Categorieën
Interview Uncategorised

interview met Sofie Muller


Interview met Sofie
Muller (1974), Gent, mei 2012.






Hilde Van Canneyt: Hallo Sofie, net als mijn vader, is ook jouw
vader antiekhandelaar en ben je opgegroeid tussen antiquiteiten en klassieke
kunst.
Op je vijftiende trok je naar het kunstsecondair in Sint-Lucas te
Gent.
Zou je achteraf gezien nog altijd die keuze maken om
kunstonderwijs te volgen? Want kunstenaar Koen van den Broek zegt in een
interview met mij, dat hij tegen het kunstsecondair onderwijs is, omdat hij
vindt dat je pas op je twintigste kan beslissen voor kunst te kiezen. Ook omdat
er daar veel mensen toestromen die niet weten wat kiezen. Maar jij voelde dat
dit jouw richting was?

Sofie Muller: Je moet
ook weten dat het voor mij heel vertrouwd was om met kunst bezig te zijn. Ik
kom uit een familie waar ik constant in aanraking kwam met kwaliteitskunst. Ik ging ook altijd mee met mijn vader op pad om aankopen te
doen, dus kunst is gewoon vergroeid met mijn leven. Het is me met de
paplepel meegegeven. Zowel voor mezelf als voor mijn ouders was het duidelijk
dat ik ofwel verpleging ofwel kunstonderwijs ging volgen. Kunstonderwijs dan, maar
wel met het idee om daarna restauratie te gaan volgen. 
Het is zeker niet
altijd evident geweest tijdens mijn academiejaren: de normen die ik
meekreeg vanuit mijn thuissituatie verschilden compleet met de kwaliteitsnormen
en tendensen binnen een kunstopleiding en de kunstwereld van vandaag. En dit
zorgde natuurlijk wel voor een enorme dualiteit. Soms had ik het gevoel dat
mijn achtergrond als antiquairsdochter me enorm in de weg stond. Nu kan ik
alleen maar zeggen dat het een zegen geweest is zo’n opvoeding te hebben gehad.
Ikzelf heb ook heel veel aan mijn opleiding in het kunstonderwijs gehad
en heb daar vooral positieve herinneringen aan. Zeker de jaren aan de Antwerpse
Academie behoren tot de interessantste en fijnste jaren van mijn leven.

HVC: Liggen je beelden in het verlengde van wat je toen
schilderde?

SM: In de jaren
’92-’95′ was ik helemaal in de ban van Marlene Dumas. De eerste werken die ik
van haar in Tilburg zag, gaven me echt een ‘Waw-gevoel’. Ik was niet iemand die goed om kon met materie – in de academie was het toen de
tendens om met heel veel verf pasteus te gaan werken – terwijl ik net heel weinig
verf gebruikte. Het was een openbaring te zien dat Marlene – die ook
weinig verf gebruikte – daar enorm sterk mee omging. In die tijd maakte ik dus
werk in de trant van Marlene Dumas.  Ik schilderde kinderportretten en was ook al bezig met de weergave van verinnerlijking, het proberen blootleggen
van de ziel.

HVC: Met welk project ben je toen afgestudeerd?

SM: Met een hele
reeks kinderportretten, waar je ook al de volwassenheid in zag. Soms kan je de
volwassenheid al aflezen op het gezicht van een kind. Bij sommige kinderen kun
je je al perfect voorstellen hoe ze zullen uitgroeien tot volwassene.

HVC: Ben je van plan die schilderijen ooit aan de wereld te tonen?

SM: Voor mij is dat
jeugdwerk. Al heb ik die schilderijen nog en heb ik er ergens nog voeling mee, ik heb niet direct de behoefte om ze te tonen.



 


HVC: Je laatste expo bij Geukens en De Vil ‘The rest is silence’ die tot maart ’12 liep, ging ook over je
periode tussen 12 en 18 jaar. Je toont er Clarysse, een meisje met de handen in
haar denkbeeldige haar.  Kun je
hier iets meer over vertellen?

SM: Clarysse is het
slachtoffer geworden van een black-out, een tijdelijke geheugenstop,
veroorzaakt door faalangst, iets waar heel wat kinderen last van hebben. Tevens
verwijst Clarysse ook naar het ‘vreemde meisje’ in het boek ‘Fahrenheit 451’
van Ray Bradbury. Een meisje dat als abnormaal gezien wordt omdat ze op een
heel andere manier aandacht heeft voor de wereld rondom haar.

HVC: Was voor jou het creatief bezig zijn ‘met je handen’ en
papier en verf, een middel om alles beter te kunnen plaatsen?

SM: De eerste dag dat
ik de kunsthumaniora binnenkwam wist ik: “Dit is mijn weg. Hiermee wil ik de
rest van mijn leven bezig zijn.”
Ik ben altijd al een
Einzelgänger geweest, dus stond ik meestal los van de rest van de klas. Ik ben
er niet mee begonnen ‘om kunstenaar te worden’, wel uit een soort ‘drang’. En
die drang heb ik nog steeds.

