Categorieën
Interview

Interview met Pjeroo Roobjee


Geïnformeerd worden over de verse interviews?  Schrijf je hier rechts in onder ‘volgen via email’.

Interview met Pjeroo Roobjee (1945), Ellezelles, april 2016


Hilde Van Canneyt: Beste
Pjeroo, mijn vragen zijn nogal ongestructureerd opgesteld, we gaan gewoon doen
en niet te veel denken…
Pjeroo Roobjee: Nee, dat gaan we niet doen.
Misschien kan ik eens achteraan
beginnen… We zijn nu in uw atelier dat mits even frisse lucht nemen, vlak bij
uw woonhuis ligt. Het is hier extreem opgeruimd , bijna op het autistische af.
Is dat nodig voor zo’n barokke geest als u?
Ik kan alles verdragen in het atelier: stof, slordigheid… maar
toch hou ik eraan om mijn warrige geest een beetje onder controle te houden.
Daarom orden en arrangeer ik het schildersalaam
netjes volgens een bepaald systeem. Hoe is dat gekomen? Toen ik nog zeer jong
was en aan de academie studeerde, had ik twee professoren: Jan Burssens, die
helaas te vroeg in de vergetelheid is geraakt, en Pierre Vlerick. Vlerick was
een schilder die in driedelig maatpak schilderde en Burssens was een
sloddervos: zijn tubes lagen in bergen uitgeknepen. ‘Zijn voorbeeld moogt gij nooit volgen,‘ zei Vlerick tegen mij, ‘want ge
gaat daar zo zot van worden als dat ge groot zijt! Ge hebt dat chaotische al in
uw kop en ge hebt uw eigen furiositeit eigenlijk al in de weg staan om iets te
doen en daarbij… ge zijt nen groten luiaard’ – dat zei hij heel gaarne – ‘en ge
gaat eindigen bij de maboelen van Saint-Guislain
.’ 

In ’t begin sloeg ik die
raad in de wind. Maar Vlerick had gelijk. Ik heb mij daar dan ook altijd goed
bij gevoeld, want in den beginne, toen ik die raad nog in de wind sloeg, omdat
men zijn vaders nooit wil volgen, was het van dat: ik kon niks meer terugvinden
en verloor veel tijd die ik anders aan het vervaardigen en ondergaan van
beelden kon wijden. 

U bent net 70 jaar
geworden. Is het nog altijd zoals vroeger: overdag schilderen, ’s avonds
schildersschort aan de haak en schrijven ? Nog altijd op een ouderwetse typemachine.

Dat is nog altijd hetzelfde. Ik doe dat om enige
zelfdiscipline te behouden. Als je daar geen systeem in trekt en volgens de
grillen van de dag schildert of schrijft, dan lijdt de ene discipline en bloeit
de andere. Dan kom je toch tot een soort krom oeuvre waarin het ene domein
groter en ruimer wordt dan het andere. Dat kan natuurlijk eens wel anders
uitdraaien, maar dat is in mijn oudknapenleven weinig voorgekomen. Dus ik sta op
en vertrek met mijn kannetje koffie en flesje spuitwater naar het atelier.
Ontbijten doe ik schier nooit.  Naar mijn
atelier, dat is een wandeling van laat ons zeggen veertig meter. ’s Middags eet
ik niet. Ik arbeid al schilderend tot de zon en de dag verdwijnen. Na het
avondeten vertrek ik weer naar mijn atelier. Naar mijn schrijvershokje aldaar. 

U kijkt uit op een witte
muur met prullaria… Twee meter naar rechts is er een klein rond raampje met
daarachter een prachtige tuin. Waarom zit u daar niet? Ik zou … gek worden van
een witte muur als ik letters produceer. En bij u moeten die nog uit het diepst
van uw ziel en hersenkronkels komen. Als u wat zit te denken en dromen, dan is
er toch niks heerlijkers dan naar buiten naar de wolken en de bomen turen?

