Categorieën
Interview

Interview met Elisabet Stienstra




Interview met Elisabet Stienstra (Nl, 1967), zomer/herfst 2014 




  


HVC: Hallo Elisabet, je
sculpturen stellen meestal de representatie van de vrouw centraal. Maar er is
meer: de maagd en de geschiedenis – of hoe door de eeuwen heen naar de vrouw wordt
gekeken, zijn ook een flink deel van je onderzoek. Je wilt de rituele functie
van beelden onderzoeken in relatie tot onze hedendaagse cultuur. Je houdt ervan
bestaande beelden ‘opnieuw’ te maken in je eigen beeldtaal, om er zo nieuwe
interpretaties aan te geven en erover te reflecteren.


ES: Ja, dat is eigenlijk een
goede opsomming daar ligt wel de kern.









HVC: Je werkt het liefst op
levensgroot formaat. Zo gaat je sculptuur gemakkelijkst de dialoog aan met de
toeschouwer. 


ES: Ja, je spreekt iemand aan in de
taal van het lichaam, dat je bekend is en gelijk ook die andere is. Dit heeft
voor mij iets met empathie te maken, een heel fundamenteel gevoel. Ik moet dan
altijd aan de Christus in het Isenheimer altaarstuk van Matthias Grünewald denken, wat mij ook als niet-christelijke diep
raakt. 

HVC: Je werkt naar levende
modellen, maar hun identiteit laat je achterwege. Je boetseert het model, niet
de persoon die voor je zit.


ES: Het is een gelijkenis, geen
portret. Ik voel me in die zin wel verwant met Pierre Klossowski’s ideeën.
Hij duidde zijn figuren als simulacrum, een representatie van de mens die we vooral
herkennen uit ‘de geleefde cultuur’: een film, een mythe of een schilderij, eerder
dan uit het dagelijks leven. Dit maakt representatie mooi complex. Zoals
bijvoorbeeld in ‘Femme au Serpent’. Het is niet alleen een jonge vrouw van nu, maar
ze refereert ook aan Eva en hoe zij weergegeven is en voor ons dan ook direct als
zodanig herkenbaar is.





  


HVC: Kenmerkend
voor je werk zijn de ambiguïteiten, las ik ergens, het feit dat je al van bij
de eerste aanblik de toeschouwer in verwarring brengt.
Je beelden zijn niet alleen
fysiek aantrekkelijk; je toont daarnaast ook aspecten die fysiek oncomfortabel
zijn. En waarom blijf je met je basisfiguur zo dicht mogelijk bij de
‘natuurlijke menselijke vorm’?


ES: Mijn laatste aantal beelden, zijn
gehele figuren. Ik heb de ‘popachtigen’, waarbij soms een arm of een hoofd
ontbrak, achter
me gelaten.
Ik verhoud me dan ineens weer met het klassieke,
traditionele naakt: een naakt figuur als deel van een verhaal, een mythe, of
een naakt dat zich bewust is van het feit dat er naar haar gekeken wordt. Hier
wordt het naakt een kijkobject. Ik vind het belangrijk om me, vooral als
vrouwelijke kunstenaar, hiermee te verhouden. Ik behandel mijn naakten liever
als onderwerp, als een kapstok voor ideeën als het ware.
Ik maak figuren niet opzettelijk fysiek oncomfortabel. Ik denk dat
je refereert aan mijn uitspraak:
Zoals in
veel van mijn beelden, toon ik het vrouwelijk lichaam niet alleen fysiek
aantrekkelijk, maar toon ik ook aspecten die emotioneel oncomfortabel zijn: in
positieve en negatieve zin. Aan de ene kant verwonderd zijn over de schoonheid
van het lichaam, maar ook aandacht houden voor wat een mens kan overkomen of
aanrichten.”

HVC: Je werkt volgens de
klassieke procedés in hout, brons of marmer. Een van je stokpaardjes is het
maken van beelden in hout, en het liefst vanuit een hele boom. Het heeft te
maken met een soort energie. Ook de lijnen en cirkels van het hout vind je
intrigerend: het is de perfecte verbintenis van maker en sculptuur, vind je. Je
ziet het als langdurig met iemand samenleven. In de eindfase streel je je beeld
zelfs. Je ziet het als een liefdesbed, zegt je man Thom Puckey.


ES: Ik stop veel liefde in mijn
beelden. En er zit natuurlijk ook veel eros in. De levenskracht, daar hebben we
het eigenlijk niet over gehad. Eros vind ik wel terug in een boom, maar niet
meer in planken die je bij de bouwmarkt haalt. Ik herken dit gevoel ook heel
erg in Duchamps ‘arbor-type’, een van de mysteries die de ‘Bride’ omringt in de
‘Green Box’.











HVC: Houten beelden ook als
referentie naar de renaissance heiligenbeelden…


ES: Ja, hout is ook een ‘idee’
binnen het werk, eerder refereerde het voor mij aan ledenpoppen, nu meer aan
heiligenbeelden. Met name het zien van de houten beelden van Tilman
Riemenschneider, Gregor Erhart en de beschilderde houten beelden uit de
laatgotiek in Pisa heeft mijn werk sterk beïnvloed, vooral door de levensechtheid
en het humanisme dat uit de beelden spreekt. Maar ik zie mijn werk liever
binnen het gebied van de sacrale beelden en niet per se de christelijke.