HVC: Aan 22 jaar ben je beginnen lesgeven in het DKO van Sint
Lucas te Gent. Heb je een lerarenopleiding gevolgd omdat je besefte dat het als
kunstenaar niet altijd evident is je brood te verdienen?

SM: Natuurlijk!
Persoonlijk kende ik ook geen voorbeelden van mensen die van hun kunst konden
leven.

HVC: Hoe komt het toch dat er zo’n groot verschil in manier van
lesgeven en opleiding is tussen het DKO en het dagonderwijs?

SM: De eindtermen van
een DKO liggen compleet anders dan die van een dagschool. Waar in een DKO
dikwijls iets meer aandacht wordt besteed aan het ambachtelijke van
verschillende metiers, volgen dagscholen zogezegd meer de tendensen van de
hedendaagse kunstwereld. Volgens mij wordt er op verschillende dagscholen
momenteel te weinig aandacht besteed aan atelierwerk en een basispakket
techniek. Communicatie, sociale vaardigheden en een theoretisch discours lijken
momenteel veel belangrijker dan het individuele onderzoek in het atelier.


Een zeer groot
probleem in het kunstonderwijs over het algemeen zijn ook uitgebluste
leerkrachten. Vaste benoemingen in het kunstonderwijs zijn echt nefast.
Sommige leerkrachten slagen erin om zonder inspanning toch een leven
lang te slijten op een kunstschool. Gelukkig maken enkele andere leerkrachten
het verschil.
Enthousiasme en
gedrevenheid zijn absoluut noodzakelijk voor een kwaliteitsonderwijs.
Daarom raad ik ook
alle studenten aan eerst verschillende academies in België te gaan bezoeken,
alvorens een keuze te maken, zodat zij precies weten wat voor onderwijs ze
kunnen verwachten.



 

HVC: In die jaren heb je ook je man leren kennen – het is nog
altijd grote liefde – en is er ook een kindje Anna bijgekomen. Zij heeft ook
invloed op je werk gehad, want je hebt een paar werken gemaakt met haar in de
hoofdrol, onder andere het werk Anna. Eerst was je wat bang dat een kind het
kunstenaarschap ging in de weg staan, maar het omgekeerde bleek waar.


SM: Tijdens mijn
zwanger- en ouderschapsverlof ben ik naast het moederschap ook zeer
intensief bezig geweest met mijn werk. Ik had toen ook mijn tweede solo-expo
‘Morphs’ in Gent, en kort daarna een solo in Antwerpen. Vanaf toen is de bal
echt beginnen rollen en heb ik de keuze voor het voltijds kunstenaarschap
gemaakt. 
Je moet rekenen, ik
gaf les in het avondonderwijs en met een dochter erbij was dat toch niet zo evident.

HVC: De eerste expo in de De Buck galerie was ‘SeXes’. Wat was
voor jou het verschil met deze en de eropvolgende expo ‘Morphs’.

SM: Ze zijn allebei
gegroeid vanuit eenzelfde thematiek: de vraagstelling over de evolutie van de
mens . Op dat moment werden we overspoeld met artikels over de veranderingen in
het milieu. Het ging ook over de vervaging tussen mannelijkheid en
vrouwelijkheid en de gigantische veranderingen door het oestrogeen: genetische
manipulatie, plastische chirurgie, …






HVC: Eén van je pronkstukjes tijdens ‘Morphs’ was ‘Shemale’.

SM: Dat beeld heeft
voor veel commotie gezorgd. Je zou kunnen zeggen dat het een kleine
hermafrodiet is. Al hoef je het niet zo drastisch te zien, het kan ook een
jongetje zijn dat zich als meisje heeft verkleed. Hier ook weer die
vraagstelling over die verandering van sekses. In die tijd was ik goed bevriend met een assistent plastisch chirurg gespecialiseerd in ‘het transformeren
van de sexen’ en dit heeft me natuurlijk geïnspireerd.






HVC: Van bij De Buck galerie in Gent ben je dan in alle
vriendschap overgestapt naar Geukens en de Vil in Antwerpen. Je eerste expo
heette er ‘Be divided’. Een van je pronkstukken daar was ‘The Closet’, een
“tepelfontein” waaruit bloed kwam.

SM: Het was een
bloedspuwende fontein  waarvan de
tegels bezaaid waren met tepels, een soort parasieten die de kleine ruimte
innamen. Hier was mijn inspiratiebron de veranderingen in de fauna en flora,
oestrogeen dat alles inneemt. Ook de bidet is een onduidelijk meubelstuk
waarvan bijna niemand de functie nog van kent. Binnen ’the closet’ spuwt dit
ambigue ding bloed.

HVC: Sinds vier jaar ben je een vrije vogel en ben je zelfstandig
kunstenares.

SM: De eerste jaren
waren zeker niet gemakkelijk. De stappen die ik de laatste jaren gezet heb in
mijn oeuvre zijn veel groter dan in de periode dat ik mijn kunstenaarschap
combineerde met het lesgeven. Ik hoop dus dat ik het op deze manier kan blijven
verder doen.






