Categorieën
Interview Uncategorised

Interview met Jonas Vansteenkiste




Het boek: ‘Hilde vraagt, 85 interviews met Belgische kunstenaars’ is vanaf deze week te bestellen via http://www.hildevraagt.be/

Interview met Jonas Vansteenkiste (1984), Waregem, november
2013.







Hilde Van
Canneyt: Hallo Jonas, we zijn hier in BRUTHAUS, een off-space voor actuele
kunst en bijzonder Belgisch ontwerp te Waregem, waar je op dit moment een solo
hebt. Je hebt op je 29” toch al serieus wat (kunst)werken achter de rug. 



Jonas Vansteenkiste: Ik heb eerst op het VTI in
Kortrijk beeldende kunst gevolgd en tijdens die opleiding volgde ik bij Bart De
Zutter beeldhouwkunst in het DKO, omdat ik op dat gebied wat op mijn honger
zat. Daarna ben ik naar het KASK in Gent getrokken om er 3D (later mediakunst)
te gaan volgen, omdat ik merkte dat ik niet in één medium geloofde. Ik ben geen
tekenaar, geen schilder, maar wat ben je dan juist? Daar voelde ik dat het
juist zat: dat de gedachtegang breder gaat dan het medium.

HVC: En toen
je daar buiten kwam, dacht je: “En nu staat de wereld op mij te wachten.”


JV: (lacht) Neen, ik ben net redelijk nuchter. Je kan
daar heel gemakkelijk idealistisch jezelf in verliezen. Maar eigenlijk moet je
voor jezelf een structuur creëren waarin je kan blijven functioneren. Het voordeel was dat ik me al tijdens mijn studies
realiseerde dat ik in een school zat en ik buiten die muren ook moest bestaan
en functioneren. Zo wilde ik al vlug buiten dat veilig nest, een plaats gaan
zoeken. Ik besefte dat de school ook maar een tijdelijk iets was of tenminste
een evenwicht. Zo ben ik al gauw aan wedstrijden beginnen meedoen. Ik viel dan
ook niet in een zwart gat toen ik afstudeerde. Ik wist dat er een veld was, wat
BAM was, … .

HVC: In je bio
op de website van BAM staat (min of meer) geschreven:
Jonas Vansteenkiste is een beeldend
kunstenaar die werkt rond en met ruimtes. Hierbij maakt hij gebruik van
verschillende media: installatie, video, sculptuur, foto en tekeningen.

Hij maakt zowel fysisch als psychologisch
gebruik van architecturale elementen: hij bouwt ruimtes en plaatsen of creëert
situaties die kunnen omschreven worden als ‘mentale ruimtes’, te vergelijken
met het begrip ‘Denkraum’. Dat kan dan weer gedefinieerd worden als muren
bouwen ‘van-in’ of ‘van-uit’ de chaos van eigen beleving, emoties, gedachten om
net dat voelen en deze ervaringen handelbaar of duidelijker te kunnen maken.

Hieruit maak je dan een ‘basso continuo’ –
de persoonlijke anekdotiek wordt naar de achtergrond geplaatst – en het
‘medium’ installatie benader je als het medium van de referentie en de
ervaring. Hierdoor plaats je de toeschouwer in een participerende rol en
nodigt hij uit om in het werk te stappen.”


JV: Voor de tekst van BAM dacht ik: het is
duidelijker als ik mijn werkwijze toelicht want de vorm van de werken varieert.
Ik vertrek van heel persoonlijke ervaringen, maar ik denk niet dat het iemand
interesseert dat het bijvoorbeeld uit is geweest met mijn lief of andere persoonlijke
momenten in mijn leven. Ik vind dat je een onderscheid moet maken tussen wat je
ziet in een werk of wat je bijvoorbeeld verteld in een interview. Het moet voor
meerdere mensen leesbaar of invulbaar zijn en er moet een resonantie zijn: het
persoonlijk verhaal vind ik interessant, maar het letterlijke feit is vaak niet
zo interessant voor iemand anders. Ik vind het spannender om die anekdotiek te
gaan schrappen en met dat basisgevoel een vorm te gaan reconstrueren die dat
gegeven communiceert en resoneert bij de kijker. Daardoor zit hij niet meer in
de rol van de kijker, maar wordt hij een deelgenoot van het gegeven.

