Categorieën
Interview

Interview met Conny Kuilboer

Kuilboer/Kruisdijk
stelt tentoon op Kunstenfestival Watou 2014 van 5 juli t/m 31 augustus. Thema
van deze editie is: Verzamelde verhalen #6: Over klein geluk in tijden van
overvloed.



Interview met
Conny Kuilboer (NL), Gent, juni 2014

Hilde Van
Canneyt: Conny, waar kom je vandaan en waar ga je naartoe? Enfin, hoe is het
gekomen dat je jezelf plots tot ‘kunstenaar’ bombardeerde?


Conny
Kuilboer: Ik ben geboren en opgegroeid in Noord-Holland in Heerhugowaard. Ons
huis was het één-na-laatste huis van deze slaapstad. Tussen de weilanden en
dijken ver weg van iedereen. Daardoor was er veel ruimte om te ravotten en te
dagdromen. Mijn ouders hadden een kwekerij en in die oneindige kassen was ik
altijd op zoek naar avontuur. Mijn vader had een geweldige werkplaats waar ik
veel speelde en knutselde met allerlei materialen die kon vinden, zoals stukjes
hout, plastic schermdoek, kabeltjes, etc. Na mijn (zeer deprimerende, maar voor
wie niet) middelbare school ging ik naar het Grafisch Lyceum in Amsterdam omdat
ik dacht dat ik grafisch vormgever wilde worden. Het grootse avontuur was
begonnen en ik leerde mijn beste vrienden kennen! Hoewel de opleiding geweldig
was vond ik het vak van vormgever veel te beperkend. Daar werd ik vooral mee
geconfronteerd tijdens mijn stage. Logo’s ontwerpen voor bakkerij de Vries en
placemats voor de Pannenkoekenboot was niet datgene wat ik de rest van mijn
leven wilde doen. 

Er moest toch meer zijn? Toen besloot ik dat ik kunstenaar
wilde worden. Ik trok naar het oosten van het land en begon mijn studie aan de
AKI kunstacademie. Deze academie in Enschede trok mij aan omdat ze bekend stond
als een zeer progressieve vrije academie. Ik woon sindsdien in deze stad, maar
sta op het punt terug te keren naar Amsterdam. Enschede is de vreemdste stad.
Het is een plek waar je jezelf als kunstenaar geweldig kunt ontplooien want de
condities zijn goed en het borrelt van de initiatieven. Het is een eiland
tussen Amsterdam en Berlijn, Keulen en Düsseldorf. Alle creatieven zijn zeer
zelfredzaam en het is –  mede door de AKI
– een hechte ’community’. Ik heb al vaker geprobeerd weg te gaan hier, maar de
stad liet me niet los. Ik kon me prima manoeuvreren in de wereld met Enschede
als thuisbasis. Maar nu laten we elkaar los, ik ga terug.
HVC: In het
begin van je dossier las ik: ‘In mijn werk onderzoek ik de verschillende
manieren waarop wij tijd ervaren. De perceptie van tijd met al zijn facetten.
Momenten kunnen vervliegen in luttele seconden, maar ook gevoelsmatig een
eeuwigheid duren. Tussen dit spanningsveld zoek ik mijn beelden. Minutieus tast
ik de oppervlakte van tijd af en probeer ik het te vangen in mijn werk.’