HVC: Een volgende expo bij Geukens en De Vil was ‘Ubermenschen’ en
je laatste expo was ‘The rest is silence’. Hieruit zijn nog een aantal
sleutelwerken ontstaan, zoals ‘Alice’ – met afgeplat voorhoofd – die gemaakt is
om in de hoek te staan. Welke filosofie zat er achter die beelden?

SM: Bij al die
tentoonstellingen ontstonden de sculpturen los van elkaar.  Ze zijn altijd gelinkt aan een bepaald
persoon uit mijn omgeving die in mijn gedachten speelt. Het zijn zeker geen
realistisch juiste portretten, maar eerder mentaal psychische portretten.  Toch is er een soort van
gemeenschappelijk gevoel tussen de beelden onderling waardoor ze als een
eenheid kunnen gezien worden.

HVC: Toch hebben de beelden nooit contact met elkaar…

SM: Mijn allereerste
idee voor mijn expo ‘The rest is silence’ was al de figuren in een klasje te
zetten, in confrontatie met elkaar, maar al gauw ben ik hiervan afgestapt.
Ik moest mijn
sculpturen uiteen trekken en van elkaar isoleren. Ze staan ook zodanig op zich,
dat ze de ruimte en de plaats rondom hen echt nodig hebben.






HVC: Op je huidige expo in Genk toon je ondermeer Brandt,
Clarysse, Oscar en Jonas… Jonas hangt daar ergens te hangen aan zijn jas. Brandt sleept zich met zijn hoofd tegen de muur. Clarysse zit op die bankjes en
Oscar is het verbrande jongetje met de houten romp. Al eerder toonde je enkele
van deze beelden in Antwerpen en maakte je werk veel los bij de bezoekers.

SM: Absoluut. Het is
ongelooflijk hoeveel mails ik ontvangen heb en welke persoonlijke verhalen ik
gekregen heb. Toen ik met mijn werk bezig was, had ik totaal geen idee dat het
zoveel impact zou hebben.  Deze
feedback geeft me dat als kunstenaar wel extra energie.






HVC: Je vertrekt altijd vanuit sculpturen, gemaakt in jouw
atelier. Dat is natuurlijk een andere ruimte dan de
tentoonstellingsruimte.  In hoever
is de ruimte bepalend?

SM: Zeer bepalend
natuurlijk! Je kent de ruimte wel ongeveer waar je zult tentoonstellen, maar
het blijft altijd spannend: “Hoe gaat het hier werken?” Ik maak soms een kleine
maquette om te zien hoe een werk in de ruimte gaat werken.






HVC: De ruimte rond een kunstwerk is bij wijze van spreken soms
even belangrijk dan het kunstwerk zelf.

SM: Inderdaad. De
ruimte is essentieel voor de beleving van een beeld.
Daarnaast kan je ook
voor een beeld verschillende presentatievormen kiezen. Jesse bijvoorbeeld heb ik in de openbare
ruimte gepresenteerd met een rood bloemenspoor, in het kasteel van Rekem met
een bloedspoor en in de galerie op een catwalk. Ook Alice heb ik zowel in
een hoek,  als  in het midden van een ruimte, als in een glazen hoek
geplaatst.
Ik heb graag die
interactie en speel daar ook graag mee. Door de plaatsing kan ook de betekenis
helemaal veranderen, wat het telkens weer interessant maakt: het zijn als het
ware nieuwe ingrepen in een installatie.

HVC: Nu we hier toch onder vrouwen zijn: laat het ons even hebben
over de verschrikkelijke term ‘vrouwenkunst’.

SM: Inderdaad! Een
heel seksistische term!






HVC: Ik vraag je dit omdat je voor een expo in New York ‘Eve’
gemaakt hebt: het meisje die met cirkeltjes bloed tekent. Die expo ging over
vrouwen in oorlogssituaties .

SM:  De titel van de expo was UN-SCR 1325 en
verwees naar de desbetreffende goedgekeurde resolutie van de
VN-veiligheidsraad. Met deze resolutie en deze tentoonstelling kwam er extra
aandacht voor het lot van vrouwen als slachtoffers van conflicten tijdens en na
oorlogssituaties en hun rol als vredestichtsters. Aan mij en de zeven andere
kunstenaressen werd gevraagd om ons te bezinnen over de rol van vrouwen in
oorlogsgebieden en om hier een werk rond te maken. Mijn bijdrage was ‘Eve’, een
meisje die zich letterlijk leeg schrijft.
In België kan je het
niet meer maken om als vrouw te beweren dat je vandaag de dag geen kansen
krijgt. Wij zitten hier in een gezegende positie, wat niet kan gezegd worden
van vrouwen in ontwikkelingslanden. Als vrouwelijke kunstenaars kunnen wij door
tentoonstellingen of  initiatieven als UN-SCR-1325 de aandacht
vestigen op deze problematiek.