HVC: Je nodigt
hen werkelijk uit in je werk te stappen. Ergens vergelijk je het ook met een
boek: de lezer versus de kijker.


JV: Ik ben gefascineerd door het begrip ‘immersie’,
dit betekent letterlijk onderdompeling. Een goed voorbeeld is bijvoorbeeld een
pretpark of een kerk , maar een boek is er ook één.
Wat ik daar aan goed vind is de rol van de kijker die
actiever wordt bij een boek: je verbeeld je als lezer het verhaal. Bij de
kunstenaars die ik bewonder, vind ik dat ook terug: Louise Bourgois, Rachel
Whiteread, Tracey Enim,.. vooral dames eigenlijk. Hun werk is voor de kijker
ook niet zo vrijblijvend. Ik vind dat interessanter omdat je als toeschouwer
iets beleefd en ook een aanvulling kunt doen op het werk en getriggerd en
geactiveerd wordt.

HVC: Je houdt
er niet van mooie prentjes of beeldjes op een dienblad aan te bieden. Toch trek
je hen aan door de toeschouwer een herkenbaar/figuratief beeld aan te bieden.
Maar door het feit dat je op het tweede zicht ziet dat het beeld niet klopt,
voel je direct de gelaagdheid.


JV: Mijn werk reflecteert daarom op een andere
manier. Ik vind het ook belangrijk dat het een leesbare laag in zich heeft. Als
ik zelf naar een museum ga, betrap ik mezelf vaak op : “Hier kan ik weinig mee.”
Dit omdat het (kunst)werk zodanig abstract en hermetisch in zijn eigen context
zit. Ik vraag me dan af hoe mensen die niks met kunst hebben, daar iets mee
aankunnen.

HVC: Een vrouw
‘uit de kunst’ die haar man en kind verplicht mee te komen, kunnen die werken
ook zelf invullen.


JV: Ik vermoed dat ze er toch iets kunnen mee
aanvangen. Omdat werk een leesbaarheid in zich heeft. Ik zie dat ook bij mijn
grootouders, ze snappen niet alles, maar ze voelen wel dat dat huis niet
eenzijdig positief is in mijn werken. Ze hebben als ze hier komen dan ook niet
het gevoel dat ze zich verloren of idioot voelen. Ze hebben als kijker een
‘houvast’. Al is de grens soms wel dun en is het niet altijd even evident. Ik
probeer daar wel op te letten en niet te hard in de valkuilen te trappen.

HVC: Maar
uiteindelijk maak je wel kunst voor die kunstwereld?


JV: Ik weet het niet, voor een stuk wel natuurlijk.
Al denk ik dat kunst veel meer kan vertellen in andere werelden ook. Ik denk
dat dat activeren wel een belangrijk punt is voor mij. Al kan ik mij ook niet
lostrekken van de kunstwereld. Dat is ook niet interessant. Een boek is ook
niet alleen voor literaire mensen, het is iets voor een breder publiek. Ik denk
dat kunst ook die kracht heeft.

HVC: Uit het
interview met Stijn Maes haalde ik uit je antwoorden dat je ruimtes ziet als
een tweede huid van het ‘zijn’, een spiegel van iemands persoonlijkheid. Je
hebt het verder ook over ‘tussenin-ervaringen’: er is altijd een zeker verlangen
aanwezig, dat soms zelfs omslaat in een zekere melancholie of een poëtische
onbereikbaarheid van het voorgestelde. Zowel in zijn directe verschijningsvorm
als in het feit dat dit een evocatieve constructie is.


