Categorieën
Interview

Interview met Natalie Braine



Interview met NATALIE BRAINE (1972), Antwerpen, maart 2015 n.a.v. het tijdschrift d’Academie (tijdschrift voor het deeltijds onderwijs, richting beeldende kunst) 
Te verkrijgen in alle academies. Deze week als extra editie tussen het tijdschrift H ART.
(btw: dit de lange versie v h interview)
foto: Anneke d’Hollander
Hilde Van Canneyt:
Hallo Natalie, kan je me iets vertellen over je engagement voor H ART, het
tijdschrift over hedendaagse kunst in België en omgeving.
Natalie Braine: Ik ben bijna 10 jaar werkend vennoot
en sinds 1 juli 2015 officieel co-zaakvoerder samen met stichter en oprichter
Marc Ruyters. Ik doe de commerciële, zakelijke, promotionele, communicatieve en
strategische kant en zoek vooral naar synergetische samenwerkingen met
partners, zoals nu bijvoorbeeld in oktober met La Fiac en L’Officielle in
Parijs. (lacht) We brengen in H ART-magazine interviews, expo’s,
museumbesprekingen en duiding. Daarnaast is het tijdschrift: alert, actueel en
toegankelijk. Momenteel zijn we bezig met het leggen van een basisstructuur
voor een internationaal platform voor hedendaagse kunst.
België als
land van de beeldcultuur met een groot potentieel aan hedendaags internationaal
talent moet in het buitenland nog meer gepromoot worden en dit via de juiste
communicatie. En daar werken Marc en ik nu aan samen met de Raad van Bestuur
van H ART. We kijken hoe we dit kunnen realiseren naast de oorspronkelijke H
ART die in januari 2016, 10 jaar bestaat. H ART FRANCAIS is hier al een stap in
die richting. Ik leg bruggen en faciliteer in hetgeen ik doe.
HVC: Jullie
hebben met H ART – oplage 3500 exemplaren – een unieke positie in kunstenland.
Wat willen jullie uitdragen?
NB: We hebben geen concullega’s. Spijtig genoeg, want
we hebben het allemaal zelf moeten uitzoeken in die tien jaar. Dat is niet
simpel: onbetreden paden ontdekken en ze vrij maken. We hebben hard gevochten.
Marc in front. Wat die man heeft neergezet is om het in zijn woorden te zeggen,
quasi “schier” onmogelijk om elke drie weken zo’n tijdschrift neer te poten. H
ART-magazine wordt gemaakt ter ondersteuning van de hedendaagse kunstensector
en functioneert als een communicatieve hefboom.
We ondersteunen redactioneel en krijgen veel
appreciatie en toffe reacties. Er zijn natuurlijk altijd negatieve stemmen die zonder
een overzichtsinzicht liever de dingen voor hun eigen belangen willen inzetten
… Maar Ruyters is ook op dat vlak een expert waar ik veel van geleerd heb. Door
zijn ervaring kan hij voor zover het mogelijk is in dit Belgische landschap van
de hedendaagse kunsten, balanceren en het evenwicht bewaren. Dit wordt me
altijd nog eens duidelijk als er dingen in brand vliegen binnen de kunstwereld.
HVC: Waarom is
H ART ook interessant voor een DKO-er?
NB: Het is interessant om het reilen en zeilen te
kennen van de hedendaagse kunstwereld als je bezig bent in een bepaald
vakgebied. Ook om jezelf daarin te positioneren is het belangrijk om
verhoudingen te kennen en te leren zien.
Er staan in H ART zoveel dingen waar je naar toe kan:
het geeft een vrij volledig en actueel overzicht. In te zetten als kruiwagen
voor je eigen werk of als bron van inspiratie. Inzichten in verhoudingen. Het
gaat ook over een zekere herkenbaarheid, om te weten wie met wat bezig is. Het
tijdschrift biedt activiteiten aan in functie van disciplines en interessevelden.
