Categorieën
Interview

Interview met Gerda Dendooven

vorig interview:Rob Scholte (NL), volgend interview: Robert Zandvliet (NL)

Interview met Gerda Dendooven (1962),
Gent januari 2014. 



foto: Rika Vanhove


Hilde Van Canneyt: Gerda, we kennen je hier in België vooral van
je sterke en eigenzinnige boekillustraties, maar daarnaast schrijf je zelf ook
kinder- en jeugdboeken en theaterstukken.
Na je middelbare school, studeerde je vrije grafiek. Maar daarna wist je niet
waar je met je tekeningen terecht kon. Tot je bij kindertekeningen uitkwam, ook
al was dat een onbekende wereld.


Gerda Dendooven: Ik had grafiek gestudeerd
aan de Academie te Gent, waar ik vooral grote zeefdrukken, linosneden en
aquarellen maakte. Ik maakte andere dingen dan de meesten, want toen was het
vooral conceptuele kunst die de scepter zwaaide. Wim Van Mulders zag wel iets
in mijn werk en wilde me wel de richting van het galeriewezen duwen. Maar om
een of andere reden voelde ik dat ik daarin niet wilde doorgaan. Achteraf
bekeken zat in mijn werk wel een vleugje Marlene Dumas – al zeg ik niet dat ze
even goed waren. Toch voelde ik dat ik niet in het slangennest van de kunst terecht
wou komen.
Ook toen ik studeerde op de academie,
vond ik dat er al veel blufpoker en high brow was in de kunst. Misschien had ik
ook gewoon een soort angst of ik er wel iets te betekenen had. Maar tekenen was
het liefste wat ik wilde doen, dus het stond vast dat ik dat wel wilde blijven
doen. Maar wie had tekeningen nodig? En als ze er dan al nodig hebben, waarom
dan de mijne? Ik had geen klare lijn, geen comic-looks… Ik paste nergens, al wilde
ik vooral publiceren en zo ben ik toch bij die kindertekeningen uitgekomen.
Eerst werkte ik nog heel traditioneel, maar ik besefte al snel dat ik het toch
anders wilde doen.
HVC: Misschien ben je nu wél rijp om volwaardig kunstenaar te worden. Verdienen
illustratoren trouwens de naam ‘kunstenaar’?


GD: Ik zie daar niet zoveel verschil
in. Ik zou in een galerie geen andere dingen tentoonstellen dan de dingen die
ik nu maak. Ik zie trouwens dat die zogenaamde ‘vrije beeldende kunstenaars’
ook een postzegel of een hoes van een cd ontwerpen. Voor mij loopt dat allemaal
dooreen. Waarom zou een illustrator minder zijn? Omdat wij binnen een kader
werken? Artistiek moeten wij ook op een hoog niveau presteren. Iemand die vrij denkt,
legt zich ook een kader op. Door de eeuwen heen zijn er dingen scheefgegroeid:
autonome kunstenaars bestaan misschien honderd jaar. Vroeger werden kunstwerken,
muziekstukken of teksten áltijd gemaakt in functie van de kerk of van rijke
lieden. Wij kijken nu toch ook naar de schilderijen van Bruegel en Rubens met
‘kunstogen’? Terwijl in de kinderliteratuur gaat het al snel over: “Het is maar
een boekje voor kindjes.”
Van schrijvers hoor ik trouwens dat
het zooovéél moeilijker is voor kinderen te schrijven, omdat je veel meer met
taal en structuur rekening moet houden. Je ziet ook onmiddellijk dat schrijvers
die gewoon zijn voor volwassenen te schrijven, vaak in clichés vervallen.
HVC: Is er voor jou een verschil in het creatieproces als je iets ‘moet’
schrijven of illustreren?
Wanneer komen de beste ideeën eigenlijk? Wachten op de muze op de
tekentafel? Of eerder al wandelend of op de fiets of tijdens het staren door
een treinraam of?