JV: Het onbereikbare van het verlangen vind ik iets
poëtisch maar ook gevaarlijk.
Als je een huis bouwt, streef je naar dat ideaal,
naar dat verlangen dat je hebt. Ik heb dit bij het ontstaansproces van mijn
werken ook: ik verlang om het werk te zien. Ik wil zelf die toeschouwer worden.
Zolang het idee van het werk in mijn hoofd en in het schetsboek blijft, kan ik
daar wel veel over filosoferen, maar de filosofie of de impact is toch nog wel
anders.

HVC: Toch vind
ik het jammer dat wij als toeschouwer alleen maar dat fysiek of materieel beeld
zien, en net niet het ontstaansproces. Daarom zie ik graag het werkproces en
zeggen schetsen mij meestal meer dan het mooi clean afgewerkt product.


JV: Ik snap wat je bedoelt, die producten kan je zien
als een soort conclusie, een soort (eind)punt van het onderzoek. Ik heb een
paar schetsboeken – ik noem die kookboeken, omdat daar al de ingrediënten
instaan – met niet enkel relevante dingen, maar elementen die wel essentieel
zijn voor het werkproces. Ik ben ook niet iemand die bezig is met één werk:
alles loopt dooreen. Als ik dan een presentatie doe, presenteer ik dat meestal
strak, waarschijnlijk om een soort rust te krijgen rond dat project. Misschien
ervaar jij dat als koel.

HVC: Ik kende
al wat werk van jou alvorens ik erover las – nu ter voorbereiding – en
ik zag het ook vooral als rationeel werk. Dat is ondermeer een reden waarom ik
graag lees over kunst(enaars), omdat ik soms kunstwerken en kunstenaars (beeldend)
verkeerd lees. Uiteindelijk komt iemand uit zijn eigen wereld een galerie
binnengewandeld en moet die van daaruit direct jouw wereld inwandelen, maar
daarvoor moet je je kunnen en willen openstellen als toeschouwer.


JV: Je bent niet de eerste die dat zegt. Een paar
jaar geleden had ik een stagiaire in de Benedengalerie in Kortrijk – een
galerie die moet blijven voortbestaan, vind ik – die mijn werk al wat kende en
ook vooraf het beeld had dat ik heel mijn expo strak plande. Hoewel ik veel
plan, kan ik evengoed alles overboord gooien à la moment. Ik ben heel
intuïtief, al zie je dat niet altijd in mijn werk.

HVC: Zou het
geen meerwaarde voor jou kunnen zijn je expo’s ‘wat warmer’ te maken?


JV: Ik denk wel dat dat eraan zit te komen. Je
verandert ook als kunstenaar. Tijdens de opening hier in BRUTHAUS, heb ik wel
een stuk van ‘mijn wereld’ geopend. Op de muur hier werd The Birds, een film
van Hitchcock geprojecteerd, omdat het heel dicht bij mijn interesseveld en bij
mijn werk A space of confinement hoort. De editie die hier te koop is, is een
foto van de opbouw daarvan. Dat vult dan wél de zachtere kant van mijn werk in
en het ontbindt de strakheid van bepaalde kunstwerken.

HVC: Daarvoor
is eerlijke feedback ook goed, omdat je eigen werk op een andere manier kan
(her)bekijken.


JV: Daar ben ik de eerlijke feedback gevers ook dankbaar
voor.
Als ik mijn eigen tentoonstelling opbouw, denk je
sowieso ook op een andere manier na over je werk. Ik ken mijn leefwereld, maar
de expo-bezoeker voelt dat ‘doorleefde’ natuurlijk minder. Al hou ik wel van
een bepaalde scenografie als ik mijn werk toon, bijna als een geïdealiseerd
beeld dat ik wil voorschotelen. Ik vind het ook belangrijk dat er een goede
uitlichting is. Ook in dit toonproject hebben we de belichting veranderd – van
typisch Bruthaus cool-white licht
naar warm licht. Ik heb daar een heel duidelijk beeld van. Dat trek ik door tot
bepaalde details: ik heb zelfs het hek buiten wit geschilderd, omdat dat
dichter bij die Hitchcockjaanse Amerikaanse sfeer kwam. Ingrepen die niemand op
het eerste zicht zou storen, maar voor mij moet het ‘juist’ zijn. Het paste ook
beter bij mijn werk The Housetrap, die bij de opening buiten op de binnenkoer
van Bruthaus werd getoond.






