Categorieën
Interview

Interview met Anne-Mie Van Kerckhoven


Interview met Anne-Mie Van Kerckhoven
(1951)







Sinds de helft van
de jaren zeventig produceert de Antwerpse kunstenares Anne-Mie Van Kerckhoven talrijke tekeningen en ander werk op papier
en synthetisch materiaal, van in het begin dikwijls vergezeld van bewegende
beelden. Haar experimenteel werk, waarin het erotische en het machinefetisjisme
samengaan, is doordrongen van een onverbloemde feministische toon. Huiselijke
interieurs dienen als decor voor haar tekeningen en collages, waarin zich
droomachtige futuristische ontmoetingen tussen mensen en machineachtige vormen
afspelen. In de jaren negentig evolueerde ze van handgemaakte werken op papier
naar computergrafiek. Die beelden zijn meestal vergezeld van teksten, die de
boodschap van haar trotse, soms exhibitionistische, vrouwelijke figuren
onderstrepen. Naast het visuele aspect, speelt muziek een belangrijke rol in
haar creatieve productie. Onder de naam Club
Moral
speelt zij samen met Danny
Devos
al jaren een sleutelrol in de Antwerpse experimentele muziekscène.

Cleo Cafmeyer voor
SMAK in KM Magazine voorjaar 2004
:

 
De Antwerpse kunstenares
Anne-Mie Van Kerckhoven (°1951) onderzoekt de mogelijkheden van nieuwe media en
vervulde op dit vlak in België een pioniersrol. In de eerste helft van de jaren
’80 werkte ze in de periferie van het AI-lab, het lab voor Artificiële
Intelligentie van de Brusselse Universiteit. Toch beperkt haar kunst zich niet
tot het computermedium. Doorheen de jaren heeft Van Kerckhoven een fascinerend
en complex, multimediaal oeuvre opgebouwd, met o.a. tekeningen, imposante
werken op kunststof, muziek (als lid van Club Moral) en vervreemdende
klankbanden, films, computeranimaties en bewerkte computerprints. Bijzonder is
dat ze al deze elementen verenigt in installaties, zoals het HeadNurse-project.



Anne-Mie Van Kerckhoven houdt zich vooral bezig met de wijze
waarop onzichtbare vormen van zelforganisatie werkzaam zijn binnen bepaalde
systemen. En hoe deze zich telkens vastzetten op de eigen logica van dat
systeem. De pogingen van de westerse mens, van de middeleeuwse alchimisten tot
het huidige AI-onderzoek, om zelforganiserende systemen of organismen te
begrijpen en te construeren, beantwoorden aan de obsessie om zelf ‘leven’ te
creëren en te beheersen. Alsook  om de
kloof tussen ‘denken’ en ‘zijn’ te dichten. Binnen een cultuur die eeuwenlang
door mannen gedomineerd is, is ook het ‘vrouwelijke’ een blinde vlek binnen de
bestaande wetten en systemen, een ‘gat’ in de heersende talen en
identiteitsconstructies.
Door kennissystemen te onderzoeken en met elkaar in verband te
brengen, tracht Anne-Mie Van Kerckhoven voor zichzelf een positieve mentale
gemoedstoestand te ontwikkelen. Op die manier kan ze weerstand bieden tegen de
alomtegenwoordige chaos van alledag. Met thema’s als cijfersymboliek, de vrouw,
interieurs, filosofische systemen en alchemistische processen probeert de
kunstenaar de werkelijkheid, zoals zij die ervaart, te begrijpen.
Anne-Mie Van Kerckhoven werkt met verschillende media. Toch ziet
ze zichzelf vooral als tekenaar. ‘Tekenen is een vorm van verstaan, het
oncomplex maken van waarnemingen.’
(Cleo Cafmeyer voor
SMAK in KM Magazine voorjaar 2004)

Hilde Van Canneyt: Hallo
Anne-Mie, hoe zou je je werk van de laatste 35 jaar onder één noemer brengen?


Anne-Mie
Van Kerckhoven: Experimenteel!

HVC: En inhoudelijk?


