Categorieën
Interview

Interview met Hans Op de Beeck (2)

Gedaan met lanterfanten! Het is weer bittere ernst… Alhoewel, kunnen we de kunst niet een béétje minder ernstig nemen? Kan er een béétje meer gelachen worden? Relativeren? Maar even deze zomerse namijmeringen terzijde: aan allen die het voelen kriebelen: schrijf je NU in in de dichtstbijgelegen ACADEMIE om al je beeldende lusten bot te vieren! En voor wie nog zou durven twijfelen: grits het tijdschirft d’ACADEMIE mee (die vind je wel aan de ingang van elke academie), laat je in een ruk inspireren door onze ambassadeurs en go for it! We starten met Hans Op de Beeck.


Foto’s Anneke d’Hollander
 

Hilde Van Canneyt:
Beste Hans, met welke van jouw werken zou de lezer het meest vertrouwd zijn,
denk je? Ik noemde jou enkele jaren geleden een artistieke duizendpoot. Is dat
insect intussen al wat getemperd? Zijn er al wat stemmen van de Hans Op de
Beeck-kunstenaars die in jou woelen, verdwenen?
Hans
Op de Beeck
: Ik ben een van die moeilijker te plaatsen mensen, omdat ik heel
multidisciplinair werk. Ik heb veel grote immersieve installaties gemaakt;
dingen die belevingsgericht zijn. Je kan het zien als een soort van fictieve
oorden: landschappen en interieurs die op een sculpturale manier volledig zijn
geconstrueerd. Het zijn als het ware grote lege filmdecors waar alle objecten
zijn gebeeldhouwd: het zijn geen readymades. Ze roepen een beleving op voor de
toeschouwer. Naast die installaties maakte ik ook veel sculpturen in gips,
hout, glas en brons. Ik heb tot dusver ook dertig uiteenlopende video’s
geproduceerd. Daarnaast heb ik zowel een film gerealiseerd met achthonderd
figuranten, een film met poppenspelers en marionetten, animatiefilms, geanimeerde
aquarellen en potloodtekeningen, digitale animatiefilms, cinematografische
films met acteurs en decors en in blue en green screen studio’s. Ook dat gaat
alle kanten uit. Verder heb ik heel veel fotografisch werk gemaakt en heb ik de
afgelopen vijf jaar wel een vierhonderd aquarellen gecreëerd van twee tot drie
meter breed. Ik zit voorbij een kilometer aquarel. (lacht) Ik heb veel
potloodtekeningen gemaakt, teksten en kortverhalen geschreven, alsook mijn
eerste theaterstuk geschreven en geregisseerd. Ik heb muziek gecomponeerd voor
mijn theaterstuk en voor een aantal van mijn videoproducties. Naast theaterregie,
kostuum- en decorontwerp, realiseerde ik ook het bühnebeeld voor enkele
operaproducties. Gemiddeld heb ik nog zo’n tien solo’s en twintig
groepstentoonstellingen per jaar. Dus ja, ik weet niet vanwaar de mensen mij
kennen. (lacht)
Amai, wat een boterham!
Ik
ben één van die kunstenaars die veel meer bijval krijgt in het buitenland dan
hier. Mijn museale solotentoonstellingen heb ik de afgelopen jaren in de VS,
Azië en Europa gehad. Maar niet in België. (lacht) Ik heb zo’n parcours waar je
geen vat op hebt. Mijn werk gaat van de ene plek naar de andere en het lijkt
alsof ik er niks in te zeggen heb. Het is een bal die vanzelf rolt… Via
omwegen komen mensen van alle disciplines bij mij terecht.
Welke
huzarenstukjes heb je de laatste jaren 
uitgehaald en zou je graag in het daglicht stellen?
Toen
ik acht weken lang aan het repeteren was met mijn acteurs in de Schauspiel
Frankfurt, ervoer ik dat het fijn was om eens op een immateriële manier bezig
te zijn. Puur op tekst, klank en interpretatie werken, is eigenlijk een heel
fijn iets. Je kan het vergelijken met beeldhouwen: schaven tot je dingen goed
krijgt. Ik heb werkelijk alle facetten doorlopen in dat theaterstuk: de teksten
geschreven, regie gedaan, kostuums, bühnebeeld en belichting ontworpen, alsook
de muziek gecomponeerd. Ik zou dat nu graag eens doen met een film: één grote
loods en Peter Greenaway-achtig alles zelf construeren en ensceneren. Ik houd
sowieso van kunstwerken waarin alles als een Gesamtkunstwerk samenkomt.