HVC: Het werk
‘Front’ maakte je samen met Veerle Michiels. Je hebt er twee architecturale
types in verwerkt: een bunker en een skeletbouw van een huis, maar het begrip
bescherming staat centraal.  Die maquette
heb je gedistilleerd na het lezen van het boek: Bunker archeology van Paul
Virilio. Hoe zijn jullie samen tot dat werk gekomen?



JV: Het is eigenlijk een maf verhaal. Jaren terug
zaten we samen in het eerste jaar 3D. Een paar jaar later komen we elkaar terug
tegen en zagen we elkaars wek. Vanaf het eerste moment dat ik haar werk zag,
besefte ik dat dit heel dicht bij mijn werk aanleunde: zij had een bunker
getekend en ik net een kelder in een bed gelegd. We werden blijkbaar door
dezelfde dingen getriggerd. Na een lang gesprek besloten we samen dat onderzoek
te doen. Los van de geschiedenis en het landschap, hebben we ons concept vorm
gegeven. We willen nu in een echt landschap en met een echte bunker, dat
onderzoek verderzetten. Daarvoor zijn we nu in gesprek met Vrijstraat O voor de
oorlogsherdenking op Raverszijde. Daar zijn we nu twee sporen aan het
onderzoeken.

We gaan even
buiten, waar een deel van zijn werk in de etalage van BRUTHAUS staat.






HVC: We zien
hier foto’s van je performance ‘I’ll be your mirror’, een herwerking uit 2003.



JV: Ik heb dit werk een paar keer anders opgevoerd.
Ik heb gekozen voor dit beeld, omdat ik hier samen werk met Simon, een performer
die het werk volledig snapte. Wat ik heel leuk vind aan deze foto – die ook een
editie is – is het refereert naar René Magritte. Ik hou er wel van die
affiniteiten en knipogen verder te onderzoeken. ‘De Spiegel’ was ook  ‘live’ te zien in de museumnachten in het 

M KHA naast werk van Abramovich en Jan Fabre. Daar werkte dat goed: de persoon
spiegelt onbewust de mensen die op hun beurt betrapt werden op het kijken en
hun blik werd terug gekaatst. Ik vermoed dat de eerste kijkers van Manets’
Olympia een dergelijk gevoel hebben gehad.
Hier in Bruthaus hangt de spiegel iets lager: hij
wordt ook niet gedragen en ik wilde dat het iets minder bedreigend ervaren
wordt. De performance is hier niet actief, het is een artefact.

















HVC: In Watou
konden we dit jaar twee werken van jou aanschouwen:

We zagen er US, een performance waar een kussen twee mensen verbindt, maar ook samen
vastzet. Op den duur lijkt identiteit te vervagen en worden ze één. Het is een
werk dat we kennen uit de Canvascollectie 2008.

 

JV: Ook hier ligt het kussen erbij als een object dat
kan gebruikt worden. Ik hou nogal van dualiteiten: bij US – ook bij de
spiegel – zit een soort sociale spanning/ruimte die niet architecturaal aanwezig
is, maar wel door objecten heel herkenbaar en toegankelijk zijn. Dit werk
wordt wel vaak negatief bekeken, omdat het over verstikking gaat. Het object is
ook het enige dat hen samenbrengt. Al zit er misschien ook een soort romantiek
in. Romantiek is hier het juiste woord, omdat dat niet altijd positief geladen
is. Zeker als je de performance live meemaakt, heb je als toeschouwer direct
het gevoel van: ‘Oei’…

HVC: Heb je
bewust niet gekozen voor een man en een vrouw?


JV: Ja, dat is een 
zeer bewuste keuze: ik wilde niet dat het een seksuele relatie werd. Als
je een man en een vrouw in zo’n proximiteit plaatst, is dat een koppel. Bij
twee mannen ook, terwijl bij vrouwen denk je eerder aan zussen of vriendinnen:
de relatie wordt ruimer benaderd. Dit werk gaat juist over relaties en hun
spanning in het algemeen (ouder/kind, vriendschappen, koppels).