AMVK:
Sociopolitiek.

HVC: Het is misschien een
cliché, maar je wordt veelal ‘kunstenaar-wetenschapper-uitvinder-onderzoeker’
genoemd. Iemand noemde je ook een hedendaags mystica. Kan je je daar in vinden?


AMVK:
Ik werk inderdaad wel in die traditie van de mystici. Daar hebben verschillende
mensen me op gewezen naar analogie van hoe ik tegenover het leven, de realiteit
en het toeval sta. Na al die jaren ben ik – na veel nadenken erover – op een
bepaalde manier een expert in perceptie geworden.

HVC: “De vrouw staat
veelal centraal in haar werk” is nog zo’n veelgelezen item…


AMVK:
Een vrouw wordt niet verondersteld een eigen mening te hebben of iets te
poneren dat ervoor nog niet is gedaan. Ik heb in de kunstwereld een nogal
militante positie ingenomen omdat je je als vrouw in de kunst blijkbaar moet
positioneren en legitimeren. Ik ben eigenlijk vooral aangetrokken tot alles wat
grenzen overschrijdt, zoals de schemerzone man/vrouw. Die fascinatie voor de
voorstelling van de vrouw als seksobject, in de massamedia en in de kunst – als
naaktmodel, inspirator en muze – is altijd een constante geweest in mijn werk.
Specifieke manieren waarop vrouwen aanwezig
zijn in de beeldwereld van vroeger en nu triggeren mijn gedachten voortdurend.
Ik zie ze dikwijls als hedendaagse tegenhangers van de afbeeldingen van goden
en godinnen uit de oudheid, waar abstracten zoals geloof, hoop en liefde het
uitzicht kregen van een menselijke figuur, om angst voor gevaar op te vangen.

HVC: Hoe het allemaal
begon…


AMVK:
Ik heb van kleins af aan op alles getekend wat ik vond, zélfs op de witte
bladzijden die ik in de romans uit de bibliotheek van mijn vader vond. Het leek
alsof ik altijd op zoek was naar iets om op te tekenen, maar ik denk dat dat
vooral was om me af te zonderen. Mijn ouders hadden een grote zaak. Ze waren
aannemer van feesten, er was altijd wel vijftien man personeel in huis
aanwezig, met gevolg dat er altijd een latente spanning hing. Onder andere al
tekenend trok ik me terug uit die drukte. Daarnaast is creatief zijn voor mij
altijd een manier geweest om de leegte van de tijd te vullen. Ik tekende liefst
op kaartjes, stapeltjes van hetzelfde formaat, zodat ik het idee had dat ik,
wanneer ik er zin in had, al werkende een regelmaat kon scheppen. En dat is tot
op de dag van vandaag eigenlijk mijn systeem gebleven om te werken.

HVC: Je werkt graag in
reeksen…


AMVK:
Inderdaad. Zo laat ik nu nog dikwijls eerst in een firma van plexiglas alles op
hetzelfde formaat zagen. Ik heb graag dat mijn materiaal al ligt te wachten,
dat geeft me het idee dat ik er te allen tijde kan aan beginnen en iets mee kan
maken. Maar er moet een limiet aan zijn. Ik moet zien dat de stapel opgeraakt.
Zo werk ik ook graag met een tekenblok. Het papier is gelimiteerd, van
hetzelfde formaat. Ik vind het fijn dat ik terwijl ik werk, zie dat de
tekeningen bij elkaar blijven. Bij een tekenblok kan je ook de blok openen en
weer sluiten om weg te leggen. Pas als de hele blok is vol getekend, scheur ik
de bladzijden eraf.

HVC: Je bent uiteindelijk
grafische vormgeving gaan studeren in plaats van voor een zuivere kunstrichting
te kiezen.