GD: Het enige wat je moet doen is:
werken, werken en werken. Maar ideeën komen van overal: in een gesprek met
iemand of onder de douche. Sowieso ben je er constant in je hoofd mee bezig en
je neemt van overal wel iets mee. Ik heb in mijn handtas altijd verschillende
schetsboekjes zitten waar ik dingetjes in teken. Laatst was ik in Museum M te
Leuven en dan kan ik het niet laten langs hun prachtige collectie polychromen
te lopen en die te tekenen. En zo steek ik alles wat ik schrijf of teken, in
mapjes in mijn computer. Maar sowieso vertrekken uit al mijn ideeën zowel
teksten als beelden, ik maak daar geen onderscheid in. Hoewel er in het werk –
mijn tekenen versus mijn schrijven – wel een gigantisch verschil is. Het is
gewoon een heel andere concentratie en een ander deel van je hoofd dat werkt.
Ik voel dat als ik aan het schrijven ben, ik constant in mijn hoofd aan het
denken ben en alles zoveel trager gaat. Het is toch veel cerebraler dan
tekenen. Terwijl als ik aan het tekenen ben, ik zo geconcentreerd ben, dat ik
onthecht ben en alles kan loslaten. Dat heb ik nooit bij het schrijven.
Misschien kunnen andere schrijvers dat beter omdat ze meer geroutineerd zijn of
zich daarover geen vragen stellen. Ik hou er zo ongelooflijk van om te
verdwijnen in mijn tekenen.
HVC: Toch heb je beide nodig?

GD: Dat houdt de dingen in balans.
HVC: Hoe combineer jij al die verschillende projecten?

GD: Ik doe veel dingen omdat mijn
vervelingsdrempel heel laag is. Daarnaast heb je in het leven maar een beperkte
tijd en daar moet je het maximum uithalen. Het gezin is natuurlijk prioriteit,
al is dat ook lastig. Alles houdt alles wel in balans. Toch heb ik veel het
gevoel: “Ik heb nog maar weinig tijd en al mijn tijd moet ik goed besteden.”
Ok, mijn sociaal leven boet wel wat in, maar ik zie gelukkig wel veel mensen in
functie van mijn werk. Uiteindelijk is dit waar je voor kiest en ik ben daar
dan ook elk moment mee bezig. Zeker als je aan het schrijven bent, ben je een
vampier die alles wat hij hoort opslaat. Eigenlijk ben je altijd misvormd.
HVC: Ik las dat je een herkenbare stijl hebt door sfeer, compositie,
kleurharmonie en kleurvervreemding. Er wordt geen rekening gehouden met
verhoudingen en perspectief en interieurs worden gesuggereerd door attributen.
Mensen staan centraal, al hou je van stereotypen als ‘De moeder’ (met een
misdadig perfect kind), ‘De dokter’… dit meestal met een vleugje humor.
Je tekenmaterialen zijn meestal schaar, geknipt papier, inkt en potlood.
Je hebt ook een zwak voor verhalen en geschiedenissen van mensen. Niet de
‘grote’ geschiedenissen, maar de dagdagelijkse weg inspireert je.
‘Vergankelijkheid’ is je lang leven. Wat bedoel je daarmee?

GD: Ook het existentiële zoals de
dood, angsten… komen nogal vaak terug in mijn werk. Je weet dat je uiteindelijk
je kop gaat neerleggen; dat is een zekerheid. Sommige mensen gaan vanuit die
redenering compleet lam vallen en denken: “Wat zit ik me hier nog druk te maken?”
Ik denk net het tegenovergestelde: “Oei, dan leg ik mijn kop neer en is het wel
gedáán! Ik moet zorgen dat ik er hier zoveel mogelijk heb uitgehaald.” In die
zin is het dus wel mijn lang leven. Het is gewoon die focus op al die
verschillende terreinen die ik heel moeilijk vind.
HVC: Sol Lewitt zegt dat enkel het idee telt, maar daar ben jij het
duidelijk niet mee eens.


GD: Die vorte conceptuelen, ik haat ze! (lacht) Bon, het is goed dat ze er
zijn geweest en nu is er terug een kentering naar uitvoering, techniek en het verhalende.
Want uiteindelijk is dat het enige waar mensen mee bezig zijn: verhalen
vertellen en visualiseren. Wat ben je met een idee als dat niet gevisualiseerd
wordt? Er hangen duizend ideeën in de lucht. Ik wil die gewoon zíen! En dan
ligt de uitdaging in hoe je die gaat visualiseren? Moet ik dat in de vorm van
een koffiekan gaan doen of in de vorm van een druipkaars en ga je er een
tekening van maken of een muziekstuk creëren? En dan pas zie je of iets
werkbaar of niet werkbaar is. En zie je hoe lastig het is daar leven in te
blazen. Daarvoor heb je métier nodig en doorzettingsvermogen en blijft het
worstelen met het echte creëren. Zolang iets niet is gecreëerd, hangt het hier
ergens. Het gaat dus samen: inhoud en vorm. Ik heb altijd een heel brede
interesse gehad en ben heel breeddenkend geweest, maar toch… Bij sommige kunst
bleef het allemaal op het cerebrale niveau hangen, het ging nooit dieper. 