HVC: Een ander
werk in Watou was A house is not a home (Housetraps), drie schaalmodellen
opgesteld als filmsets: je verleidt ons met het idee van de American dream. Het
gevaar: ze dreigen ons te vangen en te omsluiten in ons eigen verlangen.

In de
installaties van Jonas is het huis een vaak terugkerend element, in een vrij
letterlijke expliciete vorm. Het treedt steeds meer op als een symbool, op het eerste
zicht ontdaan van elke menselijke aanwezigheid
‘, las ik.


JV: Bij de Housetraps ben ik vertrokken vanuit een
fascinatie dat mensen zich laten vangen aan bepaald vooropgezette idealen en
daar ook naar verlangen zonder zich de vraag te stellen of het eigenlijk iets
voor hen is. Ik probeer het wat minder abstract te maken, in films
zien we vaak het ideale beeld van een (t)huis: met onrealistisch groen gras, een stralend wit huis,
… mensen verlangen naar dergelijke utopische beelden, sterker nog, we
proberen er ons aan te spiegelen. Het gevaar ligt natuurlijk in het feit dat
dit ideale beeld ons dreigt te vangen in structuren van leningen, en een ander
feit dat een huis niet noodzakelijk een thuis is, enz .

Nu, het werk zelf heeft een look en feel dat
refereert naar filmsets en huizen die we kennen van uit de Hitchcock en Lynch
films: ze worden letterlijk opgezet als een soort val die dicht dreigt te
klappen. Het lijkt allemaal zo onschuldig, maar …


















HVC: Een werk
dat we hier in de exporuimte zien staan, is ‘House of leaves’, waar het boek
van Mark Z. Danielewski centraal staat. Cin Windey schrijft daarover: ‘Elke
verhaallaag wordt ingebed door weer een andere, zoals bij een Chinese doos of
een Russisch matryoshka-poppetje.’ Wat we uiteindelijk te lezen krijgen is:

   een
dagboekverslag over
   een
academisch geschrift over
    een
filmdocumentaire over
   een
raadselachtig huis op een niet nader bepaalde, maar zeer academisch aandoende
plek in Noord-Amerika. Een huis dat, zo blijkt, continu muteert, geluiden
maakt, aan de binnenkant groter blijkt dan aan de buitenkant en zelfs andere
protagonisten opslokt.
Dit werk was
echt wel een huzarenstukje om te maken:


JV: Dit boek bleef in mij hangen, daarom wilde ik het verwerken. Ik heb dat dan ook héél letterlijk gedaan, door het leeg
te snijden. Dit om het boek een nieuwe betekenis te geven. Ik wilde dat boek
echoën in de interpretatie: in hoe ik dat boek ervaar als een soort entiteiten
die in elkaar resoneren. Doordat ik het boek leeg-sneed, waardoor het bijna
een ruïne werd, ontbreekt de essentie van het boek volledig, omdat je het niet
meer kunt lezen. 

In het bouwwerk van het labyrinth – dat volledig bestaat uit
de uitgeknipte zinnen van het boek – ontbreekt elke in- en uitgang: de functie
van het labyrinth is dus verdwenen. Hetzelfde geldt voor het huis dat ik
maakte, dat eigenlijk totaal ontoegankelijk en onleefbaar is geworden.
De drie elementen van dit werk, het boek, het labyrint
en het huis doen zich voor als iets, maar de essentie ontbreekt. Dat vond ik
wel een spannend gegeven van mijn interpretatie. De drie elementen blijven naar
elkaar verwijzen: zo hebben labyrint en huis het zelfde grondvlak en komt in
het boek een Amerikaans huis aan bod waar opeens het huis zich transformeert
als een labyrintische structuur. De vormelijke elementen bijten eigenlijk in
elkaars staart en vormen een gesloten circuit.
Die plexi-glazen kisten rond het werk heb ik trouwens
met mijn eerste maandwedde gekocht na mijn afstuderen.