CK: Hoelang
heb ik zittend broeden op dit tekstje, dat waren geen luttele seconden. Maar
het zegt precies datgene wat ik wil zeggen. Ik kan mezelf totaal verliezen in
momenten, in tijd, en zoals je misschien al hebt gemerkt: ik ben nogal een
nostalgisch persoon. De tijd te kunnen bevatten, is voor mij het allergrootste
gebaar. Maar dat is ook een heel pijnlijk gebaar, het betekent ook: stop! sta
stil! Wat probeer ik dan te grijpen? Het zijn verlangens, dagdromen, gektes,
humor, alles om me heen wat me opvalt en wat ik intens voel. Dat wil ik
grijpen. Dat zijn mijn beelden.
HVC:
Kunstenaar Fred Bervoets zegt: ‘Gebruik de roes om iets te scheppen en de
discipline om het af te maken.’
CK: Daar kan
ik me helemaal in vinden. Ik vind dat heel mooi gezegd. En die discipline is
een gevolg van de noodzaak. Want de noodzaak van het scheppen is groter. Waar
de discipline om de hoek komt kijken, is vooral wanneer je weer met je beide
benen op de grond staat: het échte leven met rekeningen, jobs  en dingen die je liever niet doet, maar moet
doen om je werk te kunnen maken.
HVC: Alain De Botton
zegt dan weer dat wat we zoeken in de kunst, missen in het leven.
CK: Daar zit
ook zeker een waarheid in hoewel ik dit meer vind bekeken vanuit het standpunt
van een toeschouwer.
Als ik over
mezelf spreek: mijn werk refereert zo sterk naar het leven en spiegelt dat
continu. Die reflectie zou niet kunnen bestaan zonder het leven. Hoe die vorm
krijgt is het scheppende proces. Maar als ik andere kunst(vormen) ervaar, zoek
ik wel naar iets, dat kan ik niet ontkennen. Of is dit te wollig?
HVC: Oscar van
den Boomgaard schrijft in een fijn tekstje over jouw werk: “De studio van de
kunstenaar doet me denken aan de levensgrote jungleschilderijen van Rousseau.
Ondoordringbaar, zonder focus. Iedere vierkante centimeter kijkt je even intens
aan. Een jungle van wol, vilt en papier. Ik ga achter het bureau van de
kunstenaar zitten. Het lijkt een knutseltafel, vol felgekleurde potloden,
scharen en ander tekenmateriaal. “


CK: Het was
een grote eer hem in mijn studio te ontvangen. Het was vreemd, want ik was zelf
niet aanwezig door een studiereis. Oscar was uitgenodigd om een tekst over mij
te schrijven voor de catalogus voor de final show van het HISK. Ik had mijn
sleutel achtergelaten en hij kon op zijn eigen tijd mijn atelier bezoeken. Het
was mooi en wonderlijk om naderhand te lezen hoe hij zich had bewogen in mijn
wereld en wat hij allemaal had gezien. We mochten allemaal even door zijn ogen
kijken. Hij interpreteerde en analyseerde alles op een hele rake manier en gaf
mij nieuwe inzichten doordat hij het vermogen heeft woorden te vinden waar ik
in beelden spreek. Mijn gesprekken met hem zijn van onschatbare waarde, hij
heeft me ontzettend veel gegeven.


HVC: Mooi zo-
Is creativiteit het gevolg van jouw kronkels
of dwingen jouw kronkels je om creatief te zijn?


CK: Ieh!
Dat is een wisselwerking. Die kronkels hebben me al vaker bij de dokter doen
belanden! Dokter: “Maar kun je dat dan niet uitzetten?” Conny: “Nee, zelfs als
ik hier bij u zit ben ik met mijn werk bezig. Ik kijk om me heen en ik zie
fantastische anatomische modellen, en dat vouwscherm, er zijn overal
mogelijkheden, ik kan dat niet uitzetten! Stel dat ik wat mis!” Zijn advies was
om me terug te trekken in een ontspannende omgeving waar ik zo min mogelijk
geprikkeld werd. Misschien zou daar dan ook ontspannend werk uit voortvloeien
waar ik dan weer ontspannen van zou worden. Wat een dokter! Ik zal hem missen
in Amsterdam. 🙂
Zonder
gekheid: het is vooral de nieuwsgierigheid en fascinatie voor de dingen om me
heen die me boeien, en dat zijn net de kronkels in mijn kop.
HVC: In de
bundel ‘On making Manifest’, de publicatie dat manifesten van een aantal
kandidaat-laureaten van het HISK bundelt, toonde jij een haast lege pagina, met
als titel: ‘Tuning my work’. Je schreef er zes trefwoorden onder waarbinnen je
je werk wil plaatsen: ‘Existentialism’, ‘Absurdism’, ‘Determination’,
‘Gravity’, ‘Beyond’ en ‘Engagement.


CK: Wat zou je
kunnen lezen in een manifest van Conny Kuilboer? Ik vond dat heel moeilijk in
woorden te vatten. Ik besloot daarom steekwoorden te nemen die onlosmakelijk
met mij en mijn werk verbonden zijn. Om mezelf een kader te geven, zocht ik dat
in muziek, want ik hou van muziek. De beginletters van de woorden zijn de noten
van een standaard stemming op een gitaar. Elke snaar heeft een eigen klank. Als
je de snaren tegelijk aanslaat, krijg je een akkoord, een geheel. Alle noten
zijn even belangrijk, maar je kunt ze ook uitlichten. Daardoor ontstaat steeds
een nieuwe compositie. Zo is het ook met mijn werk. Je zou alle werken als
losse noten kunnen zien, en als je ze samen plaatst krijgen ze een nieuwe
context en betekenis. Dat vind ik een spannend samenspel. Wat ik wil zeggen met
dit manifest, is dat er een kader is waarbinnen ik werk waarin ik alle vrijheid
neem om te onderzoeken en experimenteren.
HVC: Wat heeft
het in Gent (B) residerende HISK voor jou betekend
trouwens? Want je
bent tussen 2011 en 2013 een ‘halve Gentenaar’ geweest.


