:
Maak je zoiets om voor jezelf uit te maken wie of wat interessant is?



C: Ik
maak het in de eerste plaats voor mezelf. Wordt dat niet getoond, dan
kan mij dat geen barst schelen. Maar als ik die kans heb, is dat
natuurlijk een vorm van communicatie.


HVC:
Ik las je woorden: “Een leven zonder orde en doel, is een leven vol
tijdverspilling.”


C: Ik
kan niet tegen een dagje niks doe
n.
Een dagje aan het strand: daar word ik ziek van.


HVC: (Een dagje strand? Héérlijk! (denkt ze))
Je
zegt verder: “Totale vrijheid is een illusie.”


C: Denk
maar aan de punk, de provo,

enzovoort …

Ook
Pollock is daar een voorbeeld van. Hij giet maar uit en smijt maar
op. Mijn kritiek daarop
is
dat er geen begrenzingen zijn. Dat doek zou evengoed een meter breder
of hoger kunnen zijn. Daarnaast is het stom dat hij veel werk met
lakverven heeft gemaakt, van het merk Dupont naar het schijnt, een
Amerikaanse autolak met heel sterke droogstoffen. Helaas zijn veel
van zijn grote lappen grijs geworden.


HVC:
Emotie in d
e kunst is voor jou een
no-g
o, hé?


C:
Het werk van Philippe Vandenberg bijvoorbeeld, is één en al emotie.
Iemand die dat ziet, kan daar dan natuurlijk ook emotie bij krijgen.
Of als je
Baudelaire en Céline leest –
bijvoorbeeld
‘Voyage
au bout de la nuit’

ik word daar triest van. Ik laat emotie zo weinig mogelijk domineren,
op alle gebied trouwens.


HVC:
Mis je dan ook niet een deel van het leven? (vraagt ze zich af)

Dan
wil jij ook niet dat we van jouw werk emotioneel worden?



C:
(twijfelend) Dat mag wel, maar dat moet niet, laat ik het zo stellen.


HVC:
Wat betracht
je dan
bij o
ns?


C: Niks
eigenlijk. Als er iemand geïnteresseerd is: mij goed. Er zijn ook
mensen die hier komen en niks aan mijn werk vin
den:
ook goed.

HVC:
Uiteindelijk wil je als kunstenaar toch ‘gezien’ worden?



C:
Kunst maken is natuurlijk een vorm van commu
nicatie.
Vincent Van Gogh had één bewonderaar: zijn broer Theo. En dat was
blijkbaar voldoende. Er zijn natuurlijk mensen die wél een groot
publiek willen hebben, zo denk ik aan Wagner of Beethoven. 




Atelierbeelden


HVC:
Jij hebt nooit gedroomd om bijvoorbeeld in het buitenland bekend te
worden?



C:
Nee, ik ben daar niet mee bezig.


HVC:
Je hebt wel altijd een job als leraar tekenen in het KASK gehad.


C:
Ik heb een tijdje alleen op maandag en dinsdag gewerkt, waardoor ik
dan al aan de collega’s in de koffiekamer ‘goed weekend’ kon
wensen. Maar later werd het altijd maar meer vergaderen enzo, voor
hetzelfde geld. Maar ik kon me inderdaad de luxe permitteren mijn
werk te maken zonder me iets van iemand aan te trekken en toch goed
te leven.

HVC:
Ik voel geen gefrustreerd kunstenaar voor mij.


C:
Ik heb daar nooit last van gehad.

HVC:
Je hebt ook iets met
de schrijver
Georges Perec …


C: Er
werd me erop gewezen
dat
mijn werk heel dicht bij Perec stond. Toch door de manier van denken.
Zo ben ik hem beginnen opzoeken en lezen. En wij moeten bijna
tegelijkertijd gestart zijn met onze praktijk. Literatuur hanteert
natuurlijk een heel andere taal, invalshoek en vocabulaire dan de
plastis
che kunsten.
Ik heb ook gezien dat hij zijn boeken liet illustreren, maar met
kunstenaars waarmee ik de verbinding niet zou maken. Zo is zijn boek
‘ALPHABETS’ geïllustreerd door DADO! Ik vond het totaal geen goede
combinatie.