AMVK:
Ik wou eigenlijk beeldhouwkunst gaan studeren. Van toen ik heel jong was,
maakte ik beeldjes in klei. Mijn vader was goed bevriend met de Antwerpse
beeldhouwer Albert Poels en het was
voor hem en mij een evidentie dat ik bij hem vanaf mijn twaalfde in de leer zou
gaan. Maar aangezien ik in het begin geen dingen voor mezelf mocht maken, ben
ik afgeknapt. Avondacademie was toen buiten elke kwestie. Aangezien ik ook goed
kon schrijven, hebben mijn leraars mij in die richting geduwd en zo belandde ik
tijdens mijn humaniorajaren op het internaat in het Heilig Graf in Turnhout.
Aangezien grafische vormgeving eigenlijk tekst+beeld is waar je verschillende
technieken bij leert, ben ik erna grafische vormgeving aan de Academie van
Antwerpen gaan studeren. Deels voor de opleiding, maar vooral om er mensen te
leren kennen.
Ik
heb grafische vormgeving trouwens nooit als een toegepaste richting bekeken. Ik
heb van in het begin dat toegepaste ook altijd bekeken in functie van een eigen
idioom, zoals je Murakami hebt met
zijn anime. Andy Warhol legde trouwens hetzelfde
parcours af.

HVC: Na je afstuderen ben
je je heil in het grafische gaan zoeken.


AMVK:
Na een paar jobs belandde ik in een fabriek van plexi- en neonreclame, waar ik
veel materiaalkennis heb opgedaan. Synthetische en gladde materialen zoals
plexiglas en plastic hebben me altijd aangetrokken.

In 2008 had je een grote
overzichtstentoonstelling van je tekeningen in Wiels: ‘Nothing More Natural’. De meeste tekeningen werden ervoor nooit aan
de buitenwereld getoond.


AMVK:
Toen ik pas afgestudeerd was, ging ik bij mijn lief wonen, waar ik een tafel –
mijn domein – opeiste om te tekenen. Indirect was dat toch ook weer om me af te
zonderen. Vrij snel vroeg men mij om die tekeningen tentoon te stellen, o.a. in
Ercola, een kunstenaarscollectief in
Antwerpen. Nochtans hadden mijn ouders mijn aspiraties om kunstenaar te worden
heel systematisch proberen te neutraliseren. Mijn aspiratie is op een gegeven
moment dan veranderd in: ik wil met een artiest trouwen (lacht). Toen ik pas
afgestudeerd was, ben ik dus bij mijn lief Hugo
Roelandt
gaan wonen.
In
het begin kon ik veel tentoonstellen met die tekeningen, maar al vlug werden de
mogelijkheden minder omdat de mensen zich alleen maar interesseerden in mijn
ander werk zoals mijn installaties, films en teksten. Toch ben ik blijven
tekenen, los van mijn ander werk en ondanks het feit dat mijn galeriehouder Frank Demaegd van Zeno X zei: “Verstop
die tekeningen!”(lacht). Volgens hem creëerden die alleen maar verwarring.













Wiels 2008


HVC: Ik las dat je vooral
tekende om verslag te maken van de processen in ons brein. Je worstelt met te
veel binnenbeelden die eruit moeten omdat die bijna als etterbuilen op barsten
staan. Je probeert orde in de chaos te scheppen met reeksen, schema’s en
systemen die je vond in boeken over numerologie, wetenschappen en aanverwanten.
Daarnaast verzamel, orden en ontleed je graag, alsof je graag gedachten
ontrafelt of dingen die in elkaar gevlochten zitten uit elkaar haalt.


AMVK:
Die dingen kwamen uit mijn onderbewuste en ik wou daar geen uitleg over geven.
Maar als jonge artiest moét je natuurlijk altijd uitleg geven. Onder invloed
van filosofische boeken, naslagwerken over artificiële intelligentie en andere
wetenschappen enerzijds en de boeken van Walter Benjamin, Wittgenstein en
De Sade anderzijds, kon ik dan onder
invloed van de terminologieën die ik daar tegenkwam, wél mijn verhaal brengen.
Hierin zie ik een analogie met hoe mystici functioneren: een soort van
tweedeling tussen het verstandelijke en het gevoel – twee componenten die niet
compatibel zijn – verenigen.