H ART intermedieert tussen de spelers in het hedendaagse kunstenveld en  publiek. (Zie ook www.hart-magazine.be) Trouwens,
we hebben een speciaal docenten- en studentenaanbod, te regelen via de school.
HVC: Even naar je
fotografie-ambities: op je twaalfde keek je al verwonderd naar beelden uit de
foto- en schilderkunst. Zowel de sfeer als de verhalen in de beelden, fascineerden
je. Vond je die boeken in de kunstbibliotheek van je ouderlijk huis?
NB: Totaal niet, mijn mama ging altijd naar de bib, dus geen
boekenkast thuis, en ze nam me mee als kind zonder dat ik mijn draai vond. Maar
ik leefde in mijn tienerjaren in een cultureel boeiende context via vrienden. In
mijn volle puberteit zat ik eigenlijk al in dat cultureel milieu en dat heeft
veel doen kiemen. Op mijn twaalfde won ik een opstelwedstrijd en als prijs won
ik kunstboeken met reproducties van schilderijen. En daarin kon ik blijven in
bladeren. Zo ontdekte ik Hopper, Otto Dix, Mondriaan, Picasso, Klimt, Schiele,
Miro, Modigliani en zovele andere. Die paar boeken, daar heb ik het jaren
meegedaan samen met de film van Camille Claudel. Er was nog geen digitaal
platform, hé. Vooral de tactiliteit van een schilderij boeide me, het bijna
kunnen aanraken van die verfstrepen. Ik wilde altijd bijten in een Bram
Bogaerts (lacht)
Daarna ben ik in contact gekomen met modefotografie. Mijn broer had
oude Marie-Claires en Vogues gevonden
op straat en dacht: “Dat is iets voor mijn zus, hij heeft ze meegesleept op
zijn klein BMXke.” Na mijn humaniora wilde ik gaan werken als assistente van
een modefotograaf in Parijs. Mijn moeder nam me mee naar de Franse ambassade en
daar ontraadde die man me het idee om naar Parijs te trekken. Ik zag mijn beeld
in vijf minuten aan diggelen slaan. Ik heb dan nog eens met een kunstfotograaf
gesproken, maar die was zó pretentieus en hautain. Enfin, al die momentopnamen
hebben ervoor gezorgd dat ik na mijn studie journalistiek uiteindelijk koos
voor deeltijdse fotokunst. Ik ben beginnen zoeken – via de Gouden Gids toen nog
– en kwam terecht bij d’Academie van Antwerpen bij de toenmalige conciërge die
in de poort woonde en die heeft me overtuigd om me in te schrijven.
HVC: Had je
voor je Academiejaren al voorbeelden in de fotografie waar je naar opkeek?
NB: Ik kwam uit het conventioneel onderwijs: Latijn
Griekse ASO. Ik had een jaar sociologie gedaan en drie jaar journalistiek, maar
ik was toch al met fotokunst bezig op school. Ik maakte vooral portretten.
Buiten de klassiekers ging  mijn interesse uit naar Nan Goldin, ontdekt op
een expo in London van Peter Greeneway. Ik werd gefascineerd door die sociale
zelfkant. Ik moest ooit een project doen op de journalistieke school: een aidsvoorlichtingskrant
voor prostituees in samenwerking met http://www.payoke.be/.
Ik had dat sociaal gevoel heel sterk. Araki, Goldin,
later Jessica Dimmok, ook bepaalde Cindy Shermans. Dat waren eyeopeners voor
mij. Vooral de psychologie in de beelden.
Tegen het einde van d’Academie – ook door
tentoonstellingen te zien – kwam er een verbreding van mijn fascinatie. Ik ben
nog altijd jonge fotografen aan het volgen. Tine Guns en Stiene Stampers
bijvoorbeeld, zijn heel moedige madammen, alsook Elke Andreas Boon en Nathalie
Vanheule. Die vrouwen gaan ervoor.
Fotokunst en de positionering van fotokunst in de
hedendaagse kunstwereld heeft mijn format in het kijken bepaald: je blijft dat
meedragen en je blijft steeds met dat vizier op een andere manier kijken.