Bij
dingen die visueel zijn – hoe abstract ook– voel ik dat de meeste zaken die me
raken op het emotionele, visuele en cerebrale zitten. Die werken hebben het
meeste impact. In de kunst wordt er veelal minnetjes gedaan over het narratieve
– oké, het mag niet té anekdotisch zijn, er moet een abstractie in je beeld
blijven, maar verhalen kunnen zo pakkend zijn. Maar je voelt dat om te
visualiseren métier belangrijk is. Ik denk nu aan Fred Bervoets – al heeft hij
dat volkse niveau meer in zijn werk – die telkens zijn eigen verhaaltjes
vertelt in zijn schilderijen. Zelfs al tekent hij zichzelf als vijfjarige,
zelfs dan draagt hij al een baard. (lacht) En waarover gaat het? Wat wil je
vertellen met je verhaal? Uiteindelijk wil je gewoon communiceren.

Er werd ook lang laagdunkend gedaan
over ‘métier’: dat is een technisch keurslijf en je moet daar voorbij. Je moet
‘experimenteren’. Maar hoe kan je experimenteren als je niet weet wat de regels
zijn? Anders ben je maar wat aan het freewheelen. Natuurlijk kunnen er geweldige
lucky shots zijn, maar vaak houdt het daar ook op. Terwijl, als je écht in je
métier van kleur en compositie en vorm en spanning gaat, dan ga je nog een trap
hoger. Het rare is dat dat in oude kunst altijd enorm wordt geapprecieerd, maar
in hedendaagse kunst zou dat dan plots niet meer mogen. Dus ik ben heel blij
dat er een kentering komt.
HVC: Nog even over dat communiceren: bij kunstenaars blijf ik het een rare
vorm van communiceren vinden; drie vierde van de kijkers snapt toch meestal
niet waarover de getoonde kunst gaat. En de kunstenaar krijgt zelf meestal maar
halfslachtige feedback. De communicatie loopt dus stroef.
Als jouw kinderboeken door bijna iedereen fout gelezen zouden worden of
geen kat je illustraties zou verstaan, zou je niet veel boeken verkopen, denk
ik.


GD: Op zich zijn kunstenaars bij
momenten heel pretentieus. Daar zitten ze dan met ‘hun concept’. Oké als het
idee het belangrijkste is en de rest er niet toe doet, maar dan denk ik: “Oké
kunstenaar, dat is jouw idee, maar ik heb er een ander idee over.” “Maar dat
past in mijn concept”, zeggen ze dan. Ik moet toegeven dat ik het moeilijk heb
met heel dat discours.
HVC: Ik las dat je werkt in de traditie van de Vlaamse expressionisten en
de surrealisten. Ik vind de wereld al gek genoeg en dan verzinnen jullie nog
eens dingen bij. Is dat om zelf te ontsnappen of anderen te laten ontsnappen?


GD: Wij maken er inderdaad nog een
meta-wereld bij. Kinderen kijken met een grote verbazing en nieuwsgierigheid
naar de wereld. Die verbeelding spreekt daar heel erg in mee. Het is een cadeau
dat wij tekenaars en schrijvers dat nog hebben en zo vanuit die verbeelding
kunnen werken. Daar moeten we het ook mee doen. Maar ik wil net een andere
geestige wereld maken – want mijn werelden zijn meestal wrang en angstaanjagend
– aan de hand van metaforen. Dat absurdisme interesseert me ook wel. Ik vind de
wereld al heel surrealistisch, maar ik kijk dan nog eens met nog een rare kronkel
naar de wereld. Niet omdat ik dat per se wil doen, maar omdat ik snel andere
dingen zie, omdat mijn hoofd snel werkt. Bijvoorbeeld in mijn boek Takkenkind.
De vrouw zegt tegen haar man: ‘Ik wil een kind.’ Waarop de man naar buiten gaat
om er een te zoeken. En zo ben je vertrokken in een heel rare wereld en kom je
op alle niveaus. Als die man dan weer met een boomstronk terugkomt en die vrouw
wil dat in stukken hakken… Het is een universum waar ik mij heel graag in begeef.
Je bent je eigen god, dus…
HVC: Ben je een gedisciplineerd werker?