Laat
het ons zo stellen dat ik eerst de tekeningen maakte, me afsloot van het waarom
van die afbeelding en mijn uitleg een nieuwe body van werk is geworden. Die
uitleg is dan een eigen leven beginnen leiden. Maar daardoor heb ik mezelf in
een bepaalde patstelling gezet, want op mijn veertigste werkte dat niet meer.
Ik kreeg het er lastig mee dat ik enerzijds die tekeningen maakte en anderzijds
heel rationeel werk maakte op mijn computer, waar ik al van ’77 mee werkte. Het
werd voor mij een wensdroom vroeg of laat die twee dingen terug te verbinden.


Begin
jaren ’90 ben ik beginnen lesgeven aan de academie van Gent en dat heeft één en
ander teweeggebracht. Ik ben met de kern van het fenomeen tekenen in aanraking
gekomen door anderen te leren tekenen, waardoor ik dichter bij deze
onbedwingbare drang van mezelf terechtkwam. Dit werken met anderen, tezamen met
mijn computerwerk, begon na een tijd mentaal erg zwaar te wegen. Ondertussen
was mijn affiniteit met de kunstwereld sterk vervaagd waardoor ik op den duur
in een vacuüm terechtkwam en mezelf nergens meer kon plaatsen. Ik had bovendien
het gevoel dat ik mijn eigen tekenstijl aan het verliezen was.

HVC: Knaagde dat lesgeven
zo aan je?


Ik
werkte ook geregeld als begeleider in de Rijksacademie van Amsterdam, ik had
het inderdaad druk op dat gebied. In 10 jaar tijd heb ik heel veel jonge mensen
en hun werk leren kennen en in begin deed me dat heel goed, maar dat blijkt
echt wel een limiet te hebben. Daar is een verklaring voor: op den duur word je
moe en slordig, want je begint een deel van je eigen potentie af te geven.
Ik
heb ontdekt dat je per dag maar een aantal creatieve oplossingen kan bedenken.
Als je dat voor andere mensen begint te doen, geef je dat weg en blijft er niks
voor jezelf over.













Kunsthalle Nurnberg 2009


HVC:Vandaar dat sommige
kunstenaars nog liever in een café werken dan les te geven, net om hun hoofd
vrij te houden voor de kunst.
Nochtans, voor de rest was
je toen goed bezig: je was geen onbekende in het kunstmilieu en je had – en
hebt – een droomgalerie…


AMVK:
Ik heb altijd gewerkt, gewerkt, gewerkt, maar ik heb nooit de tijd genomen om
dat allemaal te contextualiseren. Neem nu dat lesgeven: eerst zorgde dat ervoor
dat ik met mijn voeten op de grond terechtkwam,
maar onder andere onder invloed van de Gentse kunstenaar Karel Dierickx werd me duidelijk dat je bezighouden met de context
ook belangrijk is. Dat is hetzelfde met wetenschappers. Wat de meeste mensen
trouwens vergeten: kunstenaar zijn is echt wel een fulltime job. Je moet je
werk maken, erover reflecteren, het naar buiten brengen, lezingen geven,
publicaties vormgeven…


In
die periode ben ik eindelijk over kunst beginnen lezen, want voordien las ik
vooral boeken uit andere domeinen. Mijn galeriehouder van Zeno X raadde me op
een gegeven moment aan een residentie aan te vragen om even ‘weg’ te zijn. Zo
ben ik uiteindelijk in Le Cité
International des Arts
in Parijs beland. Daar vond ik de tijd en lukte het
me eindelijk wèl ideeën uit te werken die al lang in mijn achterhoofd zaten.
Bijvoorbeeld al tekenend een verband leggen tussen een specifiek Amerikaans
softporno magazine van de jaren ’60 én het boek: “La Passion de
Détruire” van Erich Fromm.


In Parijs heb ik ook het finale deel Rorty, the HeadRoom van mijn HeadNurse project uitgewerkt. Het was
een Sex & Technologieproject dat
ik de naam Morele Herbewapening, gaf.
Ik concipieerde het 7 jaar tevoren op uitnodiging van curator Roland Patteeuw, in het kader van zijn
internationale incubatiegolf in Brugge. In Parijs is ook het idee voor Dieper ontstaan, de computeranimatie die
ik over en met danser-choreograaf Marc
Vanrunxt
het volgende jaar maakte.
Die residentie in Parijs heeft duidelijk
zijn vruchten afgeworpen, want ik heb in 2004 de Prijs van de Vlaamse
gemeenschap gekregen, ik denk voornamelijk dankzij de werken die in Parijs hun
oorsprong vonden.