HVC: Wat verwachtte je van de
studie? Volgde je gedwee de instructies van de leraars op of sloeg je al snel
een eigen weg in?
NB: Niets eigenlijk. Ik ging er met heel veel verwachtingen naartoe
dacht dat ik bij de pol ging gepakt
worden en nu eindelijk de visie van professionals eens mocht verteren. Total wrong: het moest uit mezelf komen.
Ik kreeg een begeleiding mee, geen visie. Ik moest die zelf ontwikkelen. Maar
ik voelde me er te jong voor. Wie was ik om al een visie te hebben?
Ik herinner me nog goed dat ik een foto had gemaakt van een art-deco
interieur in Hasselt en dat de docent zei: “ Teruggaan, de foto is niet ok!” Ik
was verontwaardigd en dacht: “Moet ik nu teruggaan om die foto opnieuw te
nemen? Is die gestoord of zo?” Maar effectief,
ik heb geleerd om terug te gaan naar beelden en het waarom ervan. Die gelaagdheid
van het kijken zit in je onderbewustzijn en komt via je ogen. Dat is motorisch.
Hoe je vandaag fotografeert, is anders dan morgen. Door te herhalen, wordt het
beeld duidelijker, klaarder en essentiëler, totdat je voor jezelf het juiste
beeld vindt waar je iets of wat mee kan leven.
HVC: Waren de docenten op
d’Academie een inspiratiebron?
De combinatie van drie totaal verschillende docenten was heel goed.
Niels Donkers: technische camera, Dany Lobe: beweging  en Hugo Roelands, die als totale buitenbeen
binnenstebuiten dacht.
Die driehoek knetterde. Ze hadden zo’n verschillende
visies. Als je als student daar je weg in kan vinden, dan heb je iets
opgestoken. Uiteindelijk was het niet na mijn meestergraden dat ik mijn weg had
gevonden, maar ik had wel een bagage mee om mijn eigen visie te laten groeien. Ik
heb een soort van rijpingsproces doorzwommen om mijn foto’s van nu te kunnen
maken. Die drie docenten samen was een spanningsveld waar ik me in moest
vinden, maar het is vooral na de Academie dat ik mezelf in mijn beelden heb
gevonden.
HVC: Kreeg je onmiddellijk
goede feedback op de Academie?
NB: In het begin was het wat decoderen. Ik snapte er niks van. “Bespreken”,
noemden ze dat. Maar er werd niet gezegd: “Dit is goed of slecht.” Mijn beelden
waren toen voor mij prematuur, hadden niet de juiste lading. Ik was zelf niet
zo enthousiast: ze waren maar een aanzet tot.
HVC: Met welk eindwerk
verbaasde je de jury?
NB: Ik denk niet dat ik ze verbaasd heb. Het waren koeienfoto’s en
gras waar wormen uitkwamen en staatsportretten van bomen. Ik was op dat moment
zwanger van mijn oudste zoon, misschien had het daarmee te maken- want die wilde
toen bioloog worden. (lacht)
HVC: Je kreeg
ook kunstgeschiedenis van Kris Van Haesendonck .
NB:  Ja, dat is
een figuur die bepalend is geweest. Zijn methodiek vond ik boeiend: luisterend,
heel bescheiden, nooit zijn mening opdringen, zijn bronnenkennis delen op een interactieve
manier en altijd in dialoog gaan met de studenten. Het is een uitzonderlijk
figuur voor een docent kunstgeschiedenis. Er waren er andere. Hij is overigens
nog altijd in de academie van Antwerpen en maakt zelf interessant werk, te zien
bij Galerie El in Welle, dacht ik.
HVC: Wat na d’Academie?
NB: Ik ben wel eventjes in een gat gevallen, hoor. De academie gaf me
structuur. Ik begon dan maar extreem veel mijn kinderen te fotograferen. Ik
liep in huis rond met mijn fototoestel met een soort van webdrang, net zoals de
figuur van Sebastiaan die spin uit het gedicht van die bijzondere Annie M.G.