GD: Ja hoor: opstaan, met de hond
wandelen en tegen 9u zit ik op mijn atelier. Ik werk gemakkelijk door tot ’s
avonds. Na het avondeten kan ik wel nog op de computer bezig zijn, maar tekenen
lukt me dan niet meer. Wat me ook niet lukt is zowel schrijven als tekenen op
één dag. Het is echt in blokken. Ook niet: vandaag schrijven, morgen tekenen en
dan zo afwisselen.
HVC: Ik vermoed dat je massa’s schetsboeken hebt. Hou je in je achterhoofd
rekening dat daar ooit wel kunstwerkjes kunnen uitkomen die een publiek ooit in
kaderkes aan de muur kan zien hangen?


GD: In die zin plan ik niet echt. Ik
maak gewoon schetsen – omdat ik dat belangrijk vind. Ik zie dat gewoon als
oefeningen in waarneming en verbeelding.
HVC: Werk je liefst in absolute stilte of liever aan een keukentafel met
drukte om je heen en een leuk muziekje erbij of in de verte een tv die
aanstaat?


GD: Neen! Aub, steek me op een
eiland. Vroeger werkte ik nog met de radio, maar nu kan ik zelfs met muziek
niet meer werken. Heel soms kan ik met instrumentale muziek – niet gezongen –
in een soort trance komen. Maar dan moet die muziek helemaal passen in de sfeer
waar ik in bezig ben.
HVC: Je moet rare en vreemde kronkels in je hoofd hebben om de behoefte
te voelen iets te maken. Daar alludeer je dikwijls op in interviews, dat het
dikwijls een klein lijdensweggetje is.


GD: Ik hou wel van basale dingen,
maar dat duurt nooit langer dan een dag. Dan zit er toch weer iets te broeden.
Maar bij mij heeft dat dan ook een existentiële oorzaak. Terwijl ik besef dat
er simpelere manieren zijn om het leven door te komen.
Je moet ook zot zijn om kunstenaar te
worden. Of misschien zijn kunstenaars gewoon zot, want anders zouden zij iets
anders doen. Het is ondertussen ook bewezen – ik lees veel over de hersenen –
dat bij ‘de waanzinnige kunstenaar’ dezelfde delen in actie worden gezet als
bij iemand die effectief doorslaat of zot wordt. Idem bij outsider-artists. Zij
kunnen het veel minder overzien of controleren. Zij laten zich op die flow
drijven en maken gewoon dingen. Het verschil is dat ‘gewone’ kunstenaars wel
kunnen reflecteren en bijsturen op dat creatieve proces, waardoor er controle
is.
Vroeger ging ik met mijn studenten
naar een kunstencentrum voor mentaal gehandicapten in Vielsalm. Ik vind dat
fantastisch. Maar mijn studenten waren totaal uit hun lood geslagen omdat ze
zoveel faalangst hadden in tegenstelling tot die patiënten. Die patiënten komen
’s morgens toe en zijn onmiddellijk ín dat werk. Zij werken door en zitten
direct in hun focus. Vraag me niet hoe ze denken – ze zullen absoluut wel
denken – maar wij zitten gewoon té veel te denken. Er was ook een patiënt die
de ganse tijd met zijn penseel voor zijn heel groot schilderij zat en af en toe
rechtstond om iets te schilderen.
Voor ons is dat moeilijker. Beeldend
zitten er velen op hetzelfde niveau, maar wij met ons kronkelend brein, laten
het minder samenvallen met onszelf. Dat is heel confronterend, net omdat wij
net met die faalangsten zitten.
HVC: Je werkt veel in samenwerkingsverband, heb je dat nodig als verse
lucht? Je speelde ook theater ( ‘Bremen is niet ver’), is dat als tegenwicht
voor het stilzitten achter de teken- en schrijftafel? Zou het in je natuur
liggen om twaalf uur per dag aan je tekentafel te zitten trouwens?