HVC:
Je hebt ook een serie alfabetische reeksen …


C:
Ja. Maar een idee dat ik nog niet heb uitgewerkt is het menselijk
lichaam volgens het ABC. Bijvoorbeeld de A zou dan een foto van een
arm zijn, de B een foto van een bil, enzovoort … En dan zou ik
telkens links een vrouwenmodel nemen en rechts een mannenmodel. Dat
zijn plannen die ik heb, maar die nog niet zijn uitgevoerd.

HVC:
Zo heb je bijvoorbeeld ook de stromen van Gent gefotografeerd,
fietsreizen gemaakt langs de kanalen en gefotografeerd, enzovoort …
Die fotoreeksen hebben – net als je schilderijen – ook met ordening
te maken. Hoe staat je ruimtelijk werk daar tegenover?



C:
Dat maak ik als ik zin heb. Maar tegenwoordig geef ik bijvoorbeeld
prioriteit aan mijn werk met die cd-doosjes. Maar veel dingen hebben
geen bestemming. Ze hangen of staan ergens en het kan twee jaar duren
eer ik daar verder op werk.


HVC:
Een ander kenmerk van jouw werk is de Gulden Snede: de getallenreeks
van
Fibonacci (=
Leonardo da Pisa) is daar een deel van.



C:
Kort uitgelegd, die Fibonacci-reeks is als volgt: 1, 1, 2, 3, 5, 8,
13, 21, 34, 55, 89, 144, 233, 377, 610, 987, 1597, 2597, 2584, 4181,
enzovoort. Dus telkens de som van het vorige geeft het volgende
getal. Het merkwaardige is dat bijvoorbeeld 2584 gedeeld door 4181
gelijk is aan 0,618
(
= pi)
en
niemand weet waarom! Mysterie!

Maar
vanaf 89 tot 100-en-zoveel: als je het grootste getal door het
kleinste deelt, heb je altijd pi. Maar niemand weet precies waarom.
Die getallen die daar inzitten, zijn ook een wisselwerking van
getallen. En zo is er soms een vakje te veel, en steekt er eentje uit
het werk. Het mysterieuze daarvan is dat Fibonacci dat ontdekt heeft.
(Cuvelier is nog enkele getallen aan het opsommen, maar mijn hersenen
kunnen niet mee, red
)




Atelierbeelden



HVC:
Het verschil tussen jou en andere abstracte schilders is dat jij
eindeloze reeksen kunt maken, en het daarom voor jezelf spannend
houdt.



C: Die
reeksen zijn niet eindeloos hoor, daar heb je het mis. Dat is
permutatief. Eindeloos is bijvoorbeeld bij Jackson Pollock het geval.
In Gent zijn er ook maar een bepaald aantal bruggen of stromen, dus
voor die reeksen bakende ik dat ook af tot de stad bijvoorbeeld, maar
niet erbuiten. Ik wil voor mezelf dan ook die grenzen respecteren.

HVC:
Sommige werken zijn zo conceptueel dat je ze ook door iemand anders
zou kunnen laten uitvoeren, maar daar ben je ‘tegen’. Je vindt
dat de kunstenaar de dingen zélf in de hand moet houden.



C: Dat
klopt. Het verschil met bijvoorbeeld Joseph Kosuth is dat hij zo’n
ideetje heeft, maar het door anderen laat uitvoeren. Idem Sol Lewitt
die zijn werk door anderen liet maken. Ik vind dat je dan voelt dat
daar iets mechanis
ch, iets
cleans
rond h
angt. Jan Vecruysse laat zijn dingen
door een firma uitvoeren, waardoor ik vind dat er daardoor iets in
zijn werk ontbr
eekt.
Onlangs waren we in museum Kröller-Müller in Otterlo (Nl) waar een
expo van al die conceptuelen was. Wel, daar bleef niet veel van over.
Die tekeningen van Bruce Naumann bleven nog overeind, maar die
witgespoten dingen van Soll Lewitt waren toch niet dat…


HVC:
Wij willen – nog in ons romantisch denkbeeld over de kunstenaar –
die hand van de kunstenaar voelen in het werk.