Schmidt. Hij wilt in het versje persé dat web weven, ik wilde fotograferen. Ik
moest die click horen en kikte op de klik als het beeld goed voelde.
HVC: Bleven die foto’s van je
kinderen in de intieme sfeer?
NB: Ik ben er nooit mee naar buiten gekomen, maar ik zou het wel
kunnen doen. Maar ik denk dat ze het niet leuk zouden vinden. Als moeder bekijk
je dat natuurlijk anders. Ik denk dat ze teveel kritiek op zichzelf zouden
hebben. Ik respecteer ze in hun mening. Ik was zelf zo.
HVC: Zijn de foto’s sterk
genoeg op zich?
NB: Er is altijd een hoek af.
Ik heb wel een halfwas blog, er staan een paar tijdelijke oefenfoto’s op om te
zien wat het geeft op zo’n platform. Ik krijg toffe reacties. Het is eigenlijk
stom om ze op een blog te gooien en ze niet beter te soigneren met afwerking en
selectie in het echt. Ik moet broeden op iets intenser – op een toonmoment met
een aangepaste scenografie – maar ik wil er mijn tijd voor nemen. Ik geloof in
gelaagdheid en in trage, trage groei met wat afwijking. Grote Wabi Sabi fan!  
Die traagheid zet ik tegenover de snelheid van het medium en dat is
voor mijn een leerzaam spanningsveld.
Daar gaat het eigenlijk over en dat is mijn manier
van kijken naar de dingen als reactie op mijn dagdagelijks druk leven als working mum.
Bernd en Hilla Becher zijn een grote inspiratiebron. Die
twee zaten uren samen in de auto hopend op het juiste licht. Focus, concentratie
en aandacht voor het intrinsieke van de dingen. In de meest banale dingen
zitten voor mij de prachtigste essenties, bepaald door je manier van kijken. Iedere
seconde, iedere minuut, uur en jaar is anders omdat niets statisch is.
HVC: Toen je was afgestudeerd,
trok je dan met je toestel de straat op? Ging het je om wàt je fotografeerde of
om iets anders?
NB: Pure banaliteit! Ik wilde voor mijzelf mijn manier van kijken
projecteren op banale dingen en zo mijn manier van kijken  manifesteren met de beperkingen van het
medium fotografie.
foto: Anneke d’Hollander
HVC: Woorden die ik van je las:
ogen zijn lenzen die altijd beelden fixeren en letterlijk verder kijken dan je
neus lang is.
NB: CFR het verhaal van de platonische grot waar ik dit van onthouden
heb: je hebt een idee, ‘de idee’ is het ondeelbare en dat wil ik altijd pakken
in mijn beelden – dat is toch wat ik van dat ervan gemaakt heb (knipoogt). Het
is een concentratieoefening. Ik heb onlangs een lelie gefotografeerd in een
oude veranda waar een soort van goddelijk licht uitspatte. Ik heb me een uur op die lelie geconcentreerd als een
verplichte oefening. Dat was voor mij een verplichte vorm van tot rust komen en
in mezelf kruipen – in tegenstelling tot wat ik in mijn dagdagelijkse leven
meemaak, waar het wel eens durft te stuiven. Tijd nemen, afstand nemen en intunen
met een focus op een eerder banaal onderwerp. Ik leer mezelf kennen door de
emoties die ik op mijn onderwerp projecteer en hoe ze worden gematerialiseerd
en geconsolideerd in een beeld. In Frankrijk nam ik ooit een foto van een tuin
waar precies katten uit de hemel waren gevallen. Na de afdruk zag ik zo’n maf
en surreëel beeld en ik dacht: “Ik kom thuis in dit beeld en dat is de
voldoening die ik voortdurend zoek.”
HVC: Je trekt je weinig aan wat
je fotografeert ( een koe, een lelie… ) Het gaat je echt wel om de
verinnerlijking en niet om: wat is hedendaags in de fotografie?
