Categorieën
Interview

Interview met Renato Nicolodi

Op de hoogte blijven van de nieuwe interviews? Vul je mailadres rechts in

Renato Nicolodi@:
Kunstroute Art traces across the Western Front, Langemark/Poelkapelle, t.e.m. 17 juli 15
Expo Belgische beeldhouwkunst: Vormidable, Den Haag, t.e.m. 25 okt 15

Interview met Renato
Nicolodi
(1980), winter/lente 2015



Hilde Van Canneyt:  Hallo Renato, je bent niet iemand die plots na
zijn pubertijd besefte: “Ik ga iets creatiefs doen”. Dat wist je al op je
twaalfde.



Renato Nicolodi:  Het heeft misschien te maken
met mijn broer, 10 jaar ouder dan ik. Omdat hij een goede student was, moest
hij verder studeren, al werkte hij liever met zijn handen. Na twee jaar blijven
zitten, mocht hij dan toch van studierichting veranderen en haalde hij met
overtuiging zijn diploma. Daarom mocht ik dan ook op mijn twaalfde van mijn
ouders mijn studierichting kiezen en dat werd Artistieke vorming op Sint-Lukas,
al had ik niet direct de bedoeling om kunstenaar te worden. Ik wilde wel iets
creatiefs doen met tekenen en/of schilderen. In die tijd was ik nogal klassiek
ingesteld. Bij een bezoek aan het Vaticaan was ik zo gefascineerd door die
grote meesters, dat ik dat ook wel wilde kunnen.
HVC:  Hoe oud was je dan?

Rond dertien, veertien jaar. 
Hedendaagse kunst was niet helemaal mijn ding. Mijn ouders hadden daar
geen ogen naar en ik begreep er toen ook niet veel van. Een leraar zei me toen
al: je zult nog wel veranderen en een andere manier van kijken krijgen en zij
heeft 100% gelijk gekregen. We hadden een algemeen beeldende vorming, maar de
leraars merkten ook dat ik meer schilderde dan wat anders en ja voor je het
weet …
HVC:  … zat je in de schilderkunst.

RN: Inderdaad, ik heb dat dan verder gezet in de hogeschool. Wat ze in
Sint-Lukas aanleren is een soort attitude, een zelfstandigheid die zorgt dat je
een persoonlijke zoektocht aflegt. Het is niet zo dat je je van de ene op de
andere dag afvraagt: “Ok, ik ben kunstenaar, wat ga ik nu doen? Welk gat is er
nog in de markt?” Het is mogelijk dat anderen zich dat afvragen, maar bij mij
is dat heel natuurlijk gegroeid. Van zodra die vrije opdrachten kwamen, begon
ik te zoeken en te putten uit een persoonlijke bagage en dan sla je automatisch
een bepaalde weg in.



Antrum III



HVC:  Was het in die periode al dat je zo
gefascineerd raakte door de bunkers in Bretagne?


RN: Dat was in mijn eerste meesterjaar schilderkunst. Ik ging met mijn
vriendin, nu mijn vrouw, Kim, op reis naar Bretagne en die bunkers fascineerden
mij onmiddellijk. Ze herinnerden mij aan de verhalen die ik kende van mijn
grootouders. Ik schilderde daar ook veel rond, maar had tegelijkertijd toch ook
het gevoel dat ik er niet alles in kwijt kon.
HVC:  Omdat ze te realistisch geschilderd waren?

RN: Het was zelfs niet echt realistisch. Ik nam vooral een zoekende en
experimentele houding aan en ik ben uiteindelijk beland bij betonnen
schilderijen. Ik noem het betonnen schilderijen, maar uiteindelijk zijn het
afgietsels van muren van bunkers. (haalt
er zijn portfolio bij
)
HVC:  Hoe realiseerde je die stukken?

RN: Ik bakende een vierkant af van 1m60 op het muuroppervlak van de
bunker, waterpas, maar je ziet dat die lijnen eigenlijk scheef lopen, want meestal
zijn bunkers wel verzakt. Binnen dat vierkant maakte ik een siliconen afdruk
die ik gemakkelijk mee kon nemen en in mijn atelier maakte ik er weer een betonnen
positief van.
HVC:  Vooral voor de textuur?