Bij
jou begint je praktijk bij je tekenboeken, ook altijd iets wat tot de
verbeelding spreekt…


C: Daar
begint mijn ‘opzoekingswer
k’,
daar ontstaan mijn ideeën. Maar evengoed staan er tekeningen in van
mijn reizen langs de Loire, en amuseer ik me met klassieke tekeningen
maken in de trant van Turner. Maar de boeken die je bovenop die
stapels zag liggen, dat zijn boeken die een verhaal hebben van de
eerste tot de laatste pagina, met een begin en een einde. Als het
ware een werk in boekvorm.

Ik
vind schetsen en ontwerpen sowieso een aangename bezigheid om
bijvoorbeeld op een terras te maken met een glas wijn.

HVC:
Dat ordenen en sorteren gaat écht ver bij jou: je sorteert zelfs je
boekenkast op geboorteja
ar van de
auteur.


C:
Ik vind dat een goede ordening. Ik ga ze ordenen vanaf Thomas Van
Aquino tot Perec, één van de laatste. En ik wil literatuur en
filosofie allemaal door elkaar zetten. Geloof me, dat is véél werk.

HVC:
Dat kan ik geloven! Maar zie je dat als een soort fixeren van het
leven, of beter geze
gd,
van jouw leven?


C:
Nee, ik vind het gewoon interessant om te zien dat bijvoorbeeld Joyce
een tijdsgenoot is van Stravinsky, alsook van Frank Loyd Wright en
Mondriaan. Je staat daar nooit bij stil. Picasso en Stravinsky zitten
op dezelfde golflengte, vind ik. Stravinsky heeft bijvoorbeeld alle
muziekstijlen hernomen en hergebruikt. Ook Picasso heeft veel
periodes gekopieerd als meester dief. Dat zijn twee mensen
bijvoorbeeld, die het
zelfde doen in
dezelfde periode. 









foto’s zaalviews FelixArt museum (foto’s Cédric Verhelst)

HVC:
Heb jij bij iemand de mosterd gehaald?



C:
Eigenlijk is mijn werk spontaan ontstaan.
Al
houd ik wel van het werk van Dan Van Severen, Amédée Cortier,
Etienne van Doorslaer, René He
yvaert …
Ook van Agnes Martin: zij heeft vroeger de wereld vaarwel gezegd om
zo verder in New Mexico haar ding te doen.


HVC:
Voor jou moet iemand niet p
er
sé heb
ben doorgebroken om respect
te verdienen?


C:
Zeker niet, eerder het tegendeel. Voor Picasso heb ik bijvoorbeeld
weinig respect, behalve voor zijn ruimtelijk werk en zijn tekeningen.
Van Rubens kan ik alleen maar voor zijn kleine ontwerpen respect
opbrengen, zijn grote schilderijen zijn toch door assistenten
gemaakt. Maar voor Vermeer doe ik wel mijn hoed af.


HVC:
Je galeristen van ‘El’ in Welle en ‘De Ziener’ in Asse zijn
toch mensen die in je geloven? Je had er onlangs een dubbelexpo in de
twee galeries.



C:
Jan De Smedt van ‘De Ziener’ is vooral geïnteresseerd in mijn
schilderwerk, met mijn ander werk heeft hij het moeilijker, denk ik.
Terwijl Erik De Smet van ‘El’ daar dan wel meer voeling mee
heeft.


HVC:
We moeten nog even teruggaa
n
naar hoe het allemaal begon: je papa was bakker, en op weg naar
school bracht je Constant Permeke altijd ‘pistolets’. Toen je 12
was, durfde je hem eindelijk te vragen of je zijn atelier mocht zien.
Na da
t bezoek stond je besluit
vast: je zou schilder worden!



C:
(knikt)

HVC:
En voor je het wist mocht je naar het hoger middelbaar in het
Sint-Lucasinstituut te Gent. Om dan erna naar de Normaalschool (=
regentaat) te trekken, waar je les kreeg van de legendarische
kunstenaar Octave Landuyt.



