Categorieën
Interview Uncategorised

Interview met Peter Rogiers

Het boek: ‘Hilde
vraagt, 85 interviews met Belgische kunstenaar
s
‘ is net uit, te bestellen via
http://www.hildevraagt.be en te koop in de Fnac, de betere boekhandel en de Belgische en Nederlandse museumshops


Interview
met Peter Rogiers (1967), Oud-Heverlee, januari 2014











Hilde Van Canneyt: Hallo Peter, je wilde
bij aanvang striptekenaar worden, maar… 

 
Peter
Rogiers: Ik heb van jongs af aan getekend, maar mijn familie was niet echt
kunstminded, dus strips waren het enige wat ik kende. Door naar de academie te
gaan, is de rest gevolgd. Ik heb er eerst grafiek gevolgd en van daaruit
ben ik later sculpturen beginnen maken.

HVC: Ik zag op je website dat je al
twee comics hebt gemaakt en een derde is in wording…


PR: Kunstenaars
als Philip Guston en Gary Panter, die ook door comics zijn beïnvloed,
interesseren me enorm. Al zie ik dat voor mezelf als iets bijkomstig, naast
mijn sculpturen. Sculpturen maken is heel arbeidsintensief, en als tegenwicht
is het heel fijn om ’s avonds hier rustig aan mijn livingstafel aan comics te
kunnen tekenen. 









HVC: Ook in je sculpturen is er veel
invloed van strips, cult comics en B-films.

Alsook ‘dans’ is een inspiratiebron,
liefst nog de choreografie van William Forsythe. Hij zei in een
interview: “De toeschouwer heeft altijd gelijk. Als iemand mijn werk
verschrikkelijk vindt, dan is dat maar zo.”


PR: Daar
ben ik het volledig mee eens. In de dans heb je ook Pina Bausch wiens werk op
het podium ook heel driedimensionaal is. Zoals bij dans hebben mijn figuren ook
iets heel dynamisch en beweeglijks, vandaar die referentie naar dans.

HVC: Hoe ga je te werk om een sculptuur
‘aan te vatten’? Komt het idee uit een vorm of uit een concept of een verhaal
of… ?
PR: Ik heb
altijd een startidee, wat gewoon een alibi is om iets te starten. Tijdens het
werkproces heb je heel veel mogelijkheden en kan dat alle kanten opgaan. Heel
anders dan ik aanvankelijk had gedacht. 

HVC: Dat je geen ‘geëngageerde’
kunstenaar wordt genoemd, daar trek je je geen fluit van aan. 

 
PR:
Engagement is sowieso onvermijdelijk. Als je kunst maakt, doe je politieke
uitspraken. Als je een kleinburgerlijk schilderijtje maakt, doe je eigenlijk
ook een politieke uitspraak. Dat is aanwezig en ik vind dat dat te hard
geaccentueerd wordt. John Berger sprak in de jaren ’50 al over sociaal
realisme. Dit terwijl David Sylvester sprak over een modern realisme. Maar ik
voel mij veel meer aangesproken tot het tweede. Als je naar de grote
kunstmanifestaties kijkt, zie je heel veel terug in een nieuwe vorm van een
soort sociaal realisme. 

Het sociaal – al dan niet politiek correct – idee van
de curator en de kunst die errond gekozen wordt als illustratie, is de trend van
nu. Dat is eigenlijk niet anders dan in de jaren ’50, waar je de Kitchen Sink
School-schilders had, een vrij obscure Engelse school, waar onder andere John
Bratby bij zat. Hij schilderde heel banale voorwerpen en John Berger verdedigde
dat. Later verdedigde hij ook Juan Munoz en zo, wat ook vrij anekdotische kunst
is. Maar ik heb het meer voor de Picassoiaanse school. Voor mij moet het echt
uit de vorm komen. De rest wordt onvermijdelijk ingevuld.



HVC: De inhoud geven wij er dan als
kijker aan?


PR: Heel
veel schilderijen worden uitgelegd als verhalen. Maar er wordt zich te weinig
afgevraagd of het eigenlijk een goed schilderij is. 


Zilverfruit

HVC: Jij wilt goede krachtige beelden
maken, waardoor de kijker zelf dat verhaal moet maken, net door dat overdonderende
in je beelden…


PR: De
meeste hedendaagse kunst is te context-gebonden. Het verhaal is zó aanwezig
en neem je dat weg, schiet er niks meer over.