CK: Heel veel,
het is een belangrijke en inspirerende werkperiode geweest. Toen ik hoorde dat
ik mocht komen, begon weer een groots avontuur voor mij. Het was een hele stap
om mijn geborgen plek in Enschede achter te laten en naar Gent te komen. Ik was
al 8 jaar afgestudeerd en was zeer gesteld op het isolement van mijn atelier.
Behalve mijn man Ben Kruisdijk – met wie ik mijn atelier deelde – kwamen daar
niet zo vaak mensen over de vloer. Maar dat isolement was ook datgene wat ik
wilde doorbreken en één van de redenen om mij aan te melden. Ik had het gevoel
dat ik in een fuik was gezwommen en teveel dingen uitsloot in mijn werkproces.
De dialoog in het proces was een monoloog geworden.
Het
was echt om mijn werkproces onder de loep te nemen, want met het tentoonstellen
ging het hartstikke goed, mede door Vincent Verbist van Actionfields, waarmee
ik in 2008 in contact kwam. Door hem leerde ik de Belgische kunstwereld beter
kennen en hij heeft mij met veel mensen in contact gebracht.
De
eerste studio-visits in het HISK waren erg confronterend en verwarrend en legde
onmiddellijk de vinger op de zere plek. Ik moest uit die fuik breken! Ik kwam
terecht in een wonderlijke lichting HISK-ers die stuk voor stuk super
inspirerend zijn. De uitwisseling tussen de kunstenaars was misschien nog wel
belangrijker dan de gesprekken met de visiting-lectures. Er was een goede
chemie onderling en ik heb dierbare vrienden leren kennen. Duidelijker werd het
allemaal niet en tegen het einde was het een grote mist in mijn hoofd. Maar
juist dat heeft heel bevrijdend gewerkt, het hoeft allemaal niet zo duidelijk
te zijn. Het is voor mij niet zozeer een productieve periode geweest, maar wel
één met reflectie en input.
HVC:
Je bent ook in het Belgische Masereel Centrum in Kasterlee op residentie
geweest, bekend om zijn grafisch atelier. Wat heb je daar van werk vervolmaakt?


CK:
Al mijn hele leven verzamel ik spullen die me vervolgens dierbaar worden en ik
niet meer kan loslaten: speelgoed, oude foto’s, camera’s, rariteiten en
wonderlijke objecten. Maar dierbaarheid kan zwaarte krijgen. Wat betekent
dierbaar nog als je het wegstopt in een doos om het opgestapeld te laten
wachten op een weerzien? Dan gaan de koesteringen wringen. Een deel van mijn
verzameling heb ik vastgelegd op de lichtgevoelige plaat en uitgewerkt tot
zeefdrukken in het Frans Masereel Centrum in Kasterlee. Laag voor laag en kleur
over kleur, zijn de objecten ontleed en opgebouwd op het platte vlak: ontsnapt
uit de doos.
HVC: Hoe
maatschappij-weerbarstig zijn jouw beelden?


CK: Ik voel
een groot onvermogen als kunstenaar om engagement te vertalen in beelden. Toch
staat ’Engagement’ in mijn manifest. Dit ’Engagement’ gaat over de manier
waarop ik mijn kunstenaarschap wil kleuren en wat ik wil uitdragen. Ik geloof
in collegialiteit en niet in competitie. Ik ben een zacht ei en doe niet mee
aan de ’rat-race’.
Ik heb een
mening over maatschappelijke problematiek, maar wil en kan dit niet verweven in
mijn werk. Als kunstenaar moet je waakzaam zijn
om niet moraliserend uit de hoek te
komen. Dat gebeurt naar mijn mening veel te veel en dat vind ik vaak ongepast.
De ’white-cube’ leent zich niet voor dit soort statements. Hoe gemakkelijk is
het om iets te schreeuwen in een ruimte vol eensgezinden? Gelukkig wordt
tegenwoordig vaker voor alternatieve platforms gekozen, waarbij zo’n statement
betekenisvol kan worden.
Ikzelf probeer
heel dicht bij universele innerlijke gevoelens te blijven waar iedereen zich in
kan herkennen. Ik probeer te kietelen, te schuren, en hoop daardoor te
verbazen.