HVC: Ik denk
dat je werken fragieler zouden zijn zonder die plexi’s.


JV: Het heeft een andere concentratie en dat werkt
hier wel. Je ziet ook die spiegeling in het glas, wat ik een meerwaarde vind in
dit werk.

HVC: Niks is
wat het lijkt in de wereld van Jonas Vansteenkiste (lacht).


JV: Ik hou van gelaagdheden. Nu ook in dit werk
fungeert de plexi enerzijds als bescherming, anderzijds reflecteren de twee
andere onderdelen van het werk hier ook in als een soort echo. Ik kwam op het
idee door Francis Bacon: hij stak zijn schilderijen achter glas, omdat je zo
als toeschouwer in zijn schilderijen betrokken wordt.

HVC: Ook
auteurs als Borges, Perec en Sterne zijn via sluiproutes en dwaalwegen terug te
vinden in je werk, las ik ook in een tekst van Cin Windey.


JV: Vroeger stond ik er niet zo hard bij stil, maar
inderdaad, Cin Windey merkte op dat er literatuurreferenties sluimeren in mijn
werk. Borges is inderdaad belangrijk geworden en ook de filosoof De Botton is zeer
aanwezig in mijn atelier – niet letterlijk natuurlijk. (lacht)






HVC: We zien
hier nog een installatie met grijze plastic in elkaar geklitte weerspiegelende
huizen.



JV: Housemorfings is mijn recentste werk, of eerder
een onderzoek.
Ik ben op een punt in mijn leven gekomen dat ik het
huis ben uitgegaan, samen ben gaan wonen en ik nu op een andere manier omga met
hetzelfde onderwerp. Mijn Housetraps staan heel kritisch tegenover het huis,
maar hier krijg je meer een vergroeiing. Ik heb hier talloze tekeningen van
gemaakt en dit zijn eigenlijk de eerste ruimtelijke werken. Ze gaan wel nog
complexer worden. Ik ben ook met 3D-tekeningen aan het experimenteren om de
vergroeiing nog groter te laten worden.

HVC: Wat is de
onderliggende betekenis van deze installatie?


JV: Voor mij persoonlijk is het het omgaan met een
nieuwe fase in mijn leven. Dit vertaalt zich ook in een soort vormelijke vraag:
wat als twee huizen samenkomen, hoe gaan die met elkaar om? Het zijn bijna
echo’s van elkaar.
Hier zie en voel je een zekere spanning: ze willen
samenkomen, maar ze zitten in een stadium dat ze nog niet samen kunnen komen.
Ze blijven – zoals het kussen – nog twee verschillende identiteiten die toch op
een bepaalde manier één nieuw geheel vormen. Ik ben nu op zoek naar iets
spannenders en iets meer getorseerd, misschien is ‘vergroeien’ nog juister
uitgedrukt.   

Ze worden getoond op
speciaal voor deze werken geconcipieerde sokkels in metaal, waardoor ze de
juiste monumentaliteit krijgen. Elke sokkel heeft ook zijn eigen licht in de
vorm van een bureaulamp, die de sculptuur zowel lijkt te onderzoeken als in het
juiste licht plaatst.

Ik ben er eigenlijk weg van, het is een werk dat
compleet autonoom een mini expo vormt met het juiste licht.

Er zijn momenteel drie typologieën en ze worden getoond
bij Bruthaus in een soort relatie, een spanningsveld waar je tussen kan
wandelen.






HVC: Vroeger
zag je je tekeningen als schetsen, nu meer en meer als autonome werken.



JV: Vroeger beschouwde ik die tekeningen niet als
autonoom werk buiten mijn atelier, omdat die heel dicht bij mij lagen en
misschien een beetje té eerlijk. Pas sinds dit jaar voel ik me meer klaar om
die aan de buitenwereld te tonen als autonoom werk. Ik durf nu ook de/mijn binnenkant
te tonen. Mijn ruimtelijke werken stralen kracht uit, maar die tekeningen tonen
meer nuances en fragiliteit.