HVC: Omwegen vergroten de
kennis van een plaats, want ondertussen zijn we nog altijd niet bij je expo in
Wiels beland …


AMVK:
Al sinds 2000 groeide er interesse voor mijn tekeningen, o.a. bij Filip Luyckx van de Sint-Lucas galerie
in Brussel. Hij nodigde me in 2001 uit om een 40-tal tekeningen tentoon te
stellen. Die werden opgemerkt door de aankoopcommissie van de Vlaamse
gemeenschap. Ik had toen de pech dat toenmalig minister van Cultuur Bert Anciaux alle aankopen afblokte. Dat
is dan terug opgepikt door huidig directeur van Wiels, Dirk Snauwaert, die op dat moment verantwoordelijk was voor de keuze
van werken van de aankoopcommissie. Gedurende 2 dagen heeft hij al mijn
tekeningen – meer dan 1000 – bekeken en zo is bij hem het idee voor de expo
gegroeid.
Later ben ik ook nog een jaar in Berlijn op
residentie geweest en daar heb ik veel nieuwe tekeningen gemaakt, waaruit de
expo voor Wiels concreet werd.

HVC: En de expo in Wiels
werd een imposante tentoonstelling!
Naast tekenen op papier,
schilder en graveer je ook nog op en in plexiglas, gebruik je veel kleur,
tekst, maak je computersimulaties van vrouwen in uitbundige poses… Ik vermoed
dat alles wat door elkaar loopt.
Zo nam je in 2010 ook deel
aan de expo Parallellepipeda – een expo over kunst en wetenschap in
Museum M te Leuven.


AMVK: In het kader van het driejarig
project dat aan de tentoonstelling vooraf ging, hebben wetenschappers mijn
tekenproces ontleed. Zo werd er vanuit een psychologische hoek gekeken van waar
mijn tekeningen kwamen of waar ze naartoe gingen. Ik heb onder een scanner
gelegen terwijl ik aan het tekenen was. Zo hebben ze ontdekt dat alle velden in
mijn hersenen steeds tegelijkertijd actief zijn wanneer ik teken, terwijl bij
de meeste tekenaars maar bepaalde stukken van de hersenen oplichten.
Mijn tekeningen kan je zien als
mandala’s, er is geen hiërarchie van betekenissen. Tekst, beeld en vorm zitten
allemaal op eenzelfde cognitief en perceptief niveau en door de tekening te
finaliseren, komt de betekenis aan het licht. Meestal gebeurt het als ik later
naar mijn werk kijk, dat ik begrijp waar het vandaan komt. Ik ben een kunstenaar,
en mijn domein is het samenbrengen van materialen, concepten, verleden en
reflectie.















Museum M, 2010


HVC: Heb je al een
antwoord op gevonden op de vraag ‘vanwaar alles komt’?




AMVK:
 Je mag nooit vergeten dat ik een kind van de jaren ‘70 ben.
Verborgen verleiders, de manipulerende massamedia, daar trek ik tegen ten
strijde. Vance Packard, Walter Benjamin, en Marshall McLuhan waren mijn eerste inspiratiebronnen. We leven in
een maatschappij waar we dagelijks overspoeld worden door woorden en
betekenissen, die verdraaide machtsverhoudingen in stand houden en bevestigen.
Vroeger vond ik weinig steun in de ideeën van vrouwelijke kunstenaars maar
ondertussen leerde ik o.a. het werk kennen van Martha Rosler en Anna
Opperman
.




HVC: Je zei ergens dat er
weinig verschil is tussen de taak van de kunstenaar en de taak van de
wetenschapper. Beiden moeten de dingen uitproberen en uitpuren tot iets wat de
moeite waard is.