HVC:
Mooi uitgedrukt Conny!
Laten
we enkele werken bespreken
, te beginnen met je bekende ‘ezel’.


CK: De ’ezel’
is een van de eerste werken die ik in samenwerking met mijn man – beeldend
kunstenaar Ben Kruisdijk – heb gemaakt. Naar aanleiding van een werkperiode in
Schloss
Ringenberg in Duitsland, werden wij uitgenodigd om samen deel te nemen aan een
tentoonstelling daar. Wij besloten om de prachtige toonzaal niet vol te hangen
met ons werk, maar de individuele werken als materiaal te nemen voor een nieuwe
installatie. We vonden in de ezel de perfecte sokkel voor al deze werken. Zij
symboliseerde voor ons de manier waarop wij invulling geven aan ons
kunstenaarsbestaan en leven. Als kunstenaar, en mens, reizen we allemaal veel
en niet licht bepakt. Het speelt met veel clichés en vooroordelen. Wat voor ons
de belangrijkste stap was in dit werk, was de handeling om onze werken op één
hoop te gooien. De hiërarchie was weg en ieder stuk op de ezel werd
gelijkwaardig en een onderdeel van een geheel. We werden geconfronteerd met
vragen over auteurschap en ontdekten dat door ons werk en ideeën samen te
voegen, een geheel nieuwe beeldtaal ontstond. Het gaf ons vrijheid om buiten
onze vertrouwde kaders te stappen en samen een hele nieuwe weg in te slaan.
HVC: Jullie
gaan hem ook in het Belgisch kunstenaarsdorp Watou (2014) tonen …


CK: Ja, wij
waren ontzettend vereerd dat we waren uitgenodigd om deel te nemen aan Watou en
hoewel we de ezel eigenlijk niet meer tonen, wilden we voor Watou graag een
uitzondering maken. Watou staat dit jaar in het teken van de menselijke
zoektocht naar geluk en dat in tijden van grote overvloed. Een prachtig thema
wat we heel mooi vinden aansluiten bij dit werk.
We hebben door
de jaren heen meerdere versies gemaakt waarbij de bagage wisselde van
samenstelling. De eerste versie is met een polyester ezel en woont ondertussen
in Madrid. Voor een tentoonstelling bij de Verbeke Foundation hebben we ooit
een echte opgezette ezel gebruikt en deze zal de zomer in Watou doorbrengen.


HVC: Jullie
gaan er ook een klein cartoonesque eiland tonen, als metafoor voor jullie
kunstenaarsleven …



CK: ’X never
ever marks the spot’ is de titel van dit tropische eilandje. Die titel is een
uitspraak van de wel gerespecteerde archeoloog Dr. Indiana Jones en wij vonden
dit super toepasselijk voor dit werk. Het eiland hebben we gemaakt naar
aanleiding van een uitnodiging om deel te nemen aan de expositie ’Palm Fiction’
in Berlijn, georganiseerd door the White Elephant Collective. De expositie werd
gehouden in de oude Palmkernspeicher, een fabriek uit 1883 waar palmolie werd
gemaakt. We moesten al vrij snel denken aan een klein cartoonesque eiland dat
als metafoor kon dienen voor ons kunstenaarsleven. De periferie gevonden en
omarmd als het centrum waar vanuit de wereld te observeren. Tegenstrijdigheid
en berusting op 4,5 m2.




HVC: Over
welke leuke andere werken wil je het nog hebben?


CK: Ik mag op Watou nog een aantal andere werken tonen wat ik heel
spannend vind. 
Eén daarvan is ’Existentialis(m)’. We zijn allemaal verantwoordelijk voor
onze eigen daden en de manier waarop we dingen doen. Maar het leven duwt ons
soms toch een richting op waar we helemaal niet heen willen. Zo maakbaar als
alles is, zo breekbaar is het ook. Toen ik over de halfvastenfoor op het Sint
Pietersplein in Gent wandelde zag ik een kraampje waarbij ik mijn eigen
nummerplaat kon laten maken. Ik wilde heel graag dat allesomvattende
mysterieuze woord ’Existentialism’ daarop plaatsen maar het woord liet zich
niet in zijn geheel vangen op de paarse nummerplaat. Dat gegeven vertaalde
precies mijn gevoel. Een eigen ingrijpen om het af te maken werd noodzakelijk.
Het staat
symbool voor het nieuwe zijn, dynamisch en vormbaar.