HVC: Voor je werk ‘in progress’ –
Virgin of Mercy – maak je het beeld nu eerst in klei, om het daarna in gips af
te gieten. Je bent van plan om het dan later in hout te kappen. Het was een
heuse zoektocht om tot dat beeld te komen. Je wilde eerst een ander beeld
maken, met een Schutzmantelmadonna als inspiratie, maar uiteindelijk heb je
besloten de cape weg te laten en de vrouw in haar naaktheid te tonen.


ES: Het is één ding om een beeld
in je hoofd te hebben, maar dat is niet noodzakelijk waar het beeld
uiteindelijk om vraagt. Ineens komen er vervelende associaties die de boventoon
voeren, zoals in dit geval  met de cape.
Dan moet eraan gewerkt worden.









HVC: Luc Tuymans zeg dat hij de
koude in zijn atelier zelfs niet voelt, omdat zijn hele bestaan gefocust is op
het schilderij waar hij mee bezig is. Zodra hij klaar is en naar buiten gaat,
dondert de wereld over hem heen. Die roes is verslavend, en misschien is die
roezige verslaving wel de eigenlijke reden dat hij schildert. Herkenbaar?


ES: Ik herken het gevoel wel, alleen
als beeldhouder voel ik me soms meer een arbeider van mijn eigen werk, waarbij
ook veel praktische dingen om het werk heen gebeuren. Hoe krijg je een boomstam
van 1.000 kilogram van liggend naar rechtopstaand bijvoorbeeld. De focus en de
tijd is anders, maar de roes is er soms, zeker…

HVC: Een van je laatste wapenfeiten
was ‘Femme au Serpent’, een sculptuur vervaardigd uit één stuk eikenhout van 1.000
kg. We zien een slang die vanuit de vagina omhoog kronkelt en in de tepel van
de dame bijt. Tijdkostenplaatje: een jaar. Als je zo lang aan iets werkt, moet
je wel overvloeden van liefde voelen voor zo’n beeld, las ik. Al kan ik
evengoed vermoeden dat het tegelijkertijd een strijdtafereel kan zijn in je
atelier.


ES: Voor een sculptuur en de
manier waarop ik werk is een jaar niet zo lang. Toch niet als je alle stadia
van klei naar gipsmal naar gipsafgietsel naar hout in overweging neemt.





  


HVC: Andere fraaie sculpturen van
jouw hand zijn ‘Girl with Sticks’ (2007) en ‘Virgin of Light’ (2011). Het
laatste werk lijkt explicieter.


ES: Het laatste is inderdaad meer
seksueel geladen: hurkend, met haar benen geopend en met stralen die ertussenuit
verschijnen, is ze verwelkomend maar retourneert ze gelijktijdig je blik. Ze is
gebaseerd op de Sheela-na-gigs uit de vroege middeleeuwen uit Ierland en
Engeland. Ze tonen hun geslacht en hingen boven de deuren en ramen van kerken.
Ook hierover bestaan vele interpretaties, maar helaas zijn de meeste van de
beelden vernietigd of weggehaald toen de kerk meer onder de invloed van Rome
kwam. 

HVC: Je bent ook bekend om je
monumentale sculpturen in de openbare ruimte. Ik vermoed dat dit vanuit een
heel ander uitgangspunt vertrekt.


ES: Ja! Deze werken zijn veel
meer gerelateerd aan de situatie ter plekke. Het uitgangspunt is zeker anders,
maar toch zie je uiteindelijk dat ze van dezelfde hand zijn, alsof er iets
tijdens het proces insluipt dat het een werk van jou maakt. Iets dat je niet
kan sturen en niet kan helpen.

HVC: Wat moet de meest
onhebbelijke karaktertrek van een beeldhouwer zijn om zo gedreven en bedreven maanden
aan één sculptuur te werken?


ES: Het voelt soms dat je zo lang
aan een figuur moet werken totdat er een ziel in wil wonen. Deze vertraging en het
keer op keer over een oppervlakte van het figuur scannen voelt misschien bijna als
niet van deze tijd. Soms probeer ik dit aspect ook weer te ondermijnen, zoals
met de zwaarden en de stralen die meer als een daad aanvoelen!



HVC: Om af te sluiten: je bent
een vrouw en je beeldt graag de vrouw uit. Ik vermoed niet dat dit iets met
‘girlpower’ of erotiek te maken heeft?


ES: Als je doelt op mijn beelden als een
vorm van ‘
empowerment’, zoals bij de feministische kunstenaars uit de jaren 70, bijvoorbeeld
Valie Export met ‘Action Pants: Genital Panic’, dat is niet echt waar ik naar
op zoek ben. Mijn werk is juist niet statementachtig, maar veel meer het in
vorm willen brengen van subjectieve, intieme vrouwelijke gevoelens. Ik ben,
denk ik, een van de weinige hedendaagse vrouwelijke kunstenaars die hiermee om
durft te gaan en niet refereert aan de representatie van vrouwen in de media.
Al sinds 4.000 jaar voor Christus zijn vrouwenfiguren gevonden in een
exhibitionistische houding, zoals ook in mijn laatste beeld uitgebeeld. Dat
intrigeert me uitermate, vooral omdat er zo weinig bekend is over het waarom
van deze beelden. Dit geeft mij ruimte tot speculatie en interpretatie. Om zo
via het werk weer te zoeken naar betekenis voor nu, een soort van hermeneutiek
zou je het bijna kunnen noemen.



Hilde Van Canneyt



 http://www.elisabetstienstra.com

 
Het 
interview verscheen ook in de uitgave van ‘Une femme est une femme’,
nav de gelijknamige expo (sept 14) in het PAK in Gistel. (B)
 
http://www.pakgistel.be/



Elisabet Stienstra stelt tentoon:

  

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.