RN:  Ja, het was vooral het ruwe
oppervlak van de muren dat me interesseerde. Ik zag de sporen en littekens als
verhalendragers.  Je kon het ook een
archeologische zet noemen. De titels van die werken gaven de geografische
ligging van die bunkers weer. De bedoeling was om een soort lijn te maken die
samen liep met het litoraal. Waar ik eerst betonnen schilderijen maakte om de
textuur, maak ik nu acryltekeningen waarbinnen ik een betonhuid reconstrueer in
een volledig andere context. Hoewel het geschilderde werken zijn, noem ik ze
toch liever tekeningen, omdat tekeningen niet alleen evenwaardig zijn aan
schilderijen, maar een tekening laat zich makkelijker lezen alsof het om een
ontwerp gaat en zodoende kan de afgebeelde constructie  autonoom functioneren zonder zijn
achtergrond, in mijn geval een wit geprepareerd papier, in vraag te stellen.
HVC:  Nu hanteer je zelfs bijna geen penseel meer.
In je atelier zie ik vooral beton en hout. Je geeft dit weer in maquettes,
waarschijnlijk om ze later in het groot te maken? Is de grootte van je werk afhankelijk
van historische elementen of van de plaats waar je een interventie doet?


RN:  Er zijn meerdere aspecten
die een rol spelen. Het materiaal dat ik gebruik is afhankelijk van de context
en de ruimte, ook wat de grootte en de schaal betreft. Je sprak over maquettes,
maar ik zie ze eigenlijk meer als structuren, een soort beeldhouwwerken. Ik probeer
ook eerlijk te zijn tegenover de materialen die ik gebruik. Je zou het absurd
kunnen vinden om massief beton te gebruiken, terwijl je dit evengoed kan faken
met hetzelfde resultaat, terwijl ik vind dat je die massiviteit wel kan voelen
en daarom wil ik dit ook geen maquettes noemen.
Voor mij gaat het echt om sculpturaliteit. Ik ben op een bepaald moment
overgeschakeld van schilderkunst naar beeldhouwwerk, al dacht ik vroeger dat ik
enkel zou blijven schilderen tot het einde van mijn dagen. Je volgt uiteindelijk
de weg die je werk uitstippelt en de laatste tijd dringt de schilderkunst zich
terug op. Het is heel fascinerend om deze evolutie mee te maken.
Je vroeg me ook of ik ‘de maquettes’ in het groot wilde maken. Het is niet
altijd de bedoeling om de architecturale modellen in het groot te bouwen. Ze
moeten tot de verbeelding spreken en steeds hun onfunctionaliteit bewaren.
HVC:  Ben je geïnspireerd door de Franse visionaire
architecten zoals Claude Nicolas Ledoux en Etienne-Louis Boullée? Of ik denk
ook aan de graficus Giovanni Battista Piranesi en de schilder Giorgio de
Chirico.


RN:  Deze namen hebben wel
allemaal een rol gespeeld maar ze zijn niet het uitgangspunt geweest. Zoals ik
al eerder zei is de bal beginnen rollen door de verhalen van mijn grootouders
die heel beschrijvend vertelden. Als kind kon ik er mij steeds ruimtes bij
voorstellen zoals kastelen, forten, bunkers en gevangenissen en het zijn die
ruimtes die mij in eerste instantie bij een archetypische en architecturale
vormentaal hebben doen uitkomen. Tijdens mijn studententijd zag ik niet alleen
de bunkers van de Atlantische muur, maar ging ik ook naar Rome als Erasmus
student op uitwisseling en ook daar kon ik mij de architectuur toe-eigenen
omdat ik ze kon linken aan de verhalen van mijn grootvader. Zo herinnerde ik me
dat mijn grootvader me verteld heeft dat er jaarlijks een scholenloop
georganiseerd werd op fascistische renbanen van Rome waaraan hij als kleine
jongen moest participeren.
In tweede instantie zijn de architecten en kunstenaars die je opsomt
zeer inspirerend.  
HVC:  De filmpjes en boekjes die je later vond van
je grootvader, zijn niet zozeer sfeermomenten, ook geen geschiedenis die je ons
voor de voeten wil gooien, maar meer een geheel der dingen dat samenkomt en ook
klopt?


RN:  Ja, inderdaad. Ik zie het
ene niet functioneren zonder het andere. Maar ik blijf het beschouwen  als een constante zoektocht. Binnen mijn
“erfenis” aan verhalen zitten ongelooflijke leemtes die mij op hun beurt
uitnodigen tot interpretatie.
HVC:  Toen je naar het HISK (Hoger Instituut voor
Schone Kunsten) trok, had je toen al enig idee van wat je daarmee op kunstueel vlak wilde bereiken?


RN:  Het enige wat duidelijk was,
was dat ik er voort mee wilde g
aan. De basis had ik al. Ik ben afgestudeerd aan
de Sint-Lukas Hogeschool in 2003 en toen ik in 2007 aan het HISK begon was ik
al werkzaam met galerie Ron Mandos.
HVC:  Er zijn al heel wat grote werken van jou in
de openbare ruimtes. Hoe kom je aan deze opdrachten?