AMVK: Inderdaad. Want dat was wat me
stoorde aan die stapel tekeningen die altijd maar groter en groter werd in mijn
atelier: ze evolueerden niet. Zolang je iets niet aan de blik van een derde
onderwerpt, gaat er niets wezenlijk vooruit. Feedback is nodig, anders herhaalt
men zich. Wanneer je begint te tekenen voel je je goed en vrij, je komt in een
soort roes terecht: je werkt in en met je onderbewuste. Wanneer je dat te lang
na elkaar aanhoudt, enkele dagen of zo, ontstaat een soort oscillatie, waardoor
je heel verward wordt. Je stoot namelijk op dingen die je al meemaakte en die
je moet verlaten, anders wordt je gek. Dat is een pijnlijk proces.



HVC: Een bekend project
van jou dat we hier zeker niet mogen vergeten te vermelden is HeadNurse, een seks- en
technologieproject , dat je ook als een therapie- en overlevingsmechanisme
beschouwde. Je wou er jezelf en anderen genezing van de hersenen mee bieden.


AMVK: Ik heb in
1995, 96 vrouwenafbeeldingen uit mijn database van softpornomagazines tot aan
de seksuele revolutie, verbonden met 96 termen uit de domeinen van de
artificiële intelligentie en de thermodynamica. Terwijl ik het beeld met het
woord verbond reduceerde ik het tot een zwart-wit replica met een meerwaarde.
In een volgend stadium nam ik het woord weg, en reduceerde ik de
vrouwenafbeelding tot een gekleurd stuk schoonheid in functie van de betekenis
van de term. Zoals men in de oudheid abstracten als geloof, hoop en
liefde de vorm van mensen en goden gaf. Op deze manier geef ik een nieuwe
waarde aan de woorden, deze keer wars van vooroordelen en discriminaties
tegenover het vrouwelijk geslacht. Op basis van deze arbeid construeerde ik
tijdens het maken van de computerfilm Morele Herbewapening een
structuur, een theorie , waarmee ik 9 jaar aan de slag ben geweest om die uit
werken. De ondertitel van alles was “Veerkracht Thuis!” en het geheel
droeg ik op aan Baobo, de oeroude buikgodin die kijkt door haar tepels
en spreekt met haar vulva. Zij danst op zo’n obscene manier dat zelfs de meest
verslagen vrouw

begint

te lachen en terug zin krijgt in het leven.
Voor dit project gaf ik mezelf de
naam HeadNurse, verpleegster voor de geest, assistente van Nietzsche, en
tegenhanger van Big Brother. Als HeadNurse wil ik zowel mannen als vrouwen uit
hun mentale slavernij verlossen, en aberraties en perversiteiten in de
hedendaagse maatschappij attaqueren. In de werken die dit alles genereerde,
speelde ik de fenomenen van onze dagelijkse realiteit tegen elkaar uit als
machines die elkaar bevechten, opvrijen, verstevigen en ook neutraliseren. In
2004 kwam het in de Kunsthalle van Bern tot een apotheose met de publicatie van
“The HeadNurse-files”, een boek met de neerslag van alles wat dit
sociaal-economisch concept aan ideeën, kunstwerken en tentoonstellingen
opbracht.

HVC:
Kan je nog iets kwijt over je solo-expo ‘Meesteres van de horizont’ in het
Oostendse Muzee in mei 2012? Je toonde er vijf reeksen tekeningen, twee reeksen
digitale prints en twee computerfilms. Het geheel werd gepresenteerd in een
door jouw ontworpen architectuur. Het werd een expo met vele gelaagdheden.


AMVK: Mijn idee was een expo te maken
als een soap in vijf feuilletons. De werken van de reeksen evolueerden elk voor
zich doorheen het verhaal. Enkele jaren tevoren volgde ik in Brussel een
gespecialiseerde cursus om de knepen van het vak te leren, oa. het verslavend
aspect en de manipulatieve krachten van de format wilde ik doorgronden. De
werken, die mijn acteurs waren, hadden al naargelang van de teneur van de
onderverdeling andere boodschappen, maar evolueerden niet wezenlijk. Dit
betekent dat je dikwijls dezelfde beelden maar in een andere gefinaliseerde
perfectie tegenkwam. Ik wilde daarmee de dooddoener van het meesterwerk te lijf
gaan.