HVC: In welke zin steunt je nuchtere man jou? Hijzelf is grafisch
vormgever en striptekenaar. 

SM: Peter bekijkt
alles veel nuchterder en een stuk rationeler dan ik dat doe. En hij kan
beter relativeren.
Zijn feedback op mijn
werk kan soms zeer verhelderend zijn, maar als kunstenaar  moet je toch je zin doordrijven, hé.

HVC: Denk je dat het in de stripwereld moeilijker is om het waar
te maken dan in de beeldende kunst?

SM: Het is toch wel
een heel andere branche. Ik denk dat het daar nog een stuk moeilijker is. Het vraagt een enorme dosis werk en energie om zo’n album te voltooien. Striptekenen is
nog steeds ondergewaardeerd. Uiteindelijk zijn het tekenaars die verhalen
schrijven.

HVC: Zoals een tekenaar van een wit blad vertrekt of een fotograaf
op pad gaat, vertrek jij nog altijd van een homp klei die je volgens de
traditionele methode verwerkt. Daarvoor vertrek je van zelfgemaakte foto’s.

SM: Ik begin meestal
vanuit een vaag idee, van enkele notities of iets dat ik geschetst heb. Ik laat
die ideeën weken en maanden rijpen tot ik er helemaal van overtuigd ben dat ik
het moet maken en dan vlieg ik erin.
Al sta ik bij het
beginpunt altijd enorm onder spanning. Ik vertrek bijna nooit van levend
model. Alleen soms op het einde om bepaalde details van anatomie beter te zien.
Het is wel zo dat tijdens dat creatieproces het beeld nog alle kanten kan
uitgaan. Het gebeurt zelden dat een beeld eindigt volgens mijn eerste gedachte. Mijn
werkproces verloopt eigenlijk zeer organisch en intuïtief: het kan alle kanten op.
De momenten van het
boetseren zijn hele rustgevende – bijna meditatieve – momenten. Je gaat
volledig op in dat werk. Ik vind dat meestal een heel aangename periode.

HVC: Erna komt er soms een bronsgieter aan te pas…
allemaal niet evident, vermoed ik.

SM: Er komt inderdaad
een hele hoop werk bij: ik heb een mouleur, bronsgieter, patineur,  allemaal mensen waar ik mee samenwerk. Al die
verschillende stappen moet je natuurlijk van heel dichtbij opvolgen. Mijn
frustratie is dan ook dat ik te veel bezig ben met
‘niet-atelierwerk’: administratie, management, leveringen, enz.

HVC: Die administratieve rompslomp is inderdaad niet te
onderschatten. Zelf heb ik er een grondige hekel aan. Dat hebben sommige mensen die met me samenwerken al gemerkt…
Je doet ook soms mee aan wedstrijden  en openbare opdrachten.

SM: Bij die
opdrachten heb je een voorstudie nodig, een visietekst, een inkadering, een
presentatie,…  Meestal slorpt dit
heel wat tijd op.
Ik vind die
opdrachten in de publieke ruimten wel een zeer interessante weg, omdat je
vanuit een heel ander perspectief moet gaat kijken: je moet met de ruimte en
omgeving rekening houden, alsook met de doelgroep “welke mensen wonen er?”, met het budget, enz… en
het moet natuurlijk een plaats kunnen krijgen binnen je eigen oeuvre.









HVC: Zo heb je voor de publieke ruimte in Laarne ook ‘Leap of
faith’ gemaakt. Je inspiratie haalde je uit het hinkelspel. Iets wat iedereen
al van kleins af kent. Iedereen kon daarvan al een voorsmaakje proeven in het
Caermersklooster te Gent.

SM: De moeilijkheid
van deze opdracht was dat ik niet wist waar het precies zou terecht komen. Deze
opdracht was verbonden aan een wedstrijd van radio 2 en de provincie
Oost-Vlaanderen.
Verschillende
gemeenten moesten het tegen elkaar opnemen door allerlei opdrachten uit te
voeren. Uiteindelijk heeft Laarne gewonnen.
Leap of Faith  is een sculptuur van een hinkelend meisje op een driedimensioneel granieten
hinkelspel. Met dit werk wou ik de speelruimte van het kind vandaag in vraag stellen.
Niet alleen is die ruimte op straat vandaag de dag enorm
afgenomen, maar ook de angst om kinderen buiten te laten spelen is enorm
toegenomen.
Opvallend is ook dat
een hinkelspel zeer gelijkaardig is aan het grondplan van een kerk of kathedraal.
Zo kunnen we ook de weg naar het altaar vergelijken met de sprongen in het
hinkelspel of met de stappen op de maatschappelijke ladder.

HVC: Waar komt die inspiratie meestal vandaan? Of is inspiratie
een fout woord? Zie je het meer als een ‘broeden’ op dingen?

SM: Op dat hinkelspel
was ik bijvoorbeeld al lang op aan het broeden. Het verschil tussen mijn eerste
en mijn tweede maquette was zeer groot. Ik had hier de luxe om er meer dan een jaar in te investeren. Aan de hand van tekeningen heb ik het ook volledig
kunnen uitdiepen.