RN: De grote werken die ik maak zijn tot op heden vaak tijdelijk van
aard en ontstaan dan ook meestal binnen een tentoonstellingscontext waarbij ik
uitgenodigd wordt om een bijdrage aan het concept toe te voegen.  De locatie en de context van de
tentoonstelling kan enorm inspirerend werken en er voor zorgen dat er werk ontstaat
dat zonder deze specifieke situatie onmogelijk het daglicht zou zien. 
HVC: Kan je een voorbeeld
geven?


RN: Ja, in Middelburg heb ik aan een tentoonstelling geparticipeerd met
als titel “Façade” over authenticiteit, wat zie je, wat zie je niet, wat zit er
achter de façade? Ik kreeg carte-blanche en mocht zelf een locatie kiezen
binnen de stad. Ik kwam een Joodse begraafplaats tegen op het bolwerk van
Middelburg en het was omringd met struikgewas. De plek intrigeerde me omdat ze
zo verscholen zat. Ik besliste om een werk te maken dat met deze plek in
dialoog zou treden.  Het werd een zwarte poort
van 9m hoog die geleidelijk aan in het bolwerk verdween en zodoende ondergronds
in verbinding stond met de begraafplaats. De architectuur was streng en verdrukkend.
HVC:  Heeft het ook iets te maken met Albert Speer?
(Duitse architect van het Derde Rijk)


RN:  Het klopt dat de
architectuur zeer totalitair was, maar daar ging het net om. De monumentaliteit
van zulke architectuur werd tijdens en na WOII zowel door het derde rijk
gebruikt als door de geallieerden. Kijk maar naar de veelvuldige monumenten ter
ere van de slachtoffers van WOII. Beide kanten gebruikten dezelfde vormentaal.
Wel heb ik getracht mij te wapenen tegen foute interpretaties want dit laat mij
niet onverschillig. Het werk noemt  ‘De Profundis’,
‘vanuit de diepte’, maar eigenlijk zijn dit dodenzangen uit psalm 130 van het
Oude Testament, welke ook gebruikt wordt door de Joodse Gemeenschap.
HVC:  Je benadrukt dikwijls in je interviews en
teksten dat het om de vorm gaat en niet om de connotatie. Dat is een beetje
dubbel, want zoals veel schilders beweren dat het uit henzelf komt, bouw jij je
eigen narratief verhaal om in iets abstracts te eindigen.


RN:  Ik denk dat vorm niet
losgekoppeld kan worden van de connotatie die hij in zich meedraagt, maar het
lijkt me interessant dit te proberen . De vormentaal die ik gebruik is na WOII
enorm geladen en wordt bijna verbannen om te gebruiken terwijl deze vormentaal
veel meer inhoud dan enkel de connotatie aan WOII. Het is een taal van alle
tijden. Een belangrijk punt is dat de architectuur die ik gebruik binnen mijn
werk niet ontstaat vanuit een ideologie. De afwezigheid ervan is veel
belangrijker. Het is de leegte, dat binnen deze architectuur ontstaat, dat
plaats maakt voor reflectie en sacraliteit. Dit is een universeel en collectief
gebeuren en heeft op het eerste zicht niets of weinig te maken met mijn
persoonlijke familiegeschiedenis, maar toch wil ik dit weerleggen. Mijn
familieverhaal is mijn beweegreden en mijn persoonlijke zoektocht naar mijn
roots.  Ik tracht de leemtes binnen mijn
verhaal op te vullen of beter gezegd te interpreteren. Het is net bij deze
handeling waarbij ik de toeschouwer uitnodig dit ook te doen in tijd en ruimte. 




HVC:  Ik las ergens dat er in je huis een soort
dodencultusaltaar staat, maar dat is nogal een zwaar woord, als ik even een
blik op je schouw werp …



RN:  Mja, een altaar… Dat is een
schouw waar wat foto’s en objecten op staan.
Dat zijn de dingen die ik vroeger op mijn kamer had, toen ik nog bij
mijn ouders woonde. Het is wel fantastisch dat Kim daar ook wil mee leven. Ik
heb nu zelf kinderen. Die mensen op die foto’s zijn bijna allemaal overleden,
maar het is voor mij belangrijk dat ze aanwezig blijven en dat ik er elke dag
op attent wordt gemaakt hoe belangrijk ze voor mij zijn.  Mijn kinderen zullen weten wie hun voorouders
waren,


Profundis I 3

Iconostasis I1
HVC:  Als je werken maakt, zoals ‘Iconostasis’ of ‘De
Profundis’, wil je daar iets inhoudelijks mee zeggen of een richting aanwijzen?