Daarnaast zou ik nog de nadruk willen leggen op een nieuwe grote, permanente
landschapssculptuur The Quiet View die op de abdijsite Herkenrode in Hasselt
staat. Het werk is om en bij de 300 m2 groot. Voor het eerst heb ik de
architectuur ontworpen voor de sculptuur die er zich in bevindt. Je kan het
elke dag tot 17u bezoeken, behalve op maandag. (lacht) Ik mag nu ook voor het
kantoor van koningin  Mathilde in het
koninklijk paleis kunstwerken maken.  Dat
zijn allemaal dingen die tot mij komen. Als mensen echt in mijn werk geloven,
ontstaan de mooiste samenwerkingen. Zoals nu bijvoorbeeld in Wolfsburg in
Duitsland, krijg ik in het museum de grootste tentoonstelling die ik ooit heb
gehad: 2000 m2 ruimte. Die heer volgt mijn werk al vijftien jaar. Nu hij
directeur is, kan hij me eindelijk een expo geven, zei hij me, haha.
Het is wel een
talent om al die ballen tezamen in de lucht te houden. Is dat je gave? Het
grote geheel zien? Want je zou het je als kunstenaar een stuk makkelijker
kunnen maken als je alleen maar zou aquarelleren en kleine sculpturen maken.
Jouw drijfveer is de luxe te hebben ergens je tanden te kunnen inzetten, het
spelplezier, de trial and error , en als het moet: kill your darlings … Daarbij
streef je in the end naar een kunstwerk waar vorm en inhoud in evenwicht zijn,
volgens jou belangrijker dan naar vernieuwing streven.
Naar
vernieuwing streven is het laatste van mijn zorgen. Als we naar de geschiedenis
kijken, zijn de grootste kunstenaars niet altijd de grootste vernieuwers. Eén
van de interessantste componisten is ongetwijfeld Bach. Alle musicologen zullen
bevestigen dat hij niet de grootste 
vernieuwer was, hoewel hij één van de weinigen is die voor mij het label
genie mag dragen. Zo iemand was ook niet bezig met per se de conventies
onderuit te halen. Meestal komt er uit die ‘vernieuwers’ ook niet altijd de
beste kunst. Denk maar aan de zero beweging of de futuristen met hun
manifesten. Meestal zijn die vernieuwers nogal naïeve mensen. (lacht) In
retrospect is het weleens een scheet in een fles.
Wat denk je dat
jouw sterkte is als kunstenaar?
Ik
gebruik veel soorten esthetiek; ik durf zelfs graag als eens gebruik te maken
van foute esthetiek als die weet op te roepen wat ik beoog. Ik heb een heel
eclectische stijl. Ik vermoed dat mijn talent ergens zit in – wars van
esthetiek – het werk in balans te krijgen. Voor mij mag werk  zowel minimalistisch zijn als heel barok. Het
gaat er om hoe juist de totaalbalans zit van de deelaspecten van dat beeld.
Omdat ik een kunstenaar ben die gelooft dat er in wezen niets oninteressant is.
(lacht) Zoals Morandi, die een paar flessen op een tafel zet en daar heel
interessant mee is. Hij kan dat op een zinderende, vibrerende en gesmoorde, en
intimistische manier weergeven. Het bijzondere zien in de banale dingen, is
misschien waar ik het meest mee bezig ben. 

Wat maakt een Hans
Op de Beeck-werk,  een typische Hans Op
de Beeck ?
Soms
hoor ik: “Ah, ik had niet gedacht dat dat een werk van u was!” Maar voor mij is
het vooral: mezelf verder blijven uitdagen. Ik ben bijvoorbeeld een jaar
geleden levensgrote sculpturen van de menselijke figuur beginnen boetseren,
omdat ik weet dat het heel moeilijk is om dat tot een sprekend resultaat te
brengen. Ik heb veel werken gemaakt rond de lege ruimte, zoals een leeg
kruispunt, een lege snelweg, een verlaten wegrestaurant… Maar dat is een
thematiek die op den duur te makkelijk en voor de hand liggend wordt. De
intendant van de Schauspiel Frankfurt dacht dat ik een stuk zou maken met heel
weinig tekst waar alles tussen de lijnen van het beeld gebeurt, zoals in zoveel
werk van mij. Hij was erg verrast toen ik kwam aanzetten met zestig bladzijden
tekst: die acteurs zijn constant aan het spreken. Dat doe ik echt om uit mijn
comfortzone te treden. Dat brengt je ook gewoon vooruit, als een soort van
zelfemancipatie. Dat is net de reden dat je kunstenaar wordt,  denk ik. Ik vind het fijn telkens alles op
losse schroeven te zetten, onzeker te worden hoe alles zal worden ontvangen.