HVC: Je titels hebben wel iets rock-’n-rolls
in zich. Maar ze zijn er niet om mensen op een (dwaal)spoor te zetten of iets
toe te voegen, denk ik.

PR: Voor
mij mogen titels op één of andere surrealistische manier wel iets bijdragen aan een
sculptuur. Voor mijn volgende expo bij Van Laere maakte ik bewust ironische
verwijzingen in mijn titels. Zo heb ik titels als ‘Orde en tucht’ en ‘De nieuwe
geboorte van een ideologie’. Het is net een ironische commentaar op vele
kunsttitels of kunstinhouden. 

René Magritte nodigde zijn vrienden uit op
zondagnamiddag en zo kwamen al die vreemde associaties tot stand. Of zoals John
Burroughs: hij knipt een tekst in stukken, gooit dat op de grond en plakt de
woorden weer aan elkaar. Zo krijg je toch associaties. 

Oorspronkelijk gaf ik
geen titels, maar dat werd heel verwarrend voor mijn galeristen,
en voor hen moeilijk om te weten over welk beeld ik het had als ik iets probeer
uit te leggen.


HVC: Heb je ook graag dat wij als kijker
associaties bij je sculpturen maken?
Als ik gisteren je sculpturen op je
website bekeek – toch al indrukwekkend wat je maakte, proficiat! – vond ik het
moeilijk er woorden op te kleven, om ze te ‘benoemen’.
Toen je in 2008 in Galerie Richard in New
York een solo had, werd je werk in de aankondigingstekst omschreven als: ‘Werk
tussen dier en plant, abstract en representatief en tussen barok, futuristisch,
surrealistisch en kitsch.’


PR: Ik
probeer te ontsnappen aan een soort ‘geplaatst  worden’. Toen ik mijn eerste
solo had bij Annette De Keyser in Antwerpen, heb ik heel veel pers gekregen en werd ik
direct geplaatst als ‘de nieuwe expressionistische beeldhouwer’. Je wordt al in
een vakje bestempeld voor je goed en wel bent begonnen. 

Ik geef ook les en je
voelt dat die jonge studenten direct al aan een oeuvre moeten werken, “ze
moeten weten waar ze mee bezig zijn”. Maar ik geloof veel meer in een uitspraak
die Ezra Pound gemaakt heeft: “Je schrijft tien jaar en dat vormt zich tot een
roman of boek of niet.”

HVC: Studenten van het eerste jaar hebben
bij wijze van spreken al een visitekaartje waarop ‘kunstenaar’ staat gedrukt. 


PR: Ze
moeten toch eerst tijd nemen om rond te kijken om tot iets te komen? Trouwens,
wat betekent dat ‘kunstenaar’?

HVC: Dat vraag ik me ook nog altijd af. 

PR: Ik
sta ook ’s morgens niet al borstkloppend op en spreek ook niet in de spiegel de woorden “Ik ben
kunstenaar!” uit. Ik heb gewoon behoefte om dingen te maken en erover
te reflecteren en that’s it. Natuurlijk moet dat ding worden benoemd en als je dan
in de kunstwereld terecht komt, hoort dat er allemaal bij. 



Stilllive

HVC: Even terug naar het galeriewezen. Op
een dag stond Annette De Keyser voor je deur? Er waren toen nog geen
websites waar galeriehouders kunstenaars konden ‘ontdekken’.


PR:
Mensen die mijn werk kenden, tipten haar om eens naar mijn werk te komen zien.
Ik was toen 25 jaar. Later heb ik nog op de Jan Van Eyck Academie in Maastricht een
postgraduaat gevolgd. Er kwamen mensen als Guillaume Bijl en Ria Pacquée kijken, alsook verder nog mensen uit de Antwerpse scène. Ook John Thompson gaf er les, daar
heb ik ook veel aan gehad.

HVC: Daarna stond Xavier Hufkens uit Brussel voor je
deur, dààrna de Antwerpse Tim Van Laere. Toch niet de minste galeristen…


PR: Nu
zit ik onder de vleugels van Tim Van Laere in Antwerpen en ik zit er echt op
mijn plaats.