Ik heb daar inderdaad een soort kluisgat dat op de binnentuin
uitkomt, maar alles wat mij zou kunnen afleiden van de arbeid schikt mij niet.
Bent u tijdens het
schilderen – want gedachten vliegen toch soms alle kanten uit –al aan het
dromen over wat u gaat schrijven?
Het is nu eenmaal zo dat wat ik niet kwijt kan op het doek en
wel in woorden kan uiten, ik in mijn schrijvershoek ga noteren.
Is het frustrerend dat u
dat intussen niet allemaal op dat doek kan kwijtspelen?
Natuurlijk, een doek heeft vier grenzen en buiten die grenzen
gebeurt er niets meer. Het is een still.
Natuurlijk kan de kijker bij het beschouwen van dat doek er van alles bij
bedenken en het groter en grootser maken dan het stilstaand beeld is. Maar de
schilder kan dat niet. Ik noteer op mijn papier wat zich buiten de grenzen van
dat schilderij kan afspelen. Schrijven is een veel groter en grenzelozer
universum. Wij zitten hier nu gezellig te kouten,
ik zou dat op een A4 kunnen opschrijven, maar in een volgende paragraaf stuur
ik je naar het zonnige Spanje waar je een toreador leert kennen waar je mee aan
de zwier gaat…
Laat hem maar komen!
(knipoogt)
…terwijl ik hier op mijn gemak blijf zitten en in de volgende
paragraaf vertel dat ik meesmuilend uitkijk naar wat mijn personage zal
uitrichten. En ik kan dat in een hangmat in een daverende lach omtrent jullie
avonturen laten horen. Dan kan ik dat misschien een beetje in een reeks
schilderijen vertolken als een soort langlopend mythologisch beeldverhaal, maar
ik kan niet die eindeloze tocht van wat zich op het schrijfpapier kan afspelen,
vertolken op linnen. 

 

Als we uw dingen lezen,
worden we naar alle kanten meegetrokken, maar als we uw schilderijen zien –
veelal met niet zoveel personages – lijkt het veel sneller te ‘stoppen’ op een
of andere manier. Wilt u ons met uw schilderijen evenveel meevoeren als met uw
woorden?


Dat is zoals ik al zei een huwelijk, en als je die twee
tezamen hebt, dan heb je een soort Roobjeeaans
mythologietje
zonder grenzen. In mijn schilderijen alleen, gaat dat dus
niet. 

Chaim in het geel (juli 2016)

Leidenaar – naar Rembrandt (april 2016)

Shilderaartje uit de Jodenbreestraat – naar Rembrandt (2016)

U bent een reeks
portretten naar bekende schilders aan het maken. U zorgt dat er een hoek af is,
vertelde u mij. Dat is iets wat zich ontspruit in uw fantasie. Maar als wij dan
kijken, zitten wij ook al snel vast in uw schilderijen, vind ik.

Dat is inherent aan de schilderkunst. Zoals ik al zei, kan je
in de literatuur, in luttele bladzijden, een heel universum oproepen waarin er
eindeloze belevenissen van protagonisten en antagonisten aan de zwier gaan en
waar de echo’s van vele psychodrama’s wederklinken.
Dat kan moeilijker in schilderijen. 

Hongerlap in de geurige haven van Notre-Dame à la Rose / 196cmx196cm (oktober 2013-december 2015)
 
Maar vooraleer u gaat
slapen en u over uw werkdag de day after
nadenkt, bent u dan in beelden aan het dromen of in inhoud of in goesting of…?
Ik denk in beelden die niet letterlijk te nemen zijn. Het zijn
wanen en begoochelingen die op je afkomen en weer vertrekken. Het is allemaal
weinig secuur. Hoe dat er zal gaan uitzien, is vaag. Maar de geest en de
intentie en de sentimenten zijn daar en moeten figuratief op doek worden
gesmeten.
U hebt geen behoefte om
die figuratie weg te laten en compleet loos te gaan in toetsen, vlakken en gekkernijen?
Neen. Door te reizen dwars door streken die van nature zo
overweldigend waren – zoals naar Noorwegen – was er wel een periode waarin ik
al die stervelingen die ik neerzette op doek wat overbodig, vervelend en
overcompleet begon te vinden. Ik heb meer dan een jaar de figuratie losgelaten
en de natuurbelevenis proberen weder te
geven
: de gevoelens die een schilderende sterveling ervaart bij het zien
van een hoeveelheid overweldigende pracht waarin de mens nauwelijks of geen
plaats vindt. 