Dan spant het er weer allemaal om, voel je die adrenaline. Dat vind ik zo
schoon en wezenlijk aan de kern van creatief zijn! Ik begrijp het routineuze
niet van sommige kunstenaars. Er zijn zoveel kunstenaars die zo’n one trick
pony zijn en het tot in den treure blijven herhalen, als een horizontaal
landschap waar geen  evolutie meer inzit.
Over naar het DKO.
Heb jij, als jongen in korte broek, een academie van binnenuit gezien?
Nee.
Zowel mijn broer als ik, lazen en tekenden stripverhalen als jongetjes en
tieners, maar zaten niet op een academie. Wij waren zo van die typische nerdy
kinderen die als laatsten werden gekozen voor het voetbalgroepje. Ik heb een
heel sportieve zoon die zelfs competitie zwemt, wat onvoorstelbaar is dat dat
mijn zoon is. (lacht)
Zelf koos je op je
achttiende voor Vrije kunsten  op
Sint-Lukas Brussel… Op dat moment dacht 
je nog dat je als kunstenaar een coherent verhaal moest vertellen.
Goh,
ik heb nog wel wat omwegen gemaakt. Ik ben pas op mijn 23ste aan Sint-Lukas
beginnen studeren. Daarvoor deed ik allemaal k*-jobs om te overleven. Het is
een late en uitgestelde roeping. Ik wist altijd wel dat ik kon tekenen, maar
het heeft even geduurd voor ik die stap zette. Ik heb mijn kunststudies dan ook
zelf gefinancierd.
Maar de honger naar
onderzoek, kennis en impulsen van inspirerende leermeesters was nog niet
gestild, want je betrad ook nog de trappen van het HISK. Al was je daarna nog
niet bevredigd, want je wilde nog meer – wat had je nog tekort? – en trok naar
de Rijksakademie in Amsterdam.
Voor
de duidelijkheid aan de lezers: voor beide moet je worden uitgekozen… Op een
gegeven moment besef je dat er luxueuze omgevingen ter beschikking zijn voor
jonge kunstenaars. Ik raad ook iedereen aan die nu een master doet, om zich
kandidaat te stellen voor alle mogelijke dingen die er zijn, want daar zijn ze
ook voor. Als je van nature niet iemand bent die met uitgestoken hand op iemand
afstapt, of niet socializet op openingen, dan zijn zo’n instituten een enorm
cadeau. Toen ik op de Rijksakademie zat, had ik Michelangelo Pistoletto op
bezoek die me zei: “Hans, ik breng je naar Italië!” Wat hij ook deed. Ik
ontmoette er allemaal interessante mensen uit het vak. Ik ben niet het type dat
netwerkt. Ik had zelfs nooit met Jan Hoet gesproken, tot op de dag dat hij de
inleiding kwam geven op mijn opening in het museum in Den Haag.
And last but not
least: Na een tussenperiode  van drie
jaar trok je nóg eens voor een jaar naar het Moma P.S.1 Studio Program. Was dat
nódig? Wat heeft het je bijgebracht?
Dat
was een heel goede beurs. Een lokale jury in New York besliste uit preselecties
van de deelnemende landen wie er kon deelnemen. Ik moet toegeven dat ik niet
zoveel aan dat programma zelf heb gehad, maar wél aan New York, een
fantastische stad die veel voeding geeft aan een kunstenaar. Je kreeg er een
klein ateliertje en dat was het zowat. Maar meer had ik ook niet nodig.
Welke
ontwikkelingen maakte je door na je afstuderen op Sint-Lukas? Je sculpturale
installatie Location (1) – die op vele plekken in de wereld getoond werd- is
ontsproten uit de Rijksakademie.
Op
Sint-Lukas studeerde ik af met foto’s, sculpturen en een video. Ik was toen al
heel multidisciplinair bezig. Daarna ben ik in het DKO les beginnen geven. Ik
deed er een vervanging op de academie van Leuven. Via een tip van Berlinde De
Bruyckere heb ik me kandidaat gesteld voor een lesopdracht aan de academie van
Waasmunster, nog onder het directeurschap van Wilfried Huet, een heerlijke man.