HVC: Op je
verlanglijstje staat: een boek schrijven …


JV: Ik zou graag een kunstenaarsboek maken. Ik ben
een grote boekenverslaafde en ik ben ook zot van pretparken. Een boek en een
pretpark hebben één ding gemeen: het zijn scripted
spaces
: versleutelde ruimtes die de kijker of lezer van punt A naar punt B
tot de uitgang meeneemt in een soort droom of verhaal. Dit op een subtiele of
minder subtiele wijze. De beste boeken zijn degene die je op andere manieren
kan benaderen. Zowel qua beeld of tekst kan het een ander verhaal of een ander
facet gaan vertellen. Ik doe het al wat bij mijn portfolio: eerst was het een
chronologisch ding, nu is het een soort bouwplan. Het is geen illustratie, maar
meer een entiteit op zich die klopt in heel het verhaal. 

HVC: Een droom
van jou is: ingrepen doen in de openbare ruimte of een blijvend element in een
openbaar gebouw aanbrengen. Je verlangt ernaar dat je werken een soort thuis
vinden waar ze zichzelf mogen zijn.


JV: Zo’n grote housetrap kan perfect in een openbare
ruimte functioneren en andere verhalen cumuleren. Het lijkt me wel spannend om dat
los te laten en als je terugkeert, is daar iets mee gebeurd. Als je naar het
werk House van Rachel Whiteread kijkt, denk je dat er daar vanalles mee kan
gebeuren, maar eigenlijk gingen de mensen daar redelijk respectvol mee om. Ik
vind het wel spannend dat je niet weet wat er kan of mag gebeuren. Op dat
moment laat je je werk los en genereert het eigen verhalen.

HVC: Waarom
wilde je een hommage aan kunstenaar Luc Peire (1916 – 1994) brengen?


JV: De term ‘immersie’ is hierin de sleutel. Ik kreeg
in 2009 de vraag van curator Christophe Dejaegere en Kathleen Daly van Seas
ruimte in Scharpoord te Knokke, om een nieuw werk te maken.
De expo die er ging doorgaan ging over Knokke en
architectuur met o.a. werk van Nick Ervinck. Nu, tijdens het schrijven van mijn
thesis was ik het werk Environment 1 (collectie van SMAK) van Luc Peire al
tegen gekomen. Christophe en ik zijn toen samen naar de foundation gegaan, een aanrader
voor iedereen trouwens!
Het gebouw is prachtig qua licht en ruimte, de
conservator toonde me alle werken en de leefruimte van Peire. Ik wist dat ik
er iets mee moest doen; het raakte me enorm.
Het enige wat me opviel is dat hoewel Peire het had
over ‘mens en ruimte’, dit voor mij niet volledig overkwam in zijn schilderijen.
Wij als toeschouwer zijn geen onderdeel van het werk, wat wel gebeurde bij
Environment 1. Het andere wat me opviel was dat de ruimtes van Peire de taal
hebben van zijn werk. Maar wat was er eerst? Zijn werk of de omgeving die ik nu
zag?

Ik besloot om de site van de foundation tot een grijze
zwarte sculptuur te vertalen. Een sculptuur waar muren hier en daar ontrafelen. Door middel van licht dat uit de sculptuur kwam, veroorzaakten de
uitsparingen een schaduw en licht schilderij dat refereerde aan het werk van
Peire. Maar in deze ode heeft de
toeschouwer wel een rol als ze de sculptuur benaderen. Als ze de lichtstralen
onderbreken, worden hun schaduwen ondergedompeld in de abstracte werken van Peire.
Zo stappen ze ook een beetje in zijn wereld.

HVC: Nele Buys
schrijft iets moois naar aanleiding van een werk van je (Métier à tisser):
“Vansteenkiste zou een architect kunnen zijn. Maar als architectuur proza is,
dan is Jonas liever een dichter.”