Er is ook is een werk te zien uit 2008, wat ik nog nooit heb
tentoongesteld: ‘My greatest desire to see the deepest blue of the sky’.
Als kind kon ik uren dagdromen en verdrinken in het oneindige blauw van
de lucht. Hoe blauw ziet de lucht eruit als ik dichterbij probeer te komen?
Gewichtloos zweefde ik in mijn fantasie omhoog en kon ik moeiteloos de
zwaartekracht overwinnen. Hoe zou het zijn om echt op te stijgen en te zweven
tot oneindigheid? Een aantal jaar geleden las ik het gedicht ’Lawn chair Larry’
van Ramsey Nasr. Dit gedicht gaat over de Amerikaan Larry Walters die op een
dag in 1982 besloot zijn jeugddroom waar te maken. Aan zijn tuinstoel
bevestigde hij met helium gevulde weerballonnen, waardoor hij als een raket
lanceerde om vervolgens urenlang hoog in de lucht te dobberen. Ik heb een
beeldende reconstructie gemaakt van deze actie door vrolijk gekleurde
heliumballonnen vast te binden aan een klein kinderklapstoeltje. Ik ben heel blij
dat dit werk getoond gaat worden en dat Kunstenfestival Watou zo genereus is
dit te faciliteren! 


Een ander werk wat ik toon op
Watou is ’They were curious’. Het is een speelgoed-globe, binnenste buiten
gekeerd. De globe komt uit mijn jeugd en diende altijd als een wakend
nachtlampje, waar de diepste oceanen en de hoogste bergen in verre landen tot
mijn verbeelding spraken. Maar wat zit onder die korst? Waar komt dat licht
vandaan? Op een dag bezocht ik mijn ouders en zag ik tot mijn verbazing dat een
continent van de wereldbol was losgerukt. Na nadere inspectie bleken mijn
nichtje en neefje verantwoordelijk voor deze brutale daad. De handeling
ontroerde me omdat die zo herkenbaar was: Ze waren zo nieuwsgierig! De
binnenzijde van de wereld bleek veel mooier en kleurrijker dan de buitenkant.
Ik besloot de hele wereld te pellen en deze binnenstebuiten op de bol terug te
plaatsen.
HVC: Een
belangrijk facet van je kunstenaars-uiting, is de samenwerking met je partner
Ben Kruisdijk. (Kruisdijk/Kuilboer). In jullie gezamenlijke werken staat vaak
de positie van de kunstenaar vandaag de dag centraal, schrijf je. Door samen te
werken, ontstaat een dialoog die de brug vormt tussen onze beiden werelden en
beeldtalen, wat een inspirerende uitwisseling van ideeën oplevert. Daardoor
betreden jullie paden waar jullie als individuele kunstenaars misschien niet in
terecht zouden komen.
Is er een
groot verschil tussen jouw werk individueel en dat tezamen met Ben? Hoe merk je
zelf het verschil in ‘weg ernaartoe’ en eindresultaat? En in welke mate
verschilt Ben zijn individueel werk met dat van jou?


CK: In het
begin van onze samenwerking was het verschil erg groot, vooral omdat ik meestal
driedimensionaal werkte en Ben tweedimensionaal. Door de jaren heen is dat veel
meer naar elkaar toegegroeid. We permitteren onszelf richtingen op te gaan waar
we niet eerder mee bezig waren. Dit komt mede door onze samenwerking omdat we
daarin al deze vrijheid namen. Toch hebben we naast onze samenwerking heel
duidelijk ons eigen individuele werk. Een samenwerking bestaat namelijk ook uit
compromissen sluiten. Het is belangrijk dat we ieder onze eigen stem behouden
en ontwikkelen, waardoor we met elkaar een interessante dialoog kunnen blijven
voeren. Er is een groot verschil in het proces van het individuele werk en
werken die we samen maken. Als we samenwerken staat vaak een idee/concept
centraal wat we als uitgangspunt nemen. De aanloop is een wisselwerking van
ideeën en de uitvoering is meer productiegericht. Bij mijn individuele werken is
dat proces veel chaotischer en schiet het in het begin nog alle kanten op. De
nadruk ligt dan veel meer op het proces.
HVC: Rainer
Maria Rilke zegt trouwens: “Laten we niet vergeten dat de kunst slechts een weg
is, geen doel.” Ben je daarmee akkoord?