C: We
gingen daar eigenlijk allemaal naartoe omdat Landuyt daar leraar was.
Jan Hoet zat daar, Karel Dierickx, Roger Wittewrongel, Camiel Van
Breedam
, Hans Persoons en
een hele troep uit Antwerpen. Landuyt

was één van mijn beste leraars, samen met Gaspard De Vuyst. Dat
‘leren voor lesgever’ was maar iets wat we erbij namen, dat was
niet ons eerste doel. Er was daar gewoon een toffe sfeer.


HVC:
Octave Landuyt was in die tijd toch wel een groot kunstenaar en
groots persoon.


C:
Hij was tolerant en kon zich inleven in iedereens manier van werken.
Hij leerde ons ook Valsarely en zo kennen, terwijl in Sint-Lucas het
meer over religieuze kunst ging: kerken leren decoreren enzo. Daar
waren wij niet in geïnteresseerd.


En
nu wat vraagjes voor de (oudere) Gentenaren…

HVC:
Hoe was je relatie met de andere Gentse kunstenaars die ouder waren
dan jou?


C:
Dan Van Severen, René Heyvaert en Amédée Cortier waren van de
jaren ’20, zij waren oudere collega’s van mij. Van Severen was
een oud-leraar van mijn vrouw en Cortier kwam hier wel wekelijks een
koffietje drinken. Zij hebben het meest invloed gehad op mijn werk.
We gingen ook naar elkaars openingen. René Heyvaert woonde buiten
Gent, hem zagen we minder.


HVC:
Toonde je hen je nieuwe werk en spraken jullie “over kunst”?


C: Op zich werd daar niet expliciet over gesproken, maar we verstonden
elkaar zonder daarover te praten. Cortier bekende me wel dat hij het
lastig had met zijn werk om ermee door te breken of bekend te raken,
maar hij zei mij dat ik het met mijn werk nog véél lastiger zou
krijgen. (lacht)

HVC:
Welk verband was er met die andere kunstenaars uit het Gentse: Leo
Copers, Roland Vandenberghe, Dirk Liefooghe en Jan Vercruysse, … ?


C:
De oudste is Jan Vercruysse. Hij had de galerie ‘Elsa von
Honolulu-Loringhoven’ waar ik nog heb geëxposeerd. Met Leo Copers
heb ik minder contact, ik heb ook met zijn werk minder een link.
Roland Vandenberghe heb ik niet zo goed gekend. Hij was nogal een
provocerend kunstenaar. Ik herinner mij nog een opening bij Foncke:
hij had zich eerst laten verdoven en liet zich dan op de opening met
een draagberrie de galerie binnenbrengen. En erna weer buitenbrengen.

Dirk
Liefooghe was leraar film en hij heeft ook de latere Gentse
Studioscoop opgestart.


HVC:
Waren er geestverwante theoretici aan de academie, zoals bijvoorbeeld
Wim Van Mulders?


C:
Ik heb daar nooit veel contact mee gehad, al is dat wel een heel
interessant iemand. Hij woont in Antwerpen. Hij was een heel goede
leraar, idem zijn collega’s Stefan Hertmans en Roland Decancq. Die
drie hadden altijd alle studenten in de klas, omdat ze zo interessant
waren.

HVC:
Waren er ook negatieve ervaringen met andere collega’s?


C:
Nee. Maar wij hadden weinig contact met de meer ‘figuratieve’
collega’s zoals Karel Dierickx, Jean Bilquin of Nadine Van Lierde,
omdat zij in een heel andere richting werkten. We waren respectvol
tegenover mekaar, maar hadden gewoon geen echte binding . Het werk
van mijn leerling Jan Van Imschoot ligt mij bijvoorbeeld ook niet,
maar hij spreekt wel altijd heel respectvol over mij in zijn
interviews. Idem Ronny Delrue.


HVC:
Je bent afgestudeerd in ’63. Waren er in die tijd veel galeries in
Gent?