HVC: Is dat atelier de plaats waar je het ‘gelukkigst’ bent? Want je
zou ook kunnen zeggen: “Ik maak mijn werk, laat alles los en “je m’en fous””.
Kunstenaar Thierry Decordier maakt zijn werken, geeft ze af in de galerie en is
weer weg – bij wijze van spreken. 

SM: Ah ja? Is dat zo? Dit is een utopie,
vrees ik.
Maar het is waar …
als kunstenaar heb je echt wel die periodes van bezinning en eenzaamheid nodig.

HVC: Wat geeft je uiteindelijk de grootste ‘kick’?

SM: Als het werk af
is en het definitief zijn plaats krijgt, denk je echt van: “Wow, dit werkt …”
Dat geeft een kick. 
De positieve feedback
erna is dan nog eens een extra kers op de taart.







HVC: In België hebben we deze zomer enorm veel ‘kunstevents’: “’TRACK’
en ‘Sint-Jan’ in Gent, Beaufort aan de kust, Watou, Manifesta in Genk. Jij
hebt nu in Genk een paralllelproject van Manifesta in de C-mine. Je zal er naast
ouder werk ook nieuw werk tonen, namelijk twee werken in situ.
Zo zal je de Heilige Barbara terug haar plaats geven op de mijnsite. Vertel eens?

SM: Wat me direct
opviel in C-mine was een lege nis aan de buitenkant van het gebouw. Er heeft
naar het schijnt ooit een Heilige Barbara gestaan , maar ook dat is onzeker, er
zijn geen bewijzen van.
Mijn idee was dus om
Barbara terug te plaatsen. Ik ben op zoek gegaan naar een Heilige Barbara uit
ongeveer dezelfde periode van de mijnen en wou haar deels verbranden. De
Heilige Barbara – patrones van de mijnwerkers en de brandweer en beschermster
tegen brand –  wordt hierdoor zelf
het slachtoffer van brand. Zij wordt als het ware een icoon van het
mijnverleden.










HVC: Voor het eerst heb je ook een film gemaakt (met Dries
Delputte). Vanwaar de behoefte een film te maken?

SM: Het idee van de
film was er niet onmiddellijk. 
Eerst dacht ik gewoon de verbranding van het beeld op film te zetten als
herinnering. Maar uiteindelijk groeide het plan om hiervan ook een werk te
maken. Mijn idee van een vlam uit de hemel en holistische projecties werd
duidelijker en gelukkig heb ik me voor de film laten begeleiden door
professionelen. 
Ik wist niet dat er
zoveel werk kwam kijken bij het maken van een film: setting, belichting,
geluid, … dat had ik onderschat!
Ik heb ontzettend
veel bijgeleerd de laatste maanden en ben Dries Delputte en Bart Stolle
(sound) enorm dankbaar voor hun medewerking.







HVC: Ook je bekende smoke-drawings krijgen een plaats in de
expositie
Vertel eens iets meer van je smoke-drawings. Hoe zijn ze gemaakt?

SM: Mijn
smoke-drawings worden getoond in de laatste ruimte, samen met een grote
afbeelding van een Barbaratekening 
op de glaspartij.
Sinds 2009 ben
ik bezig met dit experiment. De tekeningen bestaan uit niets meer dan rook en
was op papier. ’t Is een techniek die ik me na maanden experimenteren eigen heb
gemaakt.
Iedere tekening
bestaat uit verschillende rooklagen, telkens gefixeerd. Soms brand ik ook was
op het papier waardoor er weer witte leemtes ontstaan.
Ik moet ook toegeven
dat heel wat papier letterlijk in rook opgaat. ’t Is een zeer
papierverkwistende techniek.

HVC: Hoe kijk jij als kunstenares die bezig is met een klassiek
medium en redelijk klassiek werkt, naar de hedendaagse kunstwereld? Ik las dat
je in het buitenland altijd eerst de klassieke musea aandoet en dan pas naar de
musea voor hedendaagse kunst gaat.

SM: Meestal doe ik in
de voormiddag een museum voor oude kunst en in de namiddag één van hedendaagse
kunst. Musea voor hedendaagse kunst zijn meestal een stuk opener en lichter.
Het vraagt meer
inspanning om een museum van oude kunst te doorlopen dan een museum van hedendaagse
kunst. Meestal hangt er ook zoveel werk, waardoor je echt moet gaan selecteren
welk werk je onder de loep neemt, en aan welk werk je voorbij loopt.
Tussen mijn
favorieten in de oude kunst en mijn favorieten in de hedendaagse kunst is er
niet zo’n heel groot verschil.
Maar jawel, er is
heel wat hedendaagse kunst die ik moeilijk kan lezen, die me te koud en te
theoretisch is.
Over vijftig jaar
wordt er toch gefilterd welke werken goed zijn en welke niet. Ik ben ervan
overtuigd dat er veel van dat te theoretisch gedoe de tijd niet zal overleven.