HVC:
Wat mogen we verwachten op je tentoonstelling in de Antwerpse Zeno X dat vanaf
september 2014 loopt?


AMVK:
3 Carrels (Degenerate Customized Solutions) is de titel.
Ik werd een paar maand geleden wakker
met die engelse tekst in mijn hoofd.

Het laatste jaar heb ik
gewerkt aan collages die de reeks PLAYGIRLS vormen en waarvan de inspiratie
ligt bij het impressionistische muziekstuk La Fontaine d’Aréthuse (1915) van K.
Szymanowski. Als basisbeelden nam ik bladspiegels van het tijdschrift Playgirl
(Baltimore, 1958). In de werken komen teksten voor uit het boek Rhythmanalysis
van marxist L.Lefebvre (Parijs, 1992) tezamen met stukken uit mijn eerste tekst
op computer (Antwerpen,1980). De titels vd collages, van de meeste werken in de
tentoonstelling zijn geïnspireerd door specifieke hoofdstukken van « Le
Miroir
des Âmes Simples
et Anéanties
et qui seulement
demeurent
en Vouloir
et Désir d’Amour » (Parijs, 1300) van
mystica M. Porete. Haar individualiteit en passie overlappen met de mijne.




Tezamen met de collages toon ik oude en nieuwe
werken, de ruimte van de galerie is onderverdeeld in 3 velden die refereren
naar een coderingsmachine, een decoderingsprogramma, en de eerste parallelle
dataverwerkings-unit. Deze machinerieën oa. die door hun gebruik voor oorlog
en spionage de digitale revolutie en de ontwikkeling van de maatschappij in de
20ste eeuw stuurden zijn uitvindingen die Enigma, Colossus en de
Connection Machine heten. Daar heb ik drie carrels voor gemaakt. Drie mobiele
kasten waarin men quasi afgezonderd tot persoonlijke studie kan komen.









HVC:
Wat denk je van het citaat van Jean
Dubuffet
: «L’art est une blessure qui devient lumière»?
AMVK:
De Dalai Lama heeft ook iets
gelijkaardigs gezegd: “Iets mooi wordt lelijk, jong wordt oud, alles vergaat,
en afwijkingen worden deugden.” Dat is fantastisch aan het leven: tijdens het
verouderen, kan je van je grootste tekortkomingen net je deugden en sterktes
maken.

HVC: Hmm, ga ik onthouden!
Wil je nog iets kwijt over
Club Moral?


AMVK:
Ik heb performance artist Danny Devos
leren kennen vlak voor ik een paar reizen in het buitenland had gemaakt en ik
een tentoonstelling in Los Angeles had. Wie weet was ik zonder hem in Amerika
gebleven, want het was altijd een grote droom van mij om daar te wonen. Daar in
Amerika – waar ik met mijn vriendin Annie
Gentils
was – hebben wij een impuls gekregen om zelf evenementen te
organiseren. Ik had toen ook net een atelier gevonden in Borgerhout met drie
grote ruimtes waarvan ik de tussenruimte aan Danny Devos gaf. Zeer snel zijn
wij daar optredens en tentoonstellingen beginnen organiseren. Naast de
organisatie zijn wij vrij snel met een muziekgroep begonnen. Tegenwoordig
spelen ook nog Mauro Pawlowski en Aldo Struyf mee

HVC: Welke filosofie zat/zit
er achter Club Moral?



AMVK:
De filosofie die erachter zat, was dat we enkel dingen toonden die nergens
anders terecht konden en extreem, integer en waardenoverschrijdend moesten
zijn. Je kon het een industriële vrijplaats voor postpunk noemen. Van in het
begin brachten we zowel ‘noise’ als andere experimentele muziek, tezamen met
performancekunst, multimedia en installaties. We hadden ook een tijdschrift: Force Mental, waarvan de 15 nummers gebundeld
werden door de Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen en Archivolt. Ik vond het heel belangrijk
om met Club Moral als een soort van
draagvlak te dienen, zowel met de werking als met het tijdschrift, om te laten
zien dat er hier zoveel interessante jonge mensen bezig waren.