RN:  Ik vind wel dat die titels
een bepaalde richting of aanloop geven.
In Orthodoxe kerken is Iconostasis een wand tussen het altaar (het
heilige gedeelte) en het schip, versierd met beelden, schilderijen of iconen. Iconen
hebben de eigenschap, zo plat mogelijk geschilderd te zijn, zonder veel
perspectief, zodat het geestelijke dat erachter zit geaccentueerd wordt. Ik
spreek me niet uit over het geestelijke of het religieuze aspect ervan, maar
het suggereert een ruimte waar je geen toegang krijgt, zoals het zwarte gat dat
ik vaak gebruik in mijn werk. De toeschouwer heeft geen toegang. Het is een
mentale en tegelijkertijd subjectieve ruimte waar je niet kan inkruipen. Er is
een afstand, een leegte die je niet kan ervaren, enkel inbeelden.
Andere titels zijn ‘Deambulatorium’ een wandelgang rond het altaar voor
pelgrims. ‘Panopticon’, een idee gelanceerd door de filosoof Jeremy Bentham om koepelvormige
gevangenissen te bouwen met één centrale ruimte als observatiepost.


Panopticon OI 3

HVC: Helmut Stallaerts werkt
daar ook rond …



RN: Ja, inderdaad, ik veronderstel dat we van dezelfde
lessen genoten hebben in Sint-Lukas. Michel Foucault heeft deze term ook
gebruikt in zijn boek ‘Surveiller et punir’, waarbij
hij focust op onze gecontroleerde maatschappij. Ik heb deze term als titel
gegeven voor een werk dat ik speciaal ontworpen heb ter gelegenheid van de
tentoonstelling ‘Persévérance’ gecureerd door Astrid David voor de ex-kapel in
het Godshuis te Sint-Laureins. Ik vond het interessant de afwezigheid van het
Alziend Oog te herintroduceren onder een andere vorm. Het werk dat er kwam te
staan was volledig geïnspireerd op het bestaande gebouw en was zodanig
geïntegreerd dat toeschouwers er straal aan voorbij liepen, omdat ze dachten
dat dit doopvont er altijd al stond.

HVC:  Je hebt eens een biechtstoel gemaakt, de titel
ben ik vergeten.


RN: Subsellium. 


subsellum 3

Subsellum 1

HVC:  Waarom heb je dat gemaakt? Hoe kwam je daarop?

RN:  Ja, dat was niet echt een
biechtstoel. Voor mij is dat eigenlijk net zoals die foto’s hier in de kamer
die mij dagelijks uitnodigen tot reflectie of tot het koesteren van herinneringen.
Ik ben er op gekomen door gesprekken met Dr. Joannes Késenne. Hij confronteerde
mij met het feit dat een melancholicus een lege doos koestert. Het was net
alsof hij mij een spiegel voorhield. De herinneringen, de verhalen, de mensen,
wil ik niet vergeten. Vanuit dat idee heb ik Subsellium gemaakt. Het is een
zitplaats en je kijkt in een leeg schrijn. De bedoeling is dat je dat zelf
opvult met gedachten of herinneringen, eigenlijk een ruimte met potentieel. Sommigen
zien er de dood in, maar de dood is voor mij niet altijd negatief. Het gemis of
het proberen te bewaren van bepaalde elementen vind ik van fundamenteel belang.
HVC:  Het gaat over een soort geschiedenis.

RN:  De geschiedenis in zijn
ruime context. Het kleine verhaal dat het grote schrijft.
HVC:  Je wilt er de toeschouwer doen over nadenken,
want jouw objecten staan er niet los van. Ze zijn met jou in het atelier, maar
eenmaal buiten wil je dat men die geschiedenis er toch in voelt?



RN:  Het is een archetypische
taal die naar het verleden verwijst, maar tegelijkertijd kan het ook iets
futuristisch hebben. Tijd en ruimte worden in feite niet afgebakend.
Ik verwijs heel graag naar de geschiedenis: Latijnse titels, de vormentaal,
de context waaruit werken ontstaan. Het is vaak ook gerelateerd met wat er
gebeurd is op die plek. De geschiedenis van die omgeving, maar tegelijkertijd
is het heden aanwezig, omdat je als toeschouwer – het lijkt alsof je eventjes
een deur open doet en een stap terug zet – alles wel ziet in relatie tot
vandaag.
Ik zie hoe kinderen met mijn werk omspringen: in het begin lopen ze
daar rond en vragen ze zich af ‘wat is dat hier eigenlijk’ en ze weten niet
goed wat. Daarna zie je ze in zo’n gat verdwijnen als ze erin kunnen en voel je
dat ze gefascineerd zijn, maar ze kunnen dat niet goed plaatsen. Als
beeldhouwer maak je iets, je stelt met je werk een vraag en als toeschouwer ga
je er op in of niet.
HVC:  Ben je niet bang – het is een stoute vraag
hoor – dat ze op de duur zeggen: ‘Ah, Renato, die van die gebouwen’, want
waarschijnlijk is dat jou ook al te binnen geschoten.