HVC: Moet je veel tegen vooroordelen boksen omdat je zo klassiek
en figuratief werkt? De meeste ‘hippe’ beeldhouwers van nu zijn meer bezig met
installatiekunst.

SM: Het was niet
altijd even gemakkelijk, zeker niet in mijn Sint-Lucasperiode. We leven hier in
België nog altijd in een postmodernistisch tijdperk. Af en toe zit daar dan nog een enkeling tussen die nog met figuratie bezig.
Ik voel me inderdaad
een Einzelgänger die eigenlijk totaal niet thuishoort in de tendentieuze
kunstwereld van vandaag.

HVC: In de schilderkunst wordt de klassieke en figuratieve toets
net wel enorm geapprecieerd, denken we maar aan Michaël Borremans’
schilderijen.

SM: Inderdaad! Maar
ooit is Borremans ook zo’n Einzelgänger geweest. En kijk waar hij nu staat!
Eerlijk gezegd Hilde,
mag ik momenteel ook niet klagen over de kansen en de appreciatie die ik
vandaag krijg. Ik voel me meer en meer gesteund in mijn keuzes.

HVC: Hoe sta je voor je eigen werk tegenover je succes in het
buitenland? Hoe belangrijk is een carrière in het buitenland?

SM: Hoe verder je
succes als kunstenaar reikt, hoe meer voldoening dat natuurlijk geeft .
Maar het mag je vrijheid  als kunstenaar niet gaan belemmeren.
Uitbreiden???. Nu doe
ik bijna alles op mijn eentje: boetseren, tekenen, dossiers schrijven,
boekhouding, mailings, opvolging van mijn bronzen, opstelling
tentoonstellingen, enz … voorlopig heb ik dit nog allemaal onder
controle.
En gelukkig neemt de
galerie ook heel wat taken op zich zoals opvolging, feedback, verkoop, enz…
Maar iemand in dienst
nemen? Dat vraagt natuurlijk weer extra opvolging, … ik weet niet of ik dit wel kan
en of ik dit ook wel wil.
Ik zal één van die
kunstenaars zijn met een beperkt oeuvre, waarvan het meeste nog door mijn eigen
handen gemaakt is.
Het idee te moeten
gaan werken met verschillende assistenten doet me huiveren.
Ik blijf graag mijn
eigen baas in mijn eigen biotoop/atelier, waar niemand komt, buiten een paar
goeie vrienden.

HVC: Langs de ene kant wil je groeien en je ‘naam’ uitbreiden,
maar langs de andere kant hoeft het niet ‘grootser’ voor jou.

SM: Ik ga in de
toekomst waarschijnlijk niet méér werk maken dan wat ik nu doe. Onbewust wil ik
het misschien beperkt houden en in eigen hand  houden. Ik denk dat je
anders een stuk van jezelf verliest en dat er veel verloren gaat door het te
groots te zien. Ik weet niet of dat de kwaliteit van je werk ten goede komt. De
kunstenaars die ik zelf enorm waardeer, hebben meestal maar een beperkt oeuvre.

HVC: Je hebt gelukkig onderdak gevonden te hebben in galeries:
eerst bij De Buck in Gent en nu bij Geukens en De Vil in Antwerpen. Denk je dat
je het als kunstenaar tegenwoordig nog redt zonder galerie?

SM: Als kunstenaar is
het toch wel belangrijk een platform te krijgen. Door respons op je werk en ook
door enige verkoop, krijg je de kans om verder te evolueren en te investeren in
je oeuvre.
Een galerie is
volgens mij absoluut noodzakelijk om als kunstenaar te kunnen groeien. Alhoewel
er vandaag meer en meer artiesten zijn die alles in eigen handen nemen en het
toch ook niet slecht doen.
Een galerie mag natuurlijk niet
alleen een ‘verkoopsplek’ zijn, 
want anders geraak je ook niet verder. Er
wordt van haar verwacht dat zij er alles aan doet om haar kunstenaars in de
wereld van het beeldende kunstenveld te positioneren.

HVC: Als zelfstandig kunstenaar moet je boetiek draaien. Is het
niet gevaarlijk dat je dan toegevingen doet op artistiek vlak?

SM: Dat is natuurlijk
een gevaar en daar mag je niet aan toe te geven.

HVC: Sinds september 2011 sport je ook (met ondergetekende). Helpt
dat ook om creatief alles op een rijtje te zetten?

SM: Ik sport te
weinig om daar effect van te hebben. (lacht) Altijd is er wel een excuus om
iets belangrijkers te doen. Mijn grootste ontspanning is tijd doorbrengen met
mijn dochter Anna. Voor mij is dat pure quality time. Mijn vriend en ik zijn
beiden workaholics en werken elke avond door. Gelukkig is er Anna die haar tijd
opeist en daar natuurlijk ook alle recht op heeft.







Anna is hier ondertussen bij ons komen komen zitten en luistert
mee.