NB: Klopt, ik heb heel bewust gekozen voor een onafhankelijkheid voor
mezelf waarbij ik mijn diepere zijn in mijn beelden kan vastleggen, zonder
afhankelijk te zijn van een goedkeuring of een score in een structuur of een
veld.
HVC: Vind je
esthetiek ook belangrijk?
NB:  Hangt er
van af. Ik probeer een beetje duister te gaan in een algemene esthetiek, waardoor
het ironisch wordt op de duur. Er zijn verschillende invalshoeken bij mij: ik
heb onlangs een vrouw gefotografeerd in een Brusselse tuin onder de volle maan.
De sfeer klopte. De stilte van die nacht vind je terug in het beeld. De stilte
tussen haar en mij ook.
HVC: Waar ligt
bij jou de grens tussen documentaire foto’s en kunst?
NB: Het is de allerindividueelste expressie. Voor mij
is het de manier van “zijn” op het moment dat je een beeld neemt. Hoe is je
zielentoestand? Ik had eens een vriend waar ik in het begin een fijne band mee
had. Ik trok een treffende foto van hem. De band evolueerde anders en de
beelden werden anders. Een soort dagboek van emoties.
HVC: Natalie,
nochtans, in de hedendaagse kunst…
NB:  Ik probeer
mezelf te sturen naar een volledige vrijheid.
HVC: Men
verwijt me waarschijnlijk soms ook teveel emotionaliteit of gesprekken over
schoonheid in mijn interviews. Kunst moet zich bijna ‘buiten jezelf’ afspelen.
Daar trek jij je dus niks van aan?
NB: Neen. Voor mij zijn er in dit verhaal geen
structuren of wetmatigheden die ik moet respecteren. Ik heb hierin onafhankelijk
mijn keuze kunnen maken. Dat leek me van in het begin een goede optie.
HVC: Analoog of digitaal?
NB: Ik ben heel lang analoog blijven fotograferen en als het aan mij
ligt, kruip ik terug de donkere kamer in met mijn barietpapieren, omdat het
ambachtelijke reliëf geeft en zich onderscheidt van het digitale het snelle
zappende wat ons vervreemdt van onszelf. Ik bewerk ook met opzet mijn beelden niet.
De beelden zijn heel bewust genomen-
 à la minute in de nanoseconde, na bepaalde
focus – en met als moto “ het is wat het is”.
HVC: Indien je
de keuze had, zou je voltijds fotograaf willen zijn?
NB: Misschien wel, misschien ook niet.
HVC: Overweeg
je misschien nog een andere tak van het Deeltijds Onderwijs te volgen,
schilderen bijvoorbeeld?
NB: Nee, ik kan verder. Ik leef met en tussen de
schilderijen door mijn man, Koen Broucke. Stilzwijgend is zijn research en het
converteren van inhoud naar verf een groot deel van mijn leefwereld. Wij leven
ook tussen de schilderijen buiten het atelier. Dus op dat punt genoeg voeding.
Ik zou eerder houtbewerking doen, iets heel
productief met mijn handen of binnenhuisarchitectuur.
Na d’Academie ben ik blijven kijken naar de dingen
achter de dingen. Voor mij is fotografie een instrument om mijn emoties te
kanaliseren. Dat is schrijven ook. Die twee elementen zijn mijn handvatten  om een beetje vorm in mijn chaos te krijgen.
HVC: Had d’Academie
van Antwerpen dezelfde sfeer als de dagschool?
NB: Er werd soms wat smalend gedaan over het Deeltijds
Kunstonderwijs, terwijl veel talenten juist naar het DKO gaan. Het niet zomaar
doenbaar, al die tijd die je erin steekt …. .
Veel studenten brengen het naast hun job nog eens op
om naar d’Academie te gaan. Ik heb gezien welke motivatie daar was en een sérieux. Ik vind Deeltijds Onderwijs
zeker niet minder, want het zit allemaal ‘in ’t menske’. Als je al de drive
hebt om na je uren dat er nog bij te doen, dan ben je extra gemotiveerd om je
best te doen en jezelf scherp te stellen. In het dagonderwijs moet je minder
vechten voor je tijd om te fotograferen. In het DKO vind je meer patine door de
rijpheid van de studenten en dat was voor mij als 24 jarige interessant.