RN:  Ik heb net het gevoel dat ik
evolueer in mijn werk. Iemand die mijn werk in een flits ziet, gaat natuurlijk
zeggen: dit gaat over architectuur, beton, bunkers,….  mensen categoriseren. Ze zetten je in een
hokje. Het werk van nu had ik twee jaar geleden niet kunnen maken en het werk
over vijf jaar zal ook weer een andere basis hebben.
Als ik naar collega-kunstenaars kijk die er al dan niet meer zijn, of naar
retrospectieve tentoonstellingen ga kijken, zie je die evolutie ook. Daar gaat
soms tien, twintig jaar over en soms veranderen er maar heel kleine details die
op termijn een fundamenteel verschil maken.
Belangrijk vind ik dat dit oordeel niet gebaseerd mag zijn op
oppervlakkige bevindingen.
Vreemd is ook dat ik het gevoel heb dat er soms trends ontstaan aan
welke voorwaarden een kunstenaar of een oeuvre moet voldoen. Tegelijkertijd is
het ons eigen dat we graag vergelijken en alles aan elkaar relateren.
Waarschijnlijk betrap ik er me straks ook op.
HVC:  Voor je er erg in hebt, wordt er geoordeeld …

RN:  Wat ik zo vreemd vind is dat
je je als beeldhouwer vaak moet verantwoorden. Aan een schilder vragen zo nooit
waarom hij met verf schildert.
HVC:  Iedereen kan natuurlijk een oordeel vellen,
want de werken staan ook op niet-kunstplaatsen. Ze zijn toegankelijk, terwijl
de inhoud daarom nog niet toegankelijk is voor iedereen. Hoewel de vorm wel,
denk ik.


RN:  Ja, het esthetische aspect
is vrij toegankelijk.
HVC:   Jij
vertelt een verhaal tot je zelf voelt dat het verteld is, hé.


RN: Je moet kritisch blijven en ik denk dat je als kunstenaar moet
proberen eerlijk te blijven tegenover jezelf. Je moet uiteindelijk ook
produceren, je moet gaan verkopen om je werk te kunnen blijven maken.
HVC:  Misschien kan je dat hier zeggen, want dat is
altijd wel interessant voor de mensen in de kunst: je hebt altijd les gegeven.
Nu ga je vanaf september geen les meer geven. Legt dat een druk op jou?


RN:  Geen druk, eerder een
vrijheid. Ik moet eerlijk toegeven, ik ben nu tien jaar bezig en ik heb van deadline
naar deadline gewerkt. Op een bepaald moment gaf ik 27 uur les per week. Ik
denk dat ik dat drie of vier jaar heb gedaan, naast mijn atelier natuurlijk.
Uiteindelijk heb ik dag en nacht gewerkt, tien jaar lang en had ik het gevoel dat
ik nooit de vrijheid of de tijd vond om eens ‘te prutsen’ in mijn atelier.
HVC:  Om eens te freewheelen.

RN:  Eens iets doen wat geen
resultaat geeft.
Het is een leerproces, het is erop of eronder. En sinds ik beslist heb
om af te bouwen, geeft me dat een gevoel van innerlijke rust, maar dan wel
kortstondig. Ik gaf graag les, maar ik ben van het principe dat als je iets
doet je het goed moet doen en het laatste jaar ging dat toch iets moeilijker.
Hilde Van Canneyt
Renato Nicolodi stelt tentoon:
Art traces across the Western Front, Langemark/Poelkapelle (B)
van 17/04 tot 19/04/15
curators Oswald Fieuw en Hilde Van Canneyt
Vormidable (NL)
van 20 mei – 30 augustus 15

Hedendaagse Vlaamse Beeldhouwkunst

museum Beelden aan Zee, 20 mei – 25 oktober /Lange Voorhout in Den Haag en satellieten
curator Stef Van Bellingen en Alessandra Laitempergher 
www.beeldenaanzee.nl/vormidable


 www.renatonicolodi.be

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.