CK: Helemaal
mee akkoord!
HVC: Hoe
richten jullie als kunstenaarskoppel trouwens jullie leven in?


CK: 🙂 We
beginnen altijd met koffie en delen het atelier. Ik ben een bouwer en Ben is
een denker. We ondersteunen, discussiëren, inspireren, wisselen uit. We doen
één ieder waar we goed in zijn. Het is heel fijn om samen te werken, het
kunstenaarsbestaan is best een eenzaam gegeven. Om daar samen in te staan, is
gewoon veel leuker, want dat mag het ook heus wel zijn: leuker!
HVC: Hoe
proberen jullie zich trouwens van andere kunstenaarskoppels te differentiëren?


CK: Daar zijn
we eigenlijk niet mee bezig. Wat dat betreft zijn we best egocentrisch en
focussen we op onszelf. Wat we wel proberen is om onze samenwerking uit te
breiden met andere kunstenaars. En dan niet alleen op het beeldende vlak, maar
veel breder. We hebben voor een tentoonstelling in het afgelopen najaar
samengewerkt met een acteur, muzikanten en ontwerpers. Daar willen we zeker mee
doorgaan.
HVC: Noem eens
één ding dat de kwaliteit van jullie kunst zou kunnen verbeteren …


CK: De eerder
genoemde discipline. Daar is in principe geen gebrek aan, maar het zou goed
zijn als we beiden onze focus meer op ons werk zouden kunnen richten. Het is nu
soms te incidenteel dat we die focus werkelijk hebben. Konden we maar…
HVC: Doen we
het in België trouwens beter of slechter – op gebied van kwaliteit of beleid –
dan in Nederland?


CK: Ik vind de
kwaliteit van beeldende kunst in België ontzettend hoog en kijk daar met
bewondering naar. In België lijkt nog ruimte voor verbeelding te zijn, zelfs
als kunstwerken een maatschappijkritische boodschap hebben. Nederland heeft
andere kwaliteiten en andere prioriteiten. In Nederland moet kunst een
duidelijke functie hebben en dat bepaald vaak het beleid. Dat zie je luid en
duidelijk terug in de (beeldende) kunst en cultuur educatie. Op het moment ligt
de nadruk op innovatie. Door bijvoorbeeld kinderen op jonge leeftijd in
aanraking te laten komen met kunst en cultuur, groeien ze op als flexibele
mensen met een (potentieel) probleemoplossend vermogen, wat vruchtbaar is voor
de kenniseconomie. Creativiteit wordt ingezet als economisch groeimiddel. Dat
vind ik redelijk problematisch. Maar ja, liever iets dan niets… We gaan dapper
door.

HVC: En hoe
zit het daar tegenwoordig met de Nederlandse subsidies?


CK: Ikzelf als
kunstenaar heb weinig tot geen ervaring met subsidies. Er wordt veel bezuinigd
en de hardste klappen zijn al gevallen. De kunstwereld is nu herstellende van
die klap. Wat je ziet is dat de culturele wereld wel een ongelooflijke
veerkracht heeft en dat vanuit die financiële afbraak interessante initiatieven
komen bovendrijven. Maar er is veel kapot gemaakt en ik vrees dat dat nooit
meer terug komt.
HVC: Vind je
dat er genoeg kruisbestuiving is tussen de Belgen en Nederlanders? (Ik vind wat
te weinig, persoonlijk.)


CK: Ik heb als
kunstenaar altijd meer platform gevonden in België dan in Nederland. Dus voor
mij individueel -en samen met Ben – is die uitwisseling hartstikke aanwezig.
Wat veel gebeurt, is dat Belgische kunstenaars in Nederland werk tonen en visa
versa. Daar zou meer dialoog tussen kunnen zijn.
HVC: Verschilt
het favoriete kunstwerk van jou van dat van Ben?


CK: Er zijn
veel dingen waar wij over spreken met elkaar, maar ook waar we nooit over
spreken. Deze vraag is eigenlijk nog nooit ter sprake gekomen!
HVC: Keep the
secret!


CK: 🙂
Hilde Van
Canneyt, copyright 2014, met dank aan croxhapox
Kuilboer/Kruisdijk
stelt tentoon op Kunstenfestival Watou 2014 van 5 juli t/m 31 augustus. Thema
van deze editie is: Verzamelde verhalen #6: Over klein geluk in tijden van
overvloed.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.