HVC: Hoe kan
men volgens jou het Deeltijds Kunstonderwijs meer promoten?
NB: Hetgeen jullie nu doen met die getuigenissen van
ambassadeurs in d’Academie, is al een goed iets. Steek maar elk jaar veel
energie in die testimonials, dat volgens de wetten van de communicatie het
allerbeste!
Het belangrijkste is de mensen een motivatie te geven
en ze doen geloven dat je door deze lessen te volgen, je ding beter en echter
kan doen. Het is een privilege in dit land om dat aan dat lage
inschrijvingsgeld te mogen en kunnen doen, besef ik. Er mag ook meer gehamerd
worden op de dynamiek van het avondonderwijs.
HVC: Ik ken
ook heel wat mensen die het hebben gemaakt, “ondanks” of “dankzij” het Deeltijds
Kunstonderwijs. Al lijkt in België voor sommigen de norm alleen maar Het HISK
(Hoger Instituut voor Schone Kunsten) te zijn.
NB: Het HISK heeft uiteraard een enorme meerwaarde. Je
moet maar eens kijken naar de kaften met de namen van de oud-leerlingen, bijna iedereen
is professioneel actief.
Maar ik vind het gevaarlijke om “enige normen” in denkpatronen
als grote gemene deler te beschouwen.
Zo’n manier van denken kan bepaalde beperkende archetypisch
ideeën naar boven halen die je jezelf wijsmaakt als wankelend menselijk wezen.
Ze zijn bruikbaar als een dankbare afstel- uitstel-reden en werken als een
soort schrikbewind naar je ambitie. Iemand die goed is, geraakt er wel op zijn
eigen unieke manier. Wat erin zit, komt er meestal wel uit, al is het via
omwegen. Tenminste als het vuur en de wil erin zitten. Uiteindelijk bepaal je
zelf hoe je je laat beperken door bepaalde structuren. Dat ligt niet aan de
structuren zelf. Die lijken verstikkend, maar je kan daar dwars doorheen gaan
met een juiste visie. Trouwens, ik ken iemand die na het DKO op het HISK
terecht is gekomen. Ik leef er mee samen (knipoogt).
DKO betekent meer mogelijkheden, bronnenkennis en dialoog.
Je krijgt een rijkdom en een pallet aangereikt, hetgeen onderschat wordt en jammer
is.
Er wordt meer beroep gedaan op je zelfstandigheid als
volwassene. Je wordt gesmeten en je moet het zelf doen. Input qua vorming is er
niet. Je bent een individu, je krijgt triggers. “En vorm jij nu maar jezelf!” Wat
ik overigens een veel boeiendere leerschool vind dan bij het handje genomen
worden als jong volwassen kleiblok. Een slinger uit je comfortzone.
Ik ben DKO hier wel heel erg aan ’t promoten! (lacht)
Maar je mag je eigen weg durven gaan. Eigen kansen creëren. Het engagement van
een aantal directeuren van het DKO vandaag is bewonderenswaardig! Die mensen
doen moeite, gaan er voor, moeten opboksen tegen het sérieux van de dagschool.
Doe het maar eens. Er is écht een fijne dynamiek in het avondonderwijs met veel
mogelijkheden.
HVC: In
Nederland kunnen ze dat niet. De Nederlanders vinden de weg naar hier.
NB: Zelfs vanuit Rotterdam! Als je een droom hebt en
je wil die realiseren en d’Academie is een aangereikt instrument, dan zou ik
geen seconde aarzelen. Je moet wel weten waaraan je je moet en kan verwachten:
feedback en dialoog. In combinatie met je eigen artistieke DNA en visie …
HVC: Mooi
verwoord Natalie!
foto: Anneke d’Hollander
Hilde Van Canneyt

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.