C:
Er was Galerie Foncke en Galerie Plus Kern, waar ik heb
geëxposeerd.
In de jaren ’70 heb ik vooral in galerie l’A in Luik geëxposeerd.
Ook in Cyan, nu galerie Nadja Vilaine in Luik.


HVC:
Zagen jullie, kunstenaars en kunstaanhangsels, elkaar in de Gentse
kroegen ’s avonds?



C:
Ik ben nooit een kroeghanger geweest. Ik ging meer bij de mensen
thuis op bezoek.


HVC:
Hoe was die Gentse scène versus de Antwerpse eigenlijk? Hadden
jullie contact met elkaar?


C:
Neen, die voelden zich altijd zo boven ons zweven. (lacht) Roger
Thibaut is één van de weinigen waar we nog af en toe contact mee
hebben. Hij gaf les op de Cadix-school, een technische academie.


HVC:
Ik vrees dat er nog niet veel is veranderd. (knipoogt)

Heb je tegenwoordig nog veel contact met mensen uit de kunstwereld?



C:
Kunstenaars Johan De Wilde en Lieve d’Hondt zien we soms.


HVC:
Je bent nooit een netwerker geweest?


C:
Neen. En ik heb me ook nooit veel in de buurt van kunstcritici
gehouden. Jan Hoet heeft in de jaren ’60 wel een tekst over mijn
werk geschreven en ik heb nog brieven van René Heyvaert. Ook met
Marthe Wéry hadden we contact en een wederzijds respect.

HVC:
Iemand schreef dat je eigenlijk ‘bekender’ zou moeten zijn. Heeft
dat niet-netwerken daar deels mee te maken?


C:
Deels toch. Ik heb dat ook nooit opgezocht. Ik vind het al voldoende
dat je met je werk bezig bent. Nu met mijn overzichtstentoonstelling
in het ‘Felix Art Museum’ in Drogenbos (Brussel) zal dat wel
komen.


HVC:
Betekent semiotiek – waar de Gentse kunstenaar Thierry Mortier rond
werkt – iets in je werk?


C:
Niet echt, eerder de wiskunde en de meetkunde.

HVC:
Werner, kan je nog iets kwijt over je twee expo’s die in het
verschiet liggen?


C:
In het ‘Felix Art Museum’ in Drogenbos (Brussel) komt een kleine
overzichtstentoonstelling. In september 2016 is er 30 jaar ‘De
Ziener’ in C.C. De Markten in Brussel.

Hilde Van Canneyt


http://www.galerie-el.be/
http://www.deziener.be/
http://www.felixart.org

Werner Cuvelier
stelt tentoon:
22.11.2015-28.02.2016
: Felix Art Museum, Drogenbos,
Adres: Kuikenstraat
6, 1620 Drogenbos (open van do tot zo van 10.30u tot 17u)







Coördinaten boek Werner Cuvelier




Uitgegeven naar aanleiding van de tentoonstelling Werner Cuvelier in het


FeliXart Museum, Drogenbos, van 22.11.2015 tot 28.02.2016




Het FeliXart Museum is een initiatief van De Rand vzw, de
Provincie Vlaams-Brabant en de gemeente Drogenbos




Directeur


Sergio Servellón




Tentoonstellingscoördinator


Rik Rommens




Teksten


Willem Elias


Frank Maes


Sergion Servellón


Hilde Van Canneyt




Foto’s


Alle beelden zijn afkomstig ui het archief van de kunstenaar




Vormgeving


Studio Luc Derycke, Gent




Druk


Cassochrome, Waregem




Vertaling


Machteld Castelein




Eindredactie


Sophie Mathys (Nederlands)


Machteld Castelein (Frans)




Met steun van


Ar-te architectenvennootschap


Jan De Nul n.v.


De Ziener




Uitgever


AsaMER


Imprint van MER Paper Kunsthalle-Geldmunt 36-B-9000 Gent – www.merpaperkunsthalle.org




ISBN 978 94 9232 117 6


D/2015/7852/37




© 2015 MER.Paper.Kunsthalle voor deze uitgave


© Werner Cuvelier


© 2015 de auteurs



Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.