HVC: Wanneer ben je
beginnen beseffen dat je kunstenaar bent of sprak je het uit? Wanneer vind je
dat iemand zichzelf kunstenaar mag noemen?


AMVK:
Toen ik 26 jaar was, ben ik 3 maanden ziek geweest. Ik weet nog dat, toen ik genezen
was, ik in één gulp een tekst geschreven heb waar alles wat ik te zeggen had in
stond. Ik had een eigen mening en zou alleen nog mijn mond opendoen als ik écht
iets te zeggen had. Op dat moment ben ik voor mezelf kunstenaar geworden.

HVC: Lijd je voor je kunst
of teken je en maak je kunst om de chaos van het leven te sublimeren?


AMVK:
Op sociaal vlak red ik het niet altijd. Lijden? Mijn momenten in mijn atelier
zijn mijn gelukkigste periodes, maar je kan natuurlijk niet altijd in je
atelier werken, dat is geen optie. Ik lijd wel soms in de zin dat ik geen
kinderen heb.

HVC: Is dat door de kunst?


AMVK:
Heel zeker. Ik denk ook niet dat ik het zou gekund hebben: me concentreren op
de opvoeding van een kind.

HVC: In die zin dat je het
veiliger vind je te richten op je tekeningen in plaats van op een klein
wezentje dat van jou is?


AMVK:
Dat is niet veiliger. Dat is mijn manier om mezelf in stand te houden.
Psychologisch ben ik niet voor het moederschap op de wereld gezet. Maar dat
neemt niet weg dat ik daar op geregelde tijden wel spijt van heb. Maar dat is
een offer dat ik heb moeten brengen. In het begin dat ik tentoonstelde had ik
als kunstenaar ook veel contact met het lesbische milieu: vrouwen die ook voor
een ander leven kozen. Bij momenten van twijfel, motiveerden ze me: “Anne-Mie,
doe voort voor ons, a.u.b.!”
Ik
weet dat wat ik doe, niemand anders doet en ik voel dat ik daar fulltime moet
mee bezig zijn. Wat ik denk dat ik mis door geen kinderen te hebben? Die
onvoorwaardelijke liefde waar ze altijd over spreken en de intimiteit die je
kunt hebben met mensen die uit jezelf voortgekomen zijn.
Het
is wel zò dat ik regelmatig overweldigd word door een allesomvattende liefde
voor al wat bestaat. Het is vanuit dat gevoel dat ik dagelijks bezig ben.

HVC: In het tijdschrift Flair stond in een interview met
modeontwerpster Ticuta Racovita onderaan
in een kader je motivatiekreet: “1) Weten, 2) Durven, 3) Willen 4) Zwijgen 5)
Doen. Dé formule om vooruit te komen in het leven, te gaan voor waar je zelf in
gelooft en negatieve krachten uit te schakelen.”
Zijn dat ook de 5 woorden
om een goed mens en goed kunstenaar te worden?


AMVK:
Inderdaad. Wat ik bedoel met zwijgen? Als je met iets bezig bent, mag je daar
niet over spreken, want anders kan je de essentie verliezen. Daarnaast kunnen
andere mensen ook nog met je ideeën gaan lopen. Je moet leren dat als je op
iets aan het broeden bent of iets aan het opborrelen is, om dat voor jezelf te
houden en er nù mee aan de slag te gaan.

HVC: Ga zo door zou ik
zeggen, Anne Mie











atelierbeelden

 

Hilde Van Canneyt, copyright 2014



Anne-Mie stelt tentoon:





Anne-Mie Van Kerckhoven: 3 Carrels (Degenerate
Customized Solutions)
+  
Kees Goudzwaard (Collected Details)
  
Zeno X Gallery, Antwerp Borgerhout
September 3 – October 18, 2014
Preview: August 31, 3-6 pm






    






Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.