HVC: Laten we je dochtertje Anna ook eens een vraag stellen.
Anna, vind je het
leuk dat mama beelden maakt?

Anna ( 5 jaar): Ja,
omdat mama’s beelden zo mooi zijn.

HVC: Waarom zijn mama’s beelden ‘kunst’ denk je?


Anna: Ik weet het
niet zo goed…

HVC: Hoe noemen mama’s beelden?

Anna: Morgane, Tristan,
meme,…

HVC: Maakt papa kunst?

Anna: Nee, papa
tekent alleen maar…

HVC: Wil jij later als je groot bent ook kunstenares worden?

Anna: Nee, ik wil een
juf worden, …

HVC: Sofie, hoe belangrijk is vriendschap voor jou?
(ondergetekende knipoogt)

SM: Ik ben zoals
eerder gezegd een Einzelgänger en heb niet zoveel vriendschappen nodig, maar
een paar trouwe vrienden rondom mij is toch wel belangrijk.

HVC: Hoe sta je tegenover netwerken in de kunst? Naar het schijnt
een belangrijk iets…

SM: Is dat zo? Ik
weet het niet. Enkele jaren terug ging ik naar heel wat vernissages, momenteel
is dat al een stuk minder. Heeft mij dat geholpen? Ik denk het niet.

HVC: Wat is voor jou noodzakelijk voor een goed kunstwerk? Aan
welke voorwaarden moet een kunstwerk voldoen voor jou om goed tot ‘straf’
gevonden te worden?

SM: Er zijn
natuurlijk vele kunstvormen. Wat is voor mij een geslaagd kunstwerk? (denkt
na)  Een werk moet mij dichter bij
mezelf brengen of aanzetten tot zelfreflectie.
Kunst moet datgene voelbaar
maken waar eigenlijk geen woorden voor zijn. Het kan zeer ervaringsgericht
werken, zoals bij Anish Kapoor of Cildo Meireles. Soms toont het iets
spiritueels of toont het iets diepmenselijks.  Rembrandt lijkt in sommige portretten de ziel te willen blootleggen.
Hoewel, we niet precies weten of de geportretteerde er wel echt op lijkt, het
blijft een afbeelding, En toch brengt dat bij ons iets teweeg. Er zijn
verschillende hedendaagse Belgische kunstenaars die daar ook in slagen …

HVC: Ik denk dat, hoewel we een klein landje zijn, we wel trots
mogen zijn op onze Belgische kunstenaars.

SM: Absoluut. Ik vind
dat er hier heel veel goede kunstenaars leven en werken. Ik ben natuurlijk zelf
Belgische en voel  me nauw verwant
met de Belgische traditie, dus dat is subjectief.
Er heerst een
duidelijk eenheidsgevoel bij heel wat kunstenaars van hier, van vroeger tot nu: dat
gaat van René Magritte naar Marcel Broodthaers tot de kunstenaars die vandaag
actief zijn. Als ik door de zalen van de 17e eeuw liep in de Metropolitan
in New York,  dan kwam ik Joos Van Craesbeek tegen en David Teniers en Rubens en dat voelt toch heel
vertrouwd. 
Maar pas op, die
Italianen konden er ook wat van tijdens de renaissance.

HVC: Waar zou jij – als je eindeloos mag dromen – je werk graag
zien staan?

SM: Ik ben al heel
tevreden met de kansen die ik tot nu gekregen en we zullen wel zien waar dat
naartoe gaat. Ik kan op deze vraag niet antwoorden, Hilde.
Ik wil gewoon dat
mijn werk bij heel veel mensen iets losmaakt – dat is het mooiste wat je kan
doen als kunstenaar – en dan heeft dat niets te maken met ‘daar of ginder’
staan.

HVC: Wat komt de toeschouwer te weten door naar jou werk te
kijken?

SM: In het beste
geval, komt hij of zij zichzelf tegen.

HVC: Een vraag die ik niet kan laten: hoe ga je met kritiek om? Ga
je daardoor nog harder werken om hen ‘een poepje te laten ruiken’?

SM: Ik heb al heel wat kritiek gehad in het verleden, soms
opbouwend, soms vernederend … Ik doe wat ik voel dat ik moet doen en laat me
vooral leiden door mijn intuïtie. Je hebt altijd tegenstanders, maar gelukkig
ook veel voorstanders.


HVC: Ik
heb je al verschillende keren jezelf ‘kunstenaar’ horen noemen. Waarom ben je
kunstenaar en niet gewoon beeldhouwer? Wanneer heb je dat woord voor het eerst
over jezelf over je lippen gekregen?



SM: Ik denk sinds ik er 100% voor gegaan ben. Het is voor mezelf
zo’n duidelijke weg, dus ik vind dat ik me nu wel kunstenaar mag noemen. 



HVC: Wat
is de sleutel van je succes?



SM: Ik ben vrij ambitieus en heb drang om te creëren. Ik kan
gewoon niet anders… Het plezier in mijn werk geeft me ook
ongelofelijk
veel
voldoening. ‘Het plezier in je werk’ mag tegenwoordig ook niet te veel luidop
geroepen worden. Maar dit is toch voor mij een absolute noodzaak om het te
blijven doen
.