JV: Ik denk dat Nele Buys daar een kern-element
aanhaalt. Voor veel mensen komt mijn werk architecturaal, soms strak over, maar
als je in mijn installaties staat, gaat het niet zo zeer over de vormelijkheid
van het werk zelf, maar eerder over de ervaring die deze kan veroorzaken.
Een zeer goed voorbeeld is A space of confinement. Dit
werk is niet te vatten in foto’s, het moet beleefd worden. De sfeer, het geluid,
de huid van het werk én de ervaring van de bezoeker maakt het werk. De vorm van
het huis is wel de aanleiding; het aanknooppunt en de toegang als het ware. De
vergelijking tussen proza en architectuur vind ik zeer sprekend en inderdaad,
ik ben dan liever een dichter en geen architect maar een kunstenaar. (knipoogt)






HVC: Nog
enkele afsluitertjes:

Wat is (goede)
kunst voor jou?


JV: Ik ben daar nogal klassiek in: goede kunst moet
me in de eerste plaats emotioneel raken.
Ik weet nog goed de eerste keer dat ik voor een
trappensculptuur stond van Rachel Whiteread in de Biënnale van Venetië: ik was
overdonderd, ik had er letterlijk geen worden voor. Het was vreemd genoeg een
zeer fysieke emotie. Ik had een confrontatie met iets die ik op een of andere
manier herkende zonder dat ik het snapte.
Een dergelijk gevoel had ik met het werk Time code matter van Christoph De Boeck.
Ik denk dat
goeie kunst naast die eerste ervaring ook nog lagen in zich heeft die
rationeler zijn, maar soit, om kort te zijn: goeie kunst vertrekt volgens mij
vanuit een emotie die vertaald is naar een vorm die aanspreekt.

HVC: Hoe sta
je in de kunstwereld? In welke positie bevind je je? (als we dat vergelijken
met Belgische voetbalploegen)


JV: Da’s geen evidente vraag, ook al omdat ik niet
veel weet over voetbal (lacht)
Geen idee eigenlijk. Ik denk dat ik vooral
bezig ben om een coherent oeuvre uit te bouwen en dat het aan anderen is om mij
in de kunstwereld te plaatsen. Maar gezien mijn leeftijd zou ik voorzichtig
zeggen: een middenklasser (knipoogt).

HVC: Wat is je
drijfveer elke dag opnieuw?


JV: Goh, ik denk dat dat moeilijk te benoemen is. Het
zal een cocktail zijn van passie, ambitie, ontmoeting en verrassing.

HVC: Van welk
soort/wiens carrière droom je?


JV: Ik ben een
onderzoeker/maker, dus een carrière waar interessante uitdagingen op me afkomen,
lijkt me wel wat. Bijvoorbeeld: een residentie waar je nieuwe impulsen krijgt
en op reageert met vraagstellingen zoals bijvoorbeeld: ‘Hoe zie je een stad?’ Of iets
met goede samenwerkingen …
Momenteel droom ik zeer hard van een eigen atelier
dat groot genoeg is.
Ik fantaseer ook wel eens om mijn werk te zien in een
museum tussen het werk van mijn idolen.
Maar ik droom vooral dat ik een carrière heb waar ik
veel kan maken en tonen en waar mensen 
betekenisvolle ervaringen mee hebben.


Hilde Van Canneyt, copyright 2013, met dank aan
croxhapox

Foto’s:
Bruthaus

Toonproject ‘Form Follows Fiction’ – installaties – tekeningen –
performance
van 5/10 tot 1/12
-2013 bij off-space BRUTHAUS-Waregem

Jonas Vansteenkiste stelt tentoon:
         
Form
follows fiction,Bruthaus Waregem tot 1Dec
         
Zout (pop-up expo), Mu.Zee Romestraat 11
Oostende,  22 tot 25 November
         
To
be or to have presents, Sea Foundation Tivolistraat 22 Tilburg, 22 November tot
25 Januari
         
B.art, (beurs), Flanders expo Adolphe pégoudlaan
Gent, 29 November Previeuw,
30
November tot 3 December
         
Spiegelbeelden, MADO Sint amandslaan 26
Kortrijk, 30 November tot  08 December
         
Februari, Croxhapox Gent

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.