GD: Bij mij is het dubbel. Ik ben ook
een paar jaar gestopt met lesgeven, maar ik ben dan toch teruggegaan: je bent
verplicht naar buiten te gaan, want anders blijf je maar in je kleine wereld
zitten. Daarnaast besef ik dat door aan die studenten te moeten uitleggen
waarover het gaat, ik ook over mijn eigen werk moet denken. Je denkt wel na,
maar het moment dat je het moet verbaliseren, is het wel moeilijker. Doordat ik
studenten heb, ben ik ook verplicht bepaalde computerprogramma’s te kennen,
terwijl ik dat anders misschien had uitgesteld. Eens ik daar ook ben, ben ik 100%
met hen bezig en is er alleen maar focus op mijn studenten. ’s Avonds kan ik
die knop weer afzetten.
Op dit moment ben ik met iets bezig
waarvan ik niet weet of het er ooit echt van zal komen, maar je moet die
discipline opbrengen daarvoor. Je moet jezelf trainen om niet altijd te werken
in functie van een opdracht. Ik heb sowieso veel ideeën en werk in een schuif
liggen – puur voor de fun – maar plots komt dat dan van pas en kan ik er all
the way voor gaan.
En wat betreft die
samenwerkingsverbanden: ik hou daar enorm van.
HVC: Wat is het grootste verschil tussen de Gerda Dendooven die 25 jaar
geleden begon en de Gerda nu? Wat hebben die duizenden uren illustreren en
schrijven en de feedback erop, je geleerd?


GD: Ik zie bij veel studenten die faalangst
– al heb ik dat soms nog – maar ondertussen weet ik wel dat ik het tot een min
of meer goed einde zal brengen. Die geruststelling is er wel , terwijl ik
vroeger echt last had van faalangst en kwellingen. Ik kan minder gemakkelijk
het imperfecte accepteren.
Iemand zei me vorige week nog bij
iets waar ik onzeker over was: “Amuseert u, smijt u!” En toen dacht ik: “Dat is
het gewoon!” Het heeft geen zin te piekeren en zo, dat blokkeert alles. Je moet
proberen één te worden met waarmee je bezig bent en je daarop te concentreren
en te smijten.
HVC: Heb je veel zenuwen als je je illustraties voor het eerst moet tonen
aan je opdrachtgever? Dan toon je je toch kwetsbaar? En wat als ze het niet
‘liken’? Is dat ook niet altijd een beetje sterven?


GD: Ze weten meestal wel aan wat ze zich
mogen verwachten, denk ik… Dus neen, daarvoor heb ik geen stress…
HVC: Naar welke andere illustrators kijk je op? Of beeldend kunstenaars,
muzikanten, schrijvers …


GD: Ik heb vooral veel bewondering
voor tekenaars die heel ‘vrij’ zijn. Ik ben nog altijd te veel met mijn kop
bezig. Door veel live – voor een publiek – te tekenen, merk ik wel dat het
betert. Ik merk dat die faalangst nog groter is dan bij een vriendin van me. Ik
zou ook die vrijheid willen pakken… De tekenaars die dat doen, daar kijk ik het
meeste naar op. Om dat te kunnen, moet je al heel veel bagage hebben, om die
grenzen te kunnen verlaten. Ze hebben het ook zodanig in de vingers, dat ze
weten wat ze doen…
HVC: Je kan dan ook wel – net als ik – imperfectie smaken …

GD: Als het oprecht is wel. Het past
tegenwoordig nu wel in de beeldvorming om ‘geestig naïef’ te doen. Maar dat is
gewoon stroop op de baard smeren. Zelf doe ik nooit dingen omdat ze in de mode
zijn, ik wil vooral mezelf uitdagen. Zelf spring ik soms van het ene naar het
andere, maar dat is niet omdat je dat wilt, dat is omdat dat zo evolueert.
HVC: Je bent verkozen als een van de tien ambassadeurs van het DKO. Waar
en wanneer heeft het DKO iets voor je betekend? 


GD: Toen ik klein was, heb ik gigantisch
veel geknutseld en zat ik in de plaatselijke boetseerclub. Toen ik zestien jaar
was, heb ik op de academie van Kortrijk DKO gevolgd.
Toen ik dan nog later van het KASK
kwam, heb ik in Kortrijk deeltijds kunstonderwijs gegeven. Ik vond het de max
om les te geven aan kinderen van acht jaar. Ik voelde me zoals Julie Andrews
van ‘The sound of music’ die met haar kinderen vanalles deed en overal naartoe
ging. Die kinderen met hun verbeelding die aan je lippen hangen: zo kan je echt
tot de kern van de dingen gaan. Ze komen echt met goesting toe en dat enthousiasme
is ongelooflijk. Ik heb ook nog in musea kinderateliers gegeven. Ik denk dat ik
ook altijd a-typisch les gegeven heb en ik voelde dat ik daardoor wel navolging
kreeg van andere mensen.
HVC: Hoe zouden de Academies voor Beeldende Kunsten zich nog beter en
breder kunnen bekend maken en nog meer artistiek en maatschappelijk verankeren?