HVC: Je maakte in het begin van je
carrière ook ‘je Degas-beeldje’, een beeldje in polyester met dierenhuid
errond. Het beeldje werd aangekocht door de Vlaamse gemeenschap en daarmee
kreeg je (in de kunstwereld) (plots) naambekendheid. 


PR: Na de
academie had ik totaaaal geen
(carrière)plan. Wat er met dat Degas beeldje gebeurde, overviel me. Daarna heb
ik – eerlijk gezegd me er tegen afgezet en een aantal abstractere figuren in
schuim gemaakt die ik dan in het M HKA heb getoond. Achteraf gezien heb ik
daar misschien – het is een groot woord – spijt van. Maar ik heb bijgeleerd en
beseft dat dat ook niet de weg is die je moet gaan en nu doe ik gewoon mijn
ding. En met ouder te worden besef je nog meer hoe relatief alles is. 





zonder titel



HVC: Natuurlijk, je weet dat galeristen
en verzamelaars in jou geloven, dus is het “makkelijker” om je “eigen ding” te
doen. Je weet dat “ze” zitten te wachten op je beelden. Door die “luxepositie”
kan je asociaal doen en hoef je je hoofd niet op recepties te tonen
bijvoorbeeld. Kunstenaars in groei moeten zich misschien meer “tonen”. 


PR: Ik
ben bewust buiten Brussel en Antwerpen gaan wonen. Ik wil bewust afstand. Ik
kan mijn ding doen en als ik zin heb, zoek ik wel mensen op, zoals mijn goede
vriend en kunstenaar Philip Metten.

HVC: Wanneer weet je dat een werk ‘af’
is. Uit jezelf of pas als een derde oog het heeft gezien?
PR:
Eigenlijk is mijn vrouw de eerste die mijn werk ziet én is ze mijn eerste criticus. En ik luister naar haar! (lacht) Ze is apotheker, zit niet “in de kunst” en
ik vind het goed dat die afstand er is. Maar we zijn al heel lang samen en ze
is eigenlijk mee opgegroeid in heel dat kunstverhaal. Ik durf door haar wel al eens
een beeld kapotslaan. Ze heeft er écht wel een oog voor. Ze kent mij en voelt
aan wanneer iets “niet klopt”.
Als je een
eigen stem hebt, dan stel je je altijd de vraag: “Geloof ik wat ik zie?” “Is
dit oprecht?” “Is dat iets?” Al blijft dat wel subjectief.

HVC: Je hebt het kunstwerk, je hebt de
naam van de kunstenaar, je hebt de persoon en dat alles moet – voor mij –
kloppen. 


PR: Ik
heb dat met studenten: ze zijn 18 jaar en willen dan zo van dat melodramatisch
zwaar werk maken, terwijl ik diezelfde kerel vrolijk door de gangen zie lopen.
Ik vind het belangrijk mensen te wijzen op hun authenticiteit.

HVC: Bestaat er een – oké, foute term –
typisch Peter Rogiers-beeld?


PR: Er
valt niet aan te ontsnappen. Kijk naar Picasso: hij heeft zo’n diverse periodes
gehad en toch haal je hem er altijd uit. 










HVC: Wat bewonder je in het werk van
andere beeldhouwers?


PR:
Eerlijk gezegd vind ik niet veel hedendaagse kunst goed. Heel veel kunst die ik
nu zie, vind ik niet slecht, maar ook niet beter dan wat ik maak. Ik wil iets
‘zien’ – zoals de sensatie van lekker eten – maar ik zie heel ‘weinig’. Veel
kunst is zoals ik al zei, een soort maatschappijkritiek – in heel slappe vorm
– maar net dat publiek bereiken ze niet, want die komen er gewoonweg niet. 

Ik
hou eigenlijk heel veel van Caravaggio, Vélasquez en Goya … 

Soms kan je ook
fijne dingen ontdekken, zoals die etsen van Herculus Seghers, een tijdgenoot
van Rembrandt. Ik vind het wel fijn om ontdekkingen te doen in de
kunstgeschiedenis. Soms zijn net de curieuze randfiguren heel boeiend, omdat je
niks kunt doen met die “hele grote kunstenaars”. Ook de modernisten blijf ik goed
vinden.

HVC: In de tekst van een expo van jou in
2009 in De Garage in Mechelen, verwijs je naar de logica van een goed
vormgegeven menselijke figuur. Je wilde in die expo benadrukken dat je niet
postmodern wilde overkomen.