U woont in Ellezelles in
Wallonië –  en u trekt maandelijks naar
het Zuiden van Frankrijk om (nog meer) in de natuur te gaan werken. Hebt u geen
behoefte het Belgische of Franse landschap in al zijn schoonheid weer te geven?
Ja, natuurlijk, maar die vervelende menskens komen daar altijd weer bij kijken. Ook in het Zuiden van
Frankrijk ga ik, zoals in onze studententijd, met een collega in de open lucht
schilderen. Ginds is het natuurlijk ook het ondergaan van de natuur. Maar er is
meer pret mee gemoeid dan dat ons schilderen persé moet leiden tot intrinsiek
goeie kunst.
Vindt u dat zo’n werk dat
u buiten schildert, evenveel kunstwaarde kan hebben als een werk dat uit uw
fantasie is ontsproten?
Absoluut! Schilderen wat je ziet, is de metamorfose van het
zien. Het resultaat op doek is iets wat mij bij veel van mijn collega’s
en-plain-air-schilders ontroert.
Op wiens meesterschap in
het schilderen bent u stiekem jaloers?
Ik zie dat niet direct bij de levenden, maar natuurlijk heb ik
mijn helden gehad. Rembrandt in de eerste plaats, alsook Soutine, Bonnard en noem
ze maar op. Ik herinner me als jonge kerel in de grijze provinciestad die Gent
toen was en waar weinig of niks gebeurde – jij was nog niet geboren –  er met de tentoonstelling Figuratie en Defiguratie ein-de-lijk
iets gebeurde. Men toonde er werken van mensen zoals Sydney Nolan, een
Australische schilder die geweldige doeken maakte waaruit de generatie Britse
popschilders profijt trok. Nolan schilderde landschappen waarin, par exempel,
drie personages doolden. Zo maakte hij reeksen van Ned Kelley, de
cowboy-bandiet en nationale anti-held van Australië in de negentiende eeuw. 

Dat
zijn zo ontdekkingen die je onderweg doet en waarvoor je niet van de eerste
keer plat op je rug gaat liggen en uit onmacht en jaloezie je borstels van gaat
breken. Maar bij die eerste ontmoeting zie je toch al een soort verwante ziel,
een meester waar je je mee wilt meten en waar je je kan mee identificeren. 

Ik vind het fantastisch
hoe u met woorden omgaat… U bent een echte verhalenverteller. Thuis hoorde u
vanalles over de oorlog: u had een tegendraadse anarchistische vader. Zelf was
u een typische ‘68-er en u bent altijd blijven geloven in ‘de verbeelding aan de
macht’…
Ik hoorde van uw vrouw dat
u al van jongs af aan deed wat u nu doet en dat altijd hebt kunnen doen… Na uw
afstuderen – in ‘64, u was toen 19 – verkocht u al onmiddellijk werk en in ’66  had u al uw eerste boek uit – een thriller –
die onmiddellijk de Leo J. Krynprijs kreeg, toen een heel voorname debuutprijs.
Vóór mij hadden Louis Paul Boon en Hugo Claus hem gewonnen,
dus ik was wel een soort wonderkind in letterland, ook al omdat ik piepjong was.
Al werd dat boek door de pers daarom niet per sé goed ontvangen. Maar voor
sommigen is het een cultboek gebleven.
Voelde u altijd al aan dat
dat schrijven een plek had naast dat schilderen?
Absoluut, vooraleer ik kon schrijven, was ik al bezig met het
tekenen van een soort scenariootjes. Dat plastisch en picturaal uitdrukken zat
er voor zover ik mij kan herinneren al altijd in. Vanaf het besef dat ik
bestond, was ik daar altoos mee bezig. Ik moest geen keuze maken: ik werd geen
schilder, geen schrijver, ik wàs dat. Die impressie heb ik altijd gehad. Het
was een organisch gevoel. Het lag in de aard der dingen dat ik avondlessen
tekenen ging volgen aan de academie en daarna naar de dagschool overstapte
alwaar ik de jongste leerling ooit was. Want je moest achttien jaar zijn
vooraleer je – na twee jaar stillevenklas – de blote madammen die we moesten
tekenen, mocht zien. Ik was nauwelijks zeventien toen ik bij Burssens in de
klas kwam. Men vond het zelfs nodig om hieromtrent een speciale commissie
bijeen te roepen om zich te beraden of ik wel op die puberale leeftijd in staat
was om geconfronteerd te worden met het vrouwelijke naakt.
U bent eigenlijk nooit
écht ‘gaan werken’?

Neen…
Ziet u dat als een
privilege? Al weet ik dat het kunstenaarschap niet alleen peis en vree is
natuurlijk…
Ik heb nooit iemand als werkgever boven mij kunnen verdragen.
Wat ik mij wel herinner is dat we soms niet wisten hoe de volgende dag
financieel door te komen. Dan begon ik te zoeken waar onze boterham met confiture
te halen, maar niemand wou mij. (lacht). Wie zou er mij nu willen? Ik kan niks
behalve dat beetje wat ik doe.
Er werd me toen ook uit een eigenaardige omfloerste hoek
gevraagd of ik geen schilderkunst kon geven op zo’n academie als Maldegem. Ik
heb de proef en dat interview doorstaan, maar dan begonnen ze in de
gemeenteraad te roepen en te tieren dat ze zo’n vuilgebekte ik-weet-niet-wat
toch niet konden aannemen! Dat is een van de weinige keren dat ik een stap in
zulk een richting heb gezet.
Mijn eminente collega Fred Bervoets – waar ik gezond jaloers
op ben, op zijn kunnen – vroeg me om in zijn Antwerpse academieklas een paar
weken als gastdocent op te treden, maar de goegemeente ziet dat natuurlijk niet
als ‘gaan werken’.
Zelfs in de meest duistere financiële periodes – en die zijn
er echt wel geweest – heb ik nooit de behoefte gehad om iets anders te gaan
doen. Mijn vrouw en ik zijn een team uit de honderdduizend, maar elke keer als
het werkelijk zo ellendig was – ‘Hoe gaan we de huur betalen? Hoe gaan we
overleven?’ – en het ondoordringbaar zwart werd, gebeurde een klein mirakel,
waardoor we weer vertrokken waren.
U hebt nooit één
schilderij extra gemaakt om uw boterham beter te beleggen?
Nee, nooit! Ik heb ook nooit concessies gedaan. Ik heb weinig
schade aangericht, maar ik heb me ook nooit de mond laten snoeren of gedanst
naar iemands pijpen.
U hebt geëxposeerd op de biënnales
van Venetië en Sao Paulo, maar had u stiekem niet liever beroemder geweest over
de grenzen van ons luttele landje heen?
Wat is dat ‘beroemder zijn’? Als ze mij tot wereldster wensen
te promoveren: ‘ja’. Maar ik voel me zeker niet miskend. Het had allemaal nog
overdadiger kunnen-zijn-geweest, maar ik heb zeer veel kunnen doen… We denken
misschien aan dezelfde schilder…
Aan wie denkt u?
Aan onze vriend kunstenaar Karel Dierickx die is heengegaan en
die zich niet erkend voelde. Terwijl dat helemaal niet waar was.
Karel, waar ben je
verdomme!?
(Karel Dierickx stierf in 2014)
Karel – waar net een zalig
Liber Amicorum van uit is – was voor velen een goede vriend. U bent ook niet zo
happig op de alenigheid van uw atelier, terwijl u anderzijds weet dat het nodig
is om te creëren.
Sommige dagen… als de demonen toeslaan…verwens ik mijzelf en
het hele universum. Maar het gaat natuurlijk om het werk en het leven in dat
werk. Ik ben heel beweeglijk geweest: ik heb in theaters gewerkt met o.a.
Jan Decleir, Hugo Van Den Berghe, Vuile Mong en zijn Vieze Gasten, de Blauwe
Maandag Compagnie, het Toneelhuis en al en al… dus ik zat niet altijd in dat
kamertje… Maar ik heb ook – toen ik soms te zwaar had getafeld – al eens zin
gehad om te verdwijnen in een soort wreed Arcadië en op den dool te gaan. Soms heb je de neiging en de lust om aan dat
doodsverlangen tegemoet te komen natuurlijk. Je moet een vierendeel
zelfdiscipline aan de dag leggen of je blijft in de goot van Istanbul liggen.
Tijdens uw hommage in het
Gentse Pand ter ere van uw 70e verjaardag, werd u overweldigd met
lofzangen… Wat doet dat met een mens? Bent u dan vooral trots op uzelf op
menselijk vlak of eerder op beroepsvlak?
Ik weet dat eigentlijk
niet. Ik heb daar niet altijd speciale gevoelens bij… Wat ik wél nogal markant vond
en wat een beetje warmte om het oude hart legde, was dat de mensen van de Gentse
Germaanse filologie, met als vaandeldrager professor Yves T’Sjoen, mij aanzien
als een volbloed dichter en dat op het feest benadrukten. Dat was mij nog maar
weinig overkomen. Mijn poëtisch oeuvre is niet zo omvangrijk, maar ik vond het
mooi dat ze eraan dachten mij op dat vlak ook een beetje te vieren. Ik heb
namelijk altijd gevonden dat poëzie de allerknapste muze is, samen met die van
de muziek. Maar daarvoor zal ik niet gevierd worden. (lacht) (Pjeroo is namelijk een amateur-drummer zoals
dat heet, red.

Maar je kan ook poëet zijn in proza of in plastisch werk. 

Daarnaast had u ook net
een kersvers boek uit: Niets te vieren,
ik vermoed een allusie op uw zeventigste verjaardag.

U zegt ergens dat
schrijven altijd opnieuw beginnen is, niet ‘over-schrijven’.
Niets te vieren
heeft niemendalle te maken met mijn verjaardag. Tussen haakjes, het was niet
mijn zeventigste verjaardag. De universiteit is dus niet zo goed in rekenen, ik
ben van 1945, het jaar van de Bom. Niets
te vieren
heeft alles te maken met de gemoedsgesteldheid van het
hoofpersonage Roderick Ponto da Ponte en de droeve aard van degenen die hem
omringen.
Natuurlijk is schrijven altijd opnieuw beginnen, ça va de soi.
Schrijver Dimitri Verhulst
laat als jongere hond graag zijn lof voor u blijken…
Ook ouderen zoals vroeger Hugo Claus of Remco Campert lieten
hun hulde en verwantschap blijken en dat geeft natuurlijk een soort onverzadigbaar
doch comfortabel genot dat nooit tot een luiaardig wentelen in stinkende
eigendunk leidt maar aanzet tot grootse daden.
Ziet u hen als
‘concurrenten’? Een beetje ‘strijd’ onder collega’s kan nooit kwaad toch?
Neen, die vriendschap is vooral gebaseerd op het
toffe-jongens-onder-elkaar-sentiment, maar je kan natuurlijk niet ontkennen wat
zij en hun œuvre intrinsiek voor mij betekenen en wat mijn werk in hen heeft
weten te beroeren.
Hoe denkt u over de
kunstscène in België? Ik heb het gevoel dat u daar maar met één been in zit.
Klopt dat?
Ik volg dat inderdaad op afstand. En je hebt de boekerij
gezien op mijn atelier…daar zit heel wat lectuur omtrent het hedendaagse
landschap der Belgische kunsten tussen, leesstof die ik niet altijd kan
smaken. 
Ik vind uw schilderijen
redelijk tijdloos…
Dat probeer ik te zijn. In de vroegere jaren werd dat onthaald
als frisse en jonge kunst… Er is wel een evolutie, maar in geest heb ik niks
verraden van die jaren.

  
Nooit periodes gevoeld dat
u minder werd opgepikt?

Dat is normaal hé… maar ik heb me daardoor nooit eenzaam en
verlaten gevoeld. Ik ben altijd nieuwsgierig geweest naar nieuwe tendensen. Ik
heb me nooit verlegen gevoeld in de nabijheid van conceptuele kunst of zo.
Het lijkt me alsof u
altijd in uzelf hebt geloofd…
Inderdaad. En natuurlijk slaan de demonen zoals gezegd soms
toe, als het minder goed gaat met jezelf – want het ligt altijd aan jezelf. En
natuurlijk vind ik niet alles van mezelf even goed. Ook in de plastische
kunsten heb ik vrienden zoals Leo Copers en Marcase, al zijn we totaal
verschillend qua beeldtaal. Of vroeger Karel Dierickx, Roger Raveel en Raoul De
Keyser: we zijn allemaal verschillende naturen, maar over de intrinsieke dingen
hebben we nooit grote meningsverschillen of ruzies gehad. We hebben trouwens
nooit ruzie gehad, over niets. De uiteindelijke meningen in de diepte lagen
niet ver uit elkaar, al zou je dat niet zeggen als je naar onze voortbrengselen
kijkt. Daarom zijn al die vriendschappen, die allemaal heel vroeg zijn
ontstaan, nooit verziekt geworden, laat staan verslapt.
Jullie zijn medestrijders
gebleven.
We konden heel makkelijk in elkaars werk stappen.
Heeft wijlen kunstpaus Jan
Hoet bijvoorbeeld, veel aandacht aan u geschonken?
Bij Jan Hoet voelde ik een diepe vriendschap, al waren we geen
zielsverwanten. Het was altijd koekenbak tussen ons. Hij vond bijvoorbeeld dat
ik een voortreffelijk acteur was. (lacht) Ook als schrijver eerde hij mij, maar
mijn schilderen vond hij blijkbaar minder.
Iemand schreef dat uw
nieuwe roman nauwelijks verschilt van uw debuut. Vindt u dat een complement of
niet? Enerzijds wilt dat zeggen dat u jong en fris bent gebleven, anderzijds
dat u misschien niet bent geëvolueerd?
Ik vraag mij af wie zulke onzin mag geschreven hebben?! Natuurlijk
is er evolutie, dat kan niet anders. Maar de ziel van de schrijver van het
laatste ding is nog altijd de ziel van een jonge spruit, dit omdat ik nooit een
ouderling ben geworden.
Blijft die strijd om te
schoppen tegen dingen en om de wereld te willen veroveren?
Dat blijft, al is het op een andere manier. Ik strijd nog met
de wapens en woorden die nu voorhanden zijn en dat is een ander soort
dialectiek dan in mei 68. Maar de wrevel en de nood die ik in mij voel –
‘pamfletair’ is een raar woord – om de dingen te duiden en er tegenin te gaan,
is er nog altijd en zelfs in meerdere mate. Dit omdat ik het tijdsgewricht
waarin wij nu leven, zeer voos en afgeciseleerd vind. Alsof niets van dat
verleden zich nog wil overhouden. Die demarche uit dat verleden en dat zich
warmbloedig opstellen, is er wel een beetje uit.

Aan de andere kant schrik ik me soms een ongeluk van het
engagement van veel jonge mensen die hun nek nog dapperder uitsteken dan dat
wij hebben gedaan. Maar de scherpe lijn die vroeger het verschil toonde van wat
wij bedoelden en wat de overkant van de bareel dacht, is wat vervaagd en
afgevlakt. In die vroegere boeken van mij lees je natuurlijk de arrogante ernst
waarmede wij schreven. Die arrogante
lyriek die ik hanteerde, heeft plaats gemaakt voor iets wat sardonischer en aan
de andere kant sarcastischer is.
We gingen soms aan ernst ten onder, denk ik. Aan dat soort
absolute, waar nu een ander soort absoluut iets tegenover staat dat misschien
genuanceerder is, maar ook sardonischer en duivelser is en dat met een klein
brokje kloterij en met een rare lach wordt gebracht.
Eigenlijk zijn uw
schilderijen toch braver dan uw schrijfselen? Van uw schilderijen zei u eens
dat, eens u ze hebt gemaakt, u de romantiek ervan hebt gehad en u ze erna
eigenlijk niet meer hoeft te zien.
Al durf ik in mijn schilderijen ook ferm over de schreef te
gaan, hoor! De dingen die ik naar Sao Paulo opstuurde of in Venetië toonde,
waren toch niet van de poes. Wat ik in de Zwarte Panter in Antwerpen soms
toonde – toen het Vlaams Blok daar in opkomst was – is toch van hetzelfde
gehalte als de stoutigheid van mijn geschriften.
Ja, het is nu eenmaal zo gesteld dat doeken die af zijn niet
meer in mijn buurt moeten blijven staan, althans niet dat ik ze zie. Na onder
moeders vleugels komt de wijde wereld in. Mochten die doeken in het atelier
binnen mijn blikveld blijven dan zou ik er verder aan werken. Het
Bonnard-syndroom. 

Dienstmaagd Priske en haar gebieder – Chinese versie / 120cmx136cm (sept-okt 2009)

Natuurlijk kan u het
anderzijds niet met zoveel woorden zeggen in een schilderij…

Natuurlijk niet, maar met de middelen die mij plastisch,
picturaal en schilderkunstig ter beschikking staan, kunnen sommige
wantoestanden in de wereld mij van zoveel woede verteren, dat ik die woede
graag aan de goegemeente toon. Het is een onweerstaanbare drang om dat neder te zetten en van mij af te
schilderen. En dan wil ik dat natuurlijk tonen, om een beetje de moralistische
meester uit te hangen. (lacht)

Is het een beetje de
wereld willen veranderen?

Dat is misschien een beetje overdreven. Ik ben ook maar een
zoogdier dat op zijn achterste poten loopt en denkt dat hij redeneren kan, net
als de anderen. Maar met dat verschil dat ik die onmacht uitschilder en wil
tonen wat er met mij vanbinnen gebeurt als er, par exempel, kwaaie dingen
rondom mij voorvallen.
Als een schilder zoals Goya bijvoorbeeld Los fusilamientos del 3 de mayo schildert – en dat allerminst als
een proper santje – is dat ook om
alles van zich af te schilderen, te tonen dat dit schilderij als een baksteen
tussen de ogen van de kijker terecht moet komen. Zo heb ik op mijn manier, als
de nood drong, het ook geprobeerd. Ik hoop dat zulks tot leer en strekking kan
dienen voor de kijker. 


Moet u zich ’s ochtends
opladen alvorens u naar uw atelier trekt?
Neen.
Maar u moet toch iets te
veroveren hebben?
Dat naar het atelier gaan is iets natuurlijks. Maar ik kan disponibel zijn voor bezoek en zo, ik kan
ook mijn werk neerleggen. Al voel ik met de jaren een zekere traagheid, ik heb
het gevoel dat de dagen heel kort worden. Zoals Boon zei: ‘Ge staat op, ge zet u achter uw schrijftafel, en ge staat weer op en
denkt: ‘Tiens, het is alweer voorbij.’
Hoe staat u er tegenover
dat je als kunstenaar tegenwoordig een website moet hebben? Want ik vind dat
eigenlijk niet bij u passen.
Ik zou dat zelf nooit gedaan hebben, Leentje heeft mij dat
zachtjes opgedrongen. Maar ik vind het wel geestig dat het een soort archief is
voor mezelf, ik zie dat niet als commerciële website.
Ik zie dat u geen tv in uw
woonkamer hebt staan.
Ik kijk geen tv. Leentje heeft in onze archiefkamer wel een
oud toestel staan. Ik lees. Vooral dingen die zich aandienen, van klassiekers tot
nieuwigheden.
Vindt u dat u als
kunstenaar de actualiteit op de voet moet volgen?
Vroeger las ik vier à vijf kranten per dag en nog wat
tijdschriften erbovenop. Het was ongelooflijk fraai als je zo’n krantenwinkel
uitkwam, dat je zo’n groot pak mee had (lacht). Maar op den duur begon ik dat
tijdverlies te vinden. Ik luister nu radio terwijl ik schilder. Voor bewezen
diensten bij de Blauwe Maandag Compagnie – ik heb eens een geil gedicht voor
hen geschreven (lacht) – kreeg ik dat zwarte ding, -hoe noemen we dat nu bij
naam? Een ghettoblaster? Het behoort ook al tot de geschiedenis van de
oudheid-. En als mij dat verveelt, leg ik cassetjes op.
Misschien mag een
kunstenaar wel in een soort tijdloosheid leven.

Ik blijf toch nieuwsgierig naar wat er in de wereld gebeurt.
Jullie hebben ook een
tweede verblijf in Frankrijk… Ter afwisseling? Om andere kunst te maken? Als
vlucht?
Behalve reizen die in verband stonden met het schilderen of
schrijven, mijn exposities of optredens, reisden wij praktisch nooit. Toen ik
vele jaren geleden in het Zuiden was voor het programma Confidenties in de Provence met wijlen mijn vriend Daniël Van Avermaet,
was het zeer lang geleden dat wij nog in het Zuiden waren geweest. In de buurt
van de opnames ligt Le Barroux waar ook Ivo Michiels woonde en midden in dat
dorp was er een vervallen hoeve te koop. Door de dood van Leentjes ouders
hadden wij een potje en we dachten: ‘Als we daar nu niks verstandigs mee doen, raken
die centen rapper dan rap op door de schuld van het dure leven.‘ Van die
plannen in Le Barroux, daar is niets van in huis gekomen, maar zo ontvlamde het
verlangen om naar het Zuiden te trekken.


Ga je daar anders te werk?
Ik maak daar alleen maar kleine schilderijtjes en ik leg me er
minder discipline op. En terwijl mijn aquarellen drogen, zet ik dingen aan in
mijn schrijverijen.
Weervoorspeller in Toulon (5 april – 11 april 16)

Hoort daar dan ook een
Picon bij?

Neen, neen. Al heb ik dat wel al geprobeerd. (lacht) Maar daar
komt meestal niet veel uit, zeker als je het ’s anderdaags terugziet. De enige
die daar bij mijn weten zonder schade weg mee kan, is Fred Bervoets. Goesting
naar een ‘dreupelke’, Hilde?
Ik heb al sinds mijn
studententijd geen jenever aangeraakt, wegens te veel kronkelige naweeën. Maar
ik vind het wel grappig er eens eentje met u te drinken.
Schol!
Schol! En dank voor het
Pjerotisch gesprek!
En wat volgde blijft
tussen ons. (knipoogt)
Hilde Van Canneyt:


 Hilde Van Canneyt


www.roobjee.be 

www.dezwartepanter.com 

Pjeroo Roobjee stelt tentoon:

De Zwarte Panter, Antwerpen:  van 19 maart tot 7 mei 2017
 

Hôpital Notre-Dame à la Rose, Lessines, 2017

Nieuwste boeken uitgegeven bij Querido:

Niets te vieren (roman)
De zomer van de neusbloedingen (roman)
Een mismaakt gouvernement (roman)
Naar betere oorden en andere verhalen uit de buitenste duisternis (korte verhalen)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.