HVC:
Sofie zonder kunst maken: wat zou er nog van haar overschieten?





SM: Ik zou misschien verpleegster geworden zijn, zoals mijn vader
ooit verpleger was. Of ik zou nog steeds lesgeven, iets wat ik tot enkele jaren
geleden deed. Het is nu fantastisch hoe het gelopen is. Laat ons hopen dat het
nog even verder mag duren.






HVC:
Lijd je soms voor je kunst? Heb je het gevoel dat je er dingen moet voor opofferen? Zoals ik altijd klaag dat ik me moet opsluiten op alles bol te werken en allerlei leuks daardoor lijk te missen.







SM: Ik vind dat absoluut geen lijdensweg. Opofferen? Neen! Ik kies daar zelf voor. Het moment dat het me niet meer zou interesseren of ik er geen voldoening meer in heb, stop ik ermee.  


HVC: Hoe
denk je over de kunstmarkt in het algemeen en de grote budgetten die er omgaan
in de kunst?



SM: De verkoop van werken en de kunstmarkt is een heel ander
circuit dat zeer ver weg staat van het ateliergebeuren
.


Ikzelf ben sinds enkele jaren volledig zelfstandige, dus verkoop
is noodzakelijk voor mij. Jawel, ik heb een haat-liefde relatie met de
kunstmarkt. Je hebt gelukkig collectioneurs die met hart en ziel voor een werk
kiezen.



Wil ik kunnen blijven doen wat ik nu doe, dan is die kunstmarkt en
verkoop absoluut noodzakelijk. 


Iedere tentoonstelling betekent een gigantische financiële
investering. Beelden in brons laten gieten kost je een pak geld en je weet
nooit op voorhand of je die investering terugkrijgt.


Wat de grote budgetten betreft binnen de kunstwereld?


Hallucinant! Overdreven! Totaal niet in proportie met de prijzen voor topstukken binnen de
oude kunst.


Meer kan ik daar niet over zeggen.





HVC: Okee
Sofie, dit volstaat? (ondergetekende knipoogt)



Wij
babbelen nog even verder over koetjes en kalfjes terwijl we onze koffie verder
opdrinken.  En ik neem afscheid van Sofie. In de gang, op weg naar de voordeur, kan ik het toch niet laten. Ik wil Peter ook nog enkele vragen stellen…




HVC: Hoi Peter, hoe kan je Sofie omschrijven?


Peter Willems: Sofie
heeft een uitgesproken dominant karakter en is heel eigenzinnig. Indien ik haar
moet vergelijken met enkele historische vrouwen dan lijkt ze nog het best op
een kruising tussen Margaret Thatcher en Catharina De Grote. Een uitgesproken
mening en niet echt meegaand. Maar ze heeft ook een romantische kant.



HVC: Is het gemakkelijk om samen te leven met een
gedreven, succesvolle beeldhouwster?



Peter:
Gemakkelijke verwezenlijkingen geven zelden de voldoening als degene waarvoor
je hard moet zwoegen. Dat is een grondstemming die eigen is aan ons beiden,
denk ik. Maar voor Sofie is er minder onderscheid tussen werk en
privé. Als ze ergens mee zit, moet het er direct uit. Dus valt er
soms al eens een woord. Anderzijds neemt dat ook de druk weg en weet ik quasi
onmiddellijk wat er haar dwars zit.  




HVC: Is er een verandering met vroeger “toen ze nog
niet bekend was”?



Peter: Ze kan
veel van de intuïtieve aspecten met betrekking tot haar haar werk nu veel beter voor zichzelf benoemen
dan vroeger. Dat is een groot voordeel.



HVC: In welke mate/zin steun jij haar?



Peter: Al wat
computerwerk aangaat is voor mij; website, vormgeving en wat film- en
fotografiewerk. En in de aanloop naar een nieuw beeld voeren we uiteraard de nodige
discussies. 



HVC: Wat is haar belangrijkste karaktertrek waardoor
ze al zo ver geraakt is?



Peter: Wat ze
vandaag kan doen zal ze vandaag doen. En wat morgen kan, zal ze eventueel ook
nog vandaag proberen doen.
HVC: Zo kennen we haar!

(Sofie met galeriehouder Adriaan van De Zwarte Panter in Antwerpen)



Hilde Van
Canneyt, copyright 2012.



www.sofiemuller.be


www.geukensdevil.com
www.vec-star.com





Sofie Muller stelt tentoon:




Black Out  – C-mine, Genk, juni – september 2012

Kunstfestival Watou – Watou,  zomer 2012  

Mindmap – Venray, 
25 mei- 15 oktober  2012   

De zwart/wit foto’s zijn getrokken op de vernissage van ‘The rest is silence’ door fotograaf Dirk Vermeire (‘De witte panter’ en ‘Revisted portraits’).







Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.