GD: Het gevaar is dat kinderen er
maar worden gedropt en de academies de functie hebben “ze bezig te houden”.
HVC: Bij volwassenen ligt het nog anders, want daar komen alle types van
mensen binnen die elk op hun manier willen ‘geëduceerd’ worden …


GD: Inderdaad, daar moet je meer
rekening houden met de individuele wensen van de leerlingen. De ene wil een bloemenaquarel
maken, iemand anders wil net het omgekeerde. Ik vind het belangrijk hen naar
model te laten tekenen, waar ze zelf model zijn. Dat is heel leerrijk hoe je
expressie steekt in dingen en leert je lijf te voelen.
Ik heb er altijd voor gepleit dat humaniora’s
samenwerken met de DKO’s. Dat scholen samenwerken met de ‘kunstschool’ – zoals
ze ook naar het zwembad gaan – en waar ze dan een gespecialiseerde leerkracht
hebben die op een veel hoger niveau die dingen kan aanleren. De stemmen die je
nu hoort opgaan, is: “Breng die DKO-leerkrachten in de scholen. Ik vind dat
geen goede zaak. Meestal hebben kunstscholen mooie gebouwen en de leerlingen komen
toch in een heel andere wereld.
Ik vind dat de P.O.-lessen in het secundair
echt te stiefmoederlijk worden behandeld: “Ach, het is maar een tekenlesje.”
Misschien heb je kinderen die niet zo verbaal zijn, maar wel op dat niveau iets
kunnen betekenen en die zo kwaliteiten in zichzelf ontdekken. Zo kan ook het DKO
op een ander niveau werken. Ze moeten de lessen plastische opvoeding uit de
taken van de gewone scholen halen. Je moet dat de reguliere leerkrachten niet
laten doen, ze hebben al genoeg te doen.
HVC: Wat is de belangrijkste troef voor een academie om volwassenen naar
de academies te krijgen, denk je?


GD: Ik denk dat als je een goeie
leerkracht hebt, hij meegaat in de verwachtingen van de leerlingen.
Tegelijkertijd gaat hij dat ook op een hoger niveau kunnen tillen door de
begeestering die hij toont. Zo zal hij dat kunnen opentrekken en mensen kunnen introduceren
in die beeldende kunst. Want daar stopt het ook dikwijls. Als die leraar laat
zien hoe het wél kan, dan kan je mensen vanalles doen inzien…
In de Offerlaan in Gent geeft Marnix
Everaert les, en dat is een ongelooflijk begeersterende lesgever. Ze komen echt
van overal naar zijn lessen. Niet alleen op het niveau van techniek, maar ook
op intellectueel niveau. Dat atelier draait op volle toeren. Daar komen mensen
die een masterdiploma hebben in de grafiek om er bij te leren. Dat is dan
misschien de kritiek die ik geef op dagonderwijs: waar wij dan veel te weinig
bezig zijn met ‘het vak, het aanleren van de tools en métier, kunnen de leraars
in het DKO dat soms beter.
Ook de academie in Eeklo is een
topacademie. Ik zat daar vorig jaar in een jury en dat was zo’n hoog niveau. Die
bende die daar lesgeeft is echt de max! Dat voel je daar echt draaien.
Of de RhOK-kacademie in Etterbeek?
Maar zo zijn er nog zoveel!
HVC: Als je er zelf de tijd (nog) voor had, wat zou je nog graag volgen
in het DKO?


GD: Ik heb nog een tijdje
animatiefilm gevolgd en dat lijkt me wel leuk om mij daar nog verder in te
verdiepen. Boetseren lijkt me ook leuk, maar ik denk als ik écht zou moeten
kiezen, ik weer grafiek en zeefdruk zou gaan volgen, en terug werken wil maken met
grote persen en zo. Dat lijkt me wel fijn.
HVC: Gewoon dóen Gerda.
Hilde Van Canneyt

De ingekorte versie van het interview verscheen ook in het tijdschrift van het DKO dACADEMIE

Op het einde van het schooljaar zijn we er met een vers tijdschrift, te vinden in (bijna) alle academies voor beeldende kunst. 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.