PR: Hoe
conservatief dat ook klinkt, het is wel zo dat ik mij als een figuratieve
kunstenaar zie. Ik wil toch dat er een soort van mensbeeld inzit. Mondriaan
vind ik fantastisch, maar toch vind ik veel abstracten vrij decoratief. Het
blijft voor mij te vormelijk. 



Broadway

HVC: Wat denk je over “emo “in de kunst trouwens?
Iets wat je toch bij veel beeldhouwers ziet… (vraag ik nadat we het even off
the record over andere kunstenaars hadden
.)


PR: Ik
probeer echt contrasten en tegenstellingen in mijn werk te steken. De vormen op
zich kunnen op zich heel dramatisch zijn, maar door het materiaalgebruik, wordt
het kunstmatig en krijg je er contradicties in. Ik vind dat veel spannender en
dat blijft ook veel langer duren dan wanneer je er op een sentimentele manier
mee omgaat.

HVC: Je zegt ook ergens dat je geen nood
hebt aan “het praten over kunst” op café of op recepties.


PR: Met
interessante kunstenaars wel, al praten wij dan net niet over kunst als we
elkaar zien. Maar ik heb vooral vrienden buiten de kunst.

HVC: Toen ik hier daarstraks jullie
living binnenkwam, botste ik letterlijk op – in plaats van op kunstwerken – op
een hele wand foto’s waar jij op den moto
zit. Je doelt dus onder andere op je motard-vrienden.?

 
PR: Als
je met kunst bezig bent, zit dat constant in je hoofd. Ik heb zoiets extreem
nodig om daar aan te ontsnappen. Op mijn motor kan ik het loslaten. Het idee
van snelheid is bijna zoals dansen, het heeft op zich ook met mijn praktijk te
maken. Ik wil daar niet arty farty
over zijn, maar er zijn overeenkomsten. Het is een tegenwicht dat ik nodig heb. 



(kijk naar links boven: moto’s+moto’s+moto’s)

HVC: In een ‘buitenlands’ interview kreeg
je de vraag of je door René Magritte was beïnvloed en daar antwoordde jij op:
“Wie is er in België niét door Magritte beïnvloed?” Ik vind dat wel een mooi antwoord.

 
PR: Ik
ben niet bewust met surrealisme bezig, maar je draagt gewoon iets van je
omgeving mee, dat is iets waar je gewoonweg niet kunt aan ontsnappen.

HVC: 30 januari 2014 is het startschot
van je solo-expo: ‘A hunter’s night’ in de Van Laere galerie te Anwerpen. Het
is een referentie naar de film ‘Night of the Hunter’ met Robert Mitchum als
valse profeet.
In de expo – lees ik – hekel je de
contextgebondenheid van de hedendaagse kunst. 


PR: Ik
wil heel subjectieve beelden tonen, vanuit mijn wereld en je gaat er in mee of
niet. Het gaat over de intensiteit en de plasticiteit. 



The Shapeshifter


Paramount

HVC: Je gaat er ook collages tonen…

PR: Ik
maak vrij veel collages. Wat je veel ziet, is een beeldhouwer die een sculptuur
heeft gemaakt en daar dan nog tekeningen rond maakt. Dat wil ik niet. Ik toon
ook nooit schetsen naar het beeld toe. Ik maak graag tekeningen of collages die
er niet naar verwijzen, maar toch dezelfde sfeer of wereld in zich dragen, dit
als volwaardig ding.


HVC: Wat ik hier nog lees in de
aankondigingstekst van de expo: ‘De intelligentie van Peter Rogiers lijkt niet
van plan te zijn het magisch denken los te laten. Hij blijft zijn plasticiteit
‘leven’ en ondergaan. De betovering van de sculptuur en van de kunst, een
essentiële menselijke behoefte, en zijn weerbarstig vertrouwen in ‘grote
verhaal’ van de kunst
, blijft fundamenteel.


PR:
(grijnst) Ik heb hier niks aan toe te voegen. 






Hilde Van
Canneyt, copyright 2014, met dank aan croxhapox

Peter
Rogiers stelt tentoon: 

Tim Van Laere gallery, van 30 January 2014 – 15 March 2014
Verlatstraat 23, 2000 Antwerpen
www.timvanlaeregallery.com








 


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.