Daar gaven veel kunstenaars les met een bloeiende carrière, mensen uit het
veld, wat ik een meerwaarde vind voor het DKO. Tussenin ben ik nog naar de
Rijksakademie getrokken. Ik raad jonge kunstenaars ook altijd aan om een
inkomen te zoeken, zodat de druk niet op je werk komt
om
er meteen van te kunnen leven. Tot op vandaag heb ik altijd mijn
kunstenaarspraktijk gecombineerd met een job. Ook nu: ik begeleid
doctoraatskandidaten. 

Aan je studenten
raad je aan vooral koppig en  eigenzinnig
te blijven en meer vertrouwen te  hebben
in hun eigen oordeel.
Net
doordat ik heel eclectisch werk en ook als toeschouwer een heel eclectische
smaak heb – ik houd zowel van Donald Judd als van Thomas Hirschhorn, heel tegengestelde
kunstenaars – kan alles voor mij: zowel hilarische kitsch of doodernstige droge
kost. Ik vind het allemaal interessant: als het goed is, is het goed. Zo is het
voor mij gemakkelijk mee te denken in die verschillende oeuvres en eigenheden
van die studenten. Ik probeer me in te beelden dat het mijn oeuvre zou zijn, en
welke stappen ik dan zou zetten, want ik ga me nooit opstellen tegen een eigen
stem.
Is het leraarschap
versus het kunstenaarschap een win-winsituatie? Want jij voelt voor jezelf dat
onderwijzer zijn geen roeping is. Voor wie het een roeping is, kan het wel een
verschil maken in een mensenleven.
Misschien
klinkt dat wat arrogant, maar ik kan niet zeggen dat die wisselwerking met een
student mij inspireert als voeding voor mijn eigen werk. Dat komt omdat ik
nooit het probleem van een gebrek aan inspiratie heb gekend. Ik heb net gebrek
aan tijd om dingen te realiseren die door mijn hoofd woelen. De vonk, het
enthousiasme gutst er bij mij sowieso al de hele tijd uit. En in retrospect ben
ik de eerste om kritisch en met zelfrelativering aan mezelf te durven toegeven:
“Dit is wel een heel slecht kunstwerk.” Er zijn heus wel werken van mezelf die ik
niet meer terug wil zien. (lacht) Wat ik wel fijn vind aan het lesgeven, is de
waardering die je krijgt. Er zijn veel mensen van wie ik docent ben geweest,
waar ik voel dat ik van waarde ben geweest.
Wat is volgens jou
de taak van het DKO?  In welke zin is het
een meerwaarde voor de kijk naar de wereld?
Ik
vind dat er sowieso zou moeten rekening worden gehouden met een doorstroom naar
het professionele veld. Oké, ook de verdienstelijke bloemenschilder zit in het
DKO, maar er zitten ook steeds mensen tussen met de ambitie professioneel te
worden, die door omstandigheden maar later de draad kunnen opnemen. Het is aan
de academie om ook dat verhaal mee te nemen van mensen die een ander pad kiezen
dan dat van de dagopleiding. Het DKO zou ook een plek moeten zijn voor mensen
die verder willen gaan in de kunst. We hebben al een schrijnend tekort aan
aandacht voor de kunsten in de middelbare schoolopleidingen, dat zinkt daar een
beetje weg. Nochtans hebben we een grote rol te spelen in de culturele
opvoeding van mensen. De waarden van de kunsten moeten blijven worden
overgedragen, dat is zo belangrijk. Het DKO heeft sowieso een taak omdat het
over alle sociale klassen en achtergronden heen fietst en in het beste geval
zowel de verdienstelijke hobbyist als de student met grotere ambities bij
elkaar brengt. Het DKO is een heel mooi platform dat sowieso constant bekeken
en geëvalueerd moet worden.
Wat is je definitie
van het kunstenaarschap?
Illusies armer of rijker after all those successful
years ?
Het
is het mooiste vak ter wereld en ik besef maar al te goed hoe verwend ik ben.
Nochtans
heb je het aan jezelf te danken.
Het
gaat om toewijding. In alles. Met liefde, aandacht en zorg, genereus zijn.
Mooie kunstenaarswoorden